Chahinda Ghossein (40) is geboren in Libanon. Ze was bijna 5 jaar toen ze met haar ouders halsoverkop haar land ontvluchtte. Haar vader was politiek actief en verkeerde in levensgevaar tijdens een oorlog die al vijftien jaar duurde. Hoe is het haar sindsdien vergaan?
Chahinda Ghossein werkt als cardioloog in het Erasmus MC in Rotterdam. Tussen de drukke bedrijven door maakt ze tijd voor een interview in de kantine van het ziekenhuis. Geconcentreerd en to the point vertelt ze haar levensverhaal.
Wat was de aanleiding Libanon te ontvluchten?
‘Er was al vijftien jaar een burgeroorlog gaande en tegelijk was er een oorlog met Israël, dat het zuiden van ons land had bezet. Mijn vader was docent geschiedenis en maatschappijleer, en politicus. Namens de liberale, sjiitische Amal Partij zette hij zich in voor vrede en stabiliteit in Libanon. Een paar gebeurtenissen kort na elkaar deden mijn ouders in maart 1990 besluiten weg te gaan.
In de serie Eerste Generatie laat de Volkskrant mensen aan het woord die als eersten van hun familie naar Nederland kwamen. Waarom vertrokken zij, wat lieten ze achter en hoe bouwden ze hier een nieuw leven op?
‘In 1989 werd mijn vader gegijzeld door Israëlische militairen. Mijn zwangere moeder ging militaire posten langs om navraag te doen, met mijn kleine zusje en mij aan de hand. Na een paar weken werd hij vrijgelaten, bont en blauw. In hetzelfde jaar vloog bij een raketinslag ons huis in brand. Mijn hoogzwangere moeder ademde rook en giftige stoffen in. Bij de geboorte van mijn broertje was ze erg ziek, en mijn broertje ook – hij stierf vijf dagen later.
‘In korte tijd werden veel kopstukken van de Amal Partij geëxecuteerd. De vader van mijn moeder, die burgemeester was, werd neergeschoten. Op een nacht – we lagen met zijn vieren in één kamer te slapen – werd er aan onze voordeur geklopt. Er klonk een stem van iemand die mijn vader herkende uit ons dorp. ‘Meneer Ghossein, kunt u opendoen?’ Mijn vader stond op, maar mijn moeder trok aan zijn arm en zei: ‘Niet gaan!’ Intussen hoorden we buiten rumoer ontstaan. Glurend tussen de gordijnen door zag mijn vader militairen staan en beveiligers. Er werd geschoten. Mijn vader wist te ontkomen met hulp van beveiligers van de Amal Partij.
‘Dit nachtelijke bezoek van militairen aan ons huis gaf de doorslag. Mijn moeder zei tegen mijn vader: ‘Ik heb mijn zoon en mijn vader verloren, ik ben niet van plan ook jou en mijn dochters te verliezen. Ik wil hier weg.’ Mijn vader had veel moeite met vertrekken en bleef jarenlang hopen op terugkeer. Daar stak mijn moeder steeds een stokje voor.’
Wat herinnert u zich van deze gebeurtenissen?
‘Er zijn nog flitsen uit die tijd. Mijn zwangere moeder die werd weggeduwd en op de grond viel bij de Israëlische militaire post, waar ze vroeg waar mijn vader was. Mijn moeder die mijn vader aan zijn arm trok toen er ’s nachts werd aangebeld, het geschreeuw en de schoten voor ons huis. En ik zie mijn moeder nog de volle wasmand pakken, voordat we ineens in de auto stapten en wegreden. Via onderduikplekken in Libanon kwamen we een paar dagen later in Syrië aan. Nu ik dit vertel, merk ik dat mijn hartslag omhooggaat. Een kind onthoudt vooral de emoties die verbonden zijn aan ingrijpende gebeurtenissen.’
Wat voor leven lieten jullie achter?
‘Ons leven was onveilig, maar niet erbarmelijk. We woonden in een villa in een dorp vlak bij Saïda, een kuststad in het zuiden van Libanon. Mijn vader had aanzien als docent en politicus, en had meerdere bedrijven. Hier in Nederland is hij niet meer dan een ‘allochtoon’, zegt hij – daar heeft hij moeite mee. We hadden een grote, liefdevolle familie met wie we veel tijd doorbrachten. Vaak als gezin thuis zijn, zoals in Nederland, is ondenkbaar in Libanon.’
