Home

Hoe J-horror en ‘meiden met wapens’ de Japanse filmindustrie redden

V-Cinema Het IFFR wijdt een programma aan V-Cinema: de zeer invloedrijke stroming vettige Japanse genrefilms die direct op video verschenen. En die een onverwacht grote impact hadden op de internationale filmwereld.

Een actiescène uit 'Crime Hunter' (1989).

De avond dat Takashi Miike’s huiveringwekkende Audition (1999) in première ging op het International Film Festival Rotterdam (IFFR) in 2000 is legendarisch. Nadat het been van de hoofdpersoon door een mysterieuze vrouw wordt verdoofd met een lange naald zet zij de zaag erin – naar verluidt viel er iemand flauw. Er waren veel weglopers en bij het verlaten van de zaal beet iemand Miike toe dat hij „ziek” was.

Dit jaar keert Miike terug naar Rotterdam met de cartooneske cultfilm die hij drie jaar voor Audition maakte, Fudoh: The Next Generation (1996). Het is een van de achttien films uit een programma van IFFR rond V-Cinema: de invloedrijke stroming Japanse films die tussen 1989 en 1996 rechtstreeks op video verschenen. De hoogtijdagen van de direct-to-video-markt betekenden de redding van het Japanse studiosysteem. En baarden tevens een generatie nieuwe, taboedoorbrekende regisseurs, waarvan punkfilmer Miike er één is.

Eind jaren tachtig was de Japanse filmindustrie in een diepe crisis beland. Genres die ooit succes garandeerden, zoals het historisch drama, flopten jammerlijk en maakten de grote studio’s wanhopig. Het bezoekersaantal was enorm gekelderd, van ruim een miljard in 1958 tot 120 miljoen in 1996. Dat gold ook voor de productie van films: van 547 in 1960 tot 230 in 1991. Toen begin jaren negentig de bubbel van de Japanse economie barstte, was de filmindustrie op sterven na dood. Maar de meeste studio’s ontliepen faillissement door met video een nieuwe markt aan te boren.

Studio Toei (van de pas onlangs in Nederland uitgebrachte anime Angel’s Egg) baande de weg. Na het megasucces van anime Akira op de home-videomarkt besloot Toei om de bioscