Onderwijs Duizenden buitenlanders werken uit liefde voor het land en de cultuur in het Japanse onderwijs als taaldocenten. Hun toch al bescheiden inkomens dalen steeds verder, maar slechts weinigen durven te protesteren. „Ze hebben misbruik gemaakt van mijn passie.”
Kellan Fisher (32) en Beatrice Baker (31) kwamen uit liefde voor de Japanse manga- en gamecultuur naar het land en doceren daar Engels. Hun uitzendbureau wilde hun toch al schamele salarissen eenzijdig verlagen.
„Hier neem ik mijn dates naartoe”, zegt Kellan Fisher (32), terwijl hij zijn handen warm wrijft in zijn dikke bruine jas. Naast hem stroomt de Kamogawa in Kyoto. „Deze rivier is mooi, en gratis. Geld voor romantische afspraakjes heb ik niet.” Naast hem knikt collega Beatrice Baker (31) instemmend.
Beiden werken als juniordocenten Engels op middelbare scholen in Kyoto, tegen een bescheiden loon dat dit jaar zonder overleg met 12,5 procent werd verlaagd. „Daar trokken we een grens”, vertelt Baker, die een staking organiseerde om zijn salaris terug te eisen. De onderhandelingen daarover zijn nog gaande.
In Japan werken duizenden buitenlanders als taalassistenten op scholen. Ze doen dat via een uitwisselingsinitiatief van de Japanse overheid dat al sinds 1987 bestaat. Hierbij worden mensen uit Engelssprekende landen voor een jaar of langer naar Japan gehaald om op scholen te werken als ‘Assistant Language Teacher’, of ALT.
De gedachte is dat deze veelal jonge buitenlanders niet alleen helpen bij de Engelse les, maar ook internationale cultuur in het klaslokaal introduceren. Andersom leren zij zelf weer iets van Japan. In de praktijk betekent dat voor veel ALT’s dat ze meedraaien in het Japanse onderwijssysteem, maar dan zonder de baanzekerheid, het salaris of de status van hun Japanse collega’s.
Sommigen doen dit via het officiële Uitwisselings- en Onderwijsprogramma (JET), dat relatief redelijke arbeidsvoorwaarden heeft. Het aantal plaatsen en de verblijfsduur zijn echter beperkt. In 2022 telde het programma iets minder dan vijfduizend deelnemers, van de ruim negentienduizend ALT’s die Japan werkzaam waren.
Dat betekent dat nog geen drie op de tien daadwerkelijk via het officiële programma was aangenomen. Meer dan zesduizend ALT’s zijn via commerciële uitzendbureaus op scholen geplaatst, vaak tegen lagere lonen en met tijdelijke jaarcontracten.
Zo ook Fisher en Baker: „We verdienden eerst 330.000 yen per maand (1.790 euro). Toen we voor de uitzendbureaus gingen werken werd dat 240.000 yen (1.300 euro). Dit jaar is dat zonder waarschuwing verlaagd naar 210.000 yen (1.140 euro)”, legt Baker uit. „Allemaal brutobedragen. Dat terwijl we al op het randje leven”, voegt ze toe.
Ter vergelijking: het gemiddelde maandloon van een Japanse werknemer is 398.000 yen (2.160 euro). Dat steeg dit jaar bovendien juist met 3,9 procent, mede omdat bedrijven hun werknemers compenseren voor de enorme inflatie die Japan de afgelopen jaren kende.
„Wat geld opzij zetten is nu geen optie meer”, zegt Fisher. Op vragen van NRC over de reden van de loonverlagingen weigerde uitzendbureau Altia Central Recruiting, ondanks herhaalde verzoeken, te antwoorden. „Ons is ook niks verteld”, bevestigt Fisher.
Fisher kwam naar Japan omdat hij zich aangetrokken voelde tot de anime- en mangacultuur van het land. „Destijds was het JET-programma voor mij hét ticket naar Japan”, zegt hij met een schuine lach. Baker kwam om soortgelijke redenen: „Ik was geobsedeerd door Japanse games, dat is waarom ik de taal begon te leren.”
Uiteindelijk werden ze ook verliefd op het leraarsvak. „Ik heb echt veel geluk gehad met de kinderen die ik mocht lesgeven”, zegt Fisher. „Tijdens de coronapandemie ben ik een jaar terug geweest naar Engeland. Daar werkte ik als ingenieur voor een commercieel bedrijf, met een loon dat drie tot vier keer zo hoog is.”
Toch bleef hij dromen van Japan, en van betekenisvol werk als docent. Op aanraden van Baker keerde hij terug, ditmaal via uitzendbureau Altia. „Zij hebben misbruik gemaakt van mijn passie”, concludeert hij nu. Zowel Fisher als Baker hebben inmiddels bijna een derde van hun leven in Japan doorgebracht; terugkeren zou betekenen dat ze hun bestaan moeten ontwortelen.
Maar protesteren durven veel ALT’s niet. Buitenlanders die Engels geven op Japanse scholen krijgen zelden een vast contract. Zonder zo’n contract is het lastig een langetermijnsvisum te verkrijgen, en zonder visum mag je niet in het land blijven.
„Zelfs als het loon laag is of de werkomstandigheden slecht zijn, durven veel docenten hun mond niet open te trekken uit angst hun verblijfsrecht te verliezen”, vertelt Baker. „Niet klagen of zeuren, gewoon doorwerken. Dat is de verwachting.” Zodoende blijven veel ALT’s hangen in een systeem dat hen amper zekerheid biedt.
Toch begonnen Baker en Fisher, samen met vijf collega’s, een staking. „Door onze werkgever wordt ons niks verteld over onze rechten”, legt Baker uit, die op eigen houtje hulp van een lokale vakbond zocht. Eenzijdige loonsverlagingen zijn volgens de Japanse wet illegaal. „Maar een rechtszaak aanspannen kost tijd en geld, en dat hebben we niet. Daarom zijn we gaan staken”, zegt Baker.
Hun actie heeft inmiddels beperkt resultaat gehad: het haalde de nationale kranten en zette hun werkgever publiekelijk onder druk. „Pas toen werden de lonen teruggebracht naar het oorspronkelijke bedrag. Maar achterstallig loon kregen we niet, en onze eindejaarsuitkeringen zijn geschrapt”, vertelt Baker.
In Kyoto werken er tien ALT’s voor Altia, maar alleen de zeven stakers kregen hun oorspronkelijke loon terug. In de nog lopende onderhandelingen voelen de zeven betrokken docenten zich bovendien niet serieus genomen. „Toen we vroegen of de bedrijfsleiding zelf van dit loon zou kunnen leven, werden we door hun advocaat letterlijk uitgelachen”, vertelt Fisher peinzend.
Uitzendbureau Altia zegt geen commentaar te willen geven op de vraag of het bedrijf te goeder trouw onderhandelt. Evenmin wil het ingaan op de vraag of deelnemers aan de staking risico lopen op herplaatsing of contractbeëindiging. De twee docenten Engels verwachten het ergste. „Ik denk niet dat onze contracten verlengd worden. Of we worden uitgezonden naar de meest afgelegen plek die ze hebben”, zegt Fisher. „Een collega van ons moest in zes jaar tijd elf keer verhuizen”, voegt Baker toe. „Maar onze liefde voor Japan rechtvaardigt niet elk offer.”
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC