Home

Snipverkouden

Het was zoals ik me liefde op het eerste gezicht had voorgesteld. Een gevoel van herkenning, het besef: dit is hem. Schuldgevoel, omdat je je hart al aan een ander had beloofd. De vriendin die bij me logeerde zag hem het eerst. Nog in pyjama, koffie in de hand, starend naar de achtertuin: „Een houtsnip!” In een flits was ik bij het keukenraam. Dat plompe, bruine lijf, die grote ogen… Er ging iets kwetsbaars van hem uit. Exit kievit – vanaf nu was de houtsnip mijn nummer één.

Andersom bleek ik voor de houtsnip niet de enige. Bij een collega was dezelfde ochtend een exemplaar tegen het raam gevlogen, midden in de stad. Op internet stonden meer verhalen over gewonde snippen. Zo bezien was mijn bezoeker er goed vanaf gekomen: tijdens ons ontbijt was hij weggevlogen over de schutting.

Zoals dat gaat bij prille liefdes, wilde ik álles weten over de houtsnip. En dus bezocht ik dinsdag wildopvang Vogelklas Karel Schot, vernoemd naar een Rotterdamse leraar die decennialang gewonde vogels verzorgde in zijn klaslokaal. Bij binnenkomst vertelde André De Baerdemaeker, ecoloog bij Bureau Stadsnatuur en voorzitter van de opvang, dat er elke winter minstens honderd houtsnippen worden opgevangen.

Ook André bleek een voorliefde voor de vogels te koesteren, alleen al vanwege hun uiterst gevoelige snavel. „Die zit vol tastzintuigen om bodemdieren mee waar te nemen.” Hun ogen zijn zo geplaatst dat ze 360 graden in het rond kunnen zien. „Ze kennen bijna geen dode hoek.” In de duisternis zoeken ze regenwormen en andere prooien; overdag blijven ze doodstil zitten, vertrouwend op hun camouflage.

Houtsnippen komen jaarrond in Nederland voor, al doet de soort het vooral goed in Scandinavië en Rusland. Maar die delicate snavel kan niet tegen vorst, en dus trekken ze ’s winters naar Zuidwest-Europa. Onderweg beginnen de problemen. „Ze vliegen langs de kust, passeren de Randstad. Waar andere vogels hoog genoeg trekken om uit de problemen te blijven, vliegt de houtsnip op ooghoogte, precies waar alle obstakels staan. Doordat er overal kunstlicht weerkaatst in de ruiten, raken ze gedesoriënteerd en wordt de stad één grote hindernisbaan.”

En zo belanden ze massaal in vogelhospitaals. „Vaak meer dood dan levend.” Zo ook het exemplaar dat net voor mijn komst was binnengebracht bij de Vogelklas. „Deze is niet meer te redden”, vertelde beheerder Iris van der Eerden. „Z’n vorkbeen is gebroken, dan kan hij niet meer vliegen.” Het speciale, stressvrije houtsnipverblijf – extra duister; bladeren en houtsnippers op de grond – zou hij nooit van binnen zien.

Juist ‘jojowinters’ zoals de huidige zijn het gevaarlijkst, aldus André. „Zodra het een beetje mooi weer wordt willen de mannetjes huiswaarts, om de boel aan kant te maken voor de dames. Maar als het dan vervolgens weer gaat vriezen, zoals volgende week, keren ze terug en krijg je wéér al die botsingen.”

Eén vraag bleef onbeantwoord: verwijst de term snipverkouden naar het niezende geluid dat baltsende houtsnippen maken, of naar de waterdruppels aan de snavel van hun familieleden, de watersnippen (die ooit het honderdguldenbiljet sierden)? Misschien was het beter om het niet te weten. Echte liefde gedijt immers goed bij wat mysterie.

Gemma Venhuizen is biologieredacteur en doet elke woensdag ergens vanuit Nederland verslag

Source: NRC

Previous

Next