Hoe waren de reis en aankomst in Nederland?
‘In Syrië verbleven we een paar nachten in een hotel. Zodra we visa hadden, zijn we naar Schiphol gevlogen. Duitsland was het reisdoel, omdat daar familie woonde. Op Schiphol werd ons politiek asiel aangeboden. We werden overgebracht naar een asielzoekerscentrum in Alkmaar. Ik herinner me de lange rijen in de eetzaal, de soep met lettertjes vermicelli en de droge rijst die ik niet kreeg doorgeslikt.
‘Na vier maanden kregen we een woning in Huizen en na een jaar een verblijfsstatus, vergeleken met nu vrij snel. Onze casus was evident; dat mijn vader niet veilig was in Libanon bleek uit krantenberichten. De tijden waren anders dan nu. We voelden ons heel welkom in Nederland. Buurtgenoten brachten ons speelgoed en kleding, in de speeltuin kregen we koekjes. Ouders van leerlingen op school nodigden mijn zusje en mij vaak uit om te komen spelen, zodat we snel Nederlands leerden. Mijn vader en moeder waren dankbaar voor alle hulp, en spraken dat ook uit. Na twee jaar zijn we naar Roermond verhuisd.’
Waarom verhuizen als Huizen zo goed beviel?
‘Op een nacht was er een inval in onze woning. Mijn vader was bij familie in België, mijn zusje en ik sliepen bij onze moeder. Ineens stonden er mannen met bivakmutsen in de slaapkamer, ze richtten automatische wapens op ons. De inlichtingendienst had een melding gekregen dat mijn vader met mijn oom een terroristische aanslag op een synagoge zou voorbereiden. Die dienst was zó goed geïnformeerd, dat ze niet wist dat hij helemaal niet thuis was. Terwijl we onder schot werden gehouden, doorzochten ze ons huis. Ze kwamen de kelder uit met vuilniszakken vol paperassen. Mijn ouders hadden gehoord dat je in Nederland al je papieren vijftien jaar lang moet bewaren – er zaten ook huis-aan-huisbladen bij.
‘We werden meegenomen naar het politiebureau, en snel weer vrijgelaten. ‘Sorry, we hebben ons vergist’, klonk het. Mijn vader was woedend over de onterechte verdenking. Hij wilde een klacht indienen. Zijn advocaat raadde dat af indien hij een toekomst voor zijn gezin in Nederland wilde.’
Zo veilig voelde Nederland dus ook niet?
‘We kregen veel steun van onze buren, maar mijn moeder voelde zich niet veilig meer in huis, waarop we naar Roermond zijn verhuisd. Na dit incident hebben mijn ouders mijn zusje en mij op het hart gedrukt ons nooit uit te laten over politiek, over Israël en over deze gebeurtenis.’ Lachend: ‘Daar heb ik mij niet aan gehouden. Op de middelbare school nam ik deel aan de debatcompetitie Het Jongeren Lagerhuis en ik schreef columns in De Limburger over het leven van een moslima in de westerse wereld. Ik had een grote bek. Ik wilde politicologie studeren, maar koos voor geneeskunde nadat mijn vader zei: ‘Als je voor je brood afhankelijk bent van de politiek, moet je soms bereid zijn je principes opzij te zetten om carrière te maken. Je kunt beter een vak leren en je later met de verworven kennis uitlaten over politiek.’
‘Studeren, studeren, was de opdracht van onze ouders, met als doel een universitaire studie. Onze ouders wilden dat we zouden slagen in Nederland, zodat ze niet voor niets alles achter zich hadden gelaten. De grote druk om te presteren is soms zwaar geweest, maar nu ben ik er dankbaar voor, want het heeft me kracht en weerbaarheid gegeven.’
Heeft u zich weleens achtergesteld gevoeld?
‘We gingen naar een katholieke school, omdat christelijke normen en waarden dezelfde zijn als de islamitische; minderbedeelden helpen, het goede doen en het kwade laten. De eerste keer mocht ik niet mee naar de kerk voor de communie. Er werd van uitgegaan dat mijn ouders dat niet goed zouden vinden. Mijn moeder maakte bezwaar en zei dat ze wilde dat we met alles zouden meedoen.
‘De school had lage verwachtingen van mijn leerprestaties. Met een andere klasgenoot had ik de hoogste Cito-score; hij kreeg vwo-advies, ik vmbo. Mijn moeder nam het voor mij op, waarna ik toch naar het vwo mocht, dat ik met twee vingers in mijn neus heb gedaan. De mentor daar vroeg wat ik wilde worden. ‘Dokter’, zei ik. ‘Verpleegkundige is ook goed’, zei ze. Ik dacht: ‘Dat gaan we zien!’ Een paar jaar geleden heeft ze via Facebook haar excuses aangeboden.’
Wat drijft u in uw werk?
‘Ik wil de gezondheidszorg voor vrouwen verbeteren door medische kennis te vergroten. Na mijn studie geneeskunde en promotie in 2015 heb ik een grote studie opgezet naar de kans op hart- en vaatziekten bij vrouwen met complicaties tijdens de zwangerschap, zoals zwangerschapsvergiftiging. Daarvoor heb ik de stichting Queen of Hearts opgericht, verschillende disciplines als gynaecologie, cardiologie en interne geneeskunde bij elkaar gebracht, en organiseer ik activiteiten om geld in te zamelen en aandacht te vragen voor wat een zwangerschap en bevalling met een vrouw doen, lichamelijk en mentaal. Vrouwen functioneren dan onder de zwaarste omstandigheden.
‘Het idee voor dit onderzoek heeft deels een persoonlijke aanleiding. Tijdens mijn promotieonderzoek stierf mijn eerste kind, elf dagen na haar geboorte, aan een chromosomale afwijking. Zelf had ik placenta-insufficiëntie, wat een voorstadium kan zijn van zwangerschapsvergiftiging. Door het verlies van mijn dochter raakte ik mezelf kwijt, ik was niet meer vrolijk en gepassioneerd. Ik vroeg mij af of ik had gefaald als vrouw, als moeder, als wetenschapper. Hoe had ik over het hoofd kunnen zien dat er iets aan de hand was tijdens mijn eigen zwangerschap? Ik besloot volle bak aan de slag te gaan; we moeten meer te weten komen over wat er gebeurt tijdens een zwangerschap.
‘Ik kon het emotioneel niet meer opbrengen om gynaecoloog te worden en stapte over naar cardiologie, een vak dat ik nog leuker bleek te vinden. Ik kreeg twee fantastische kinderen en leerde de nieuwe Chahinda te waarderen. Ik leerde niet rigide vast te houden aan één plan, open te staan voor verandering, andere perspectieven en waarheden. Zo was het altijd óndenkbaar voor mij om mijn hoofddoek af te doen, maar op mijn 30ste zag ik in dat ik zonder hoofddoek ook een islamitische vrouw kan zijn met dezelfde normen en waarden, en met hopelijk minder maatschappelijke weerstand.’
Wat heeft de migratie naar Nederland u gebracht?
‘Opgroeien in een oorlogsgezin bracht me veerkracht en een diep besef van hoe kwetsbaar veiligheid is. Het gaf me de drijfveer om kansen te benutten, maar ook de last van het besef dat mijn ouders veel moesten achterlaten. Tussen verlies en nieuwe mogelijkheden heb ik geleerd dat identiteit niet óf-óf is, maar schuilt in het verbinden van de Libanese en Nederlandse wereld. Toch voelt het in het huidige grimmige klimaat soms moeilijk om je plek te blijven opeisen. Juist daarom zoek ik de kracht in het verbinden van twee werelden, waarin ik een thuis schep dat groter is dan angst of wantrouwen.’
De burgeroorlog in Libanon (1975-1990) kostte ruim 250 duizend mensen het leven, 1 miljoen burgers vluchtten – ruim tweeduizend naar Nederland. Libanon kent een grote diversiteit van bevolkingsgroepen, culturen en religies. Na de onafhankelijkheid van kolonisator Frankrijk in 1943 erfde het een verzuild politiek systeem met dominante posities voor christenen; zo kregen zij de helft van de zetels in het parlement. De onvrede over de machtsverdeling groeide en escaleerde in 1975 in een gewelddadige strijd tussen etnische, religieuze en politieke facties. Ook buurland Syrië mengde zich in het conflict. In 1978 en 1982 viel het leger van Israël Libanon binnen. Het bezette het zuiden van het land, onder meer om Palestijns verzet in de kiem te smoren. Hoewel de burgeroorlog in 1990 formeel eindigde, is de situatie instabiel gebleven, mede door aanhoudende Israëlische aanvallen op het zuiden.
Renée Meershoek
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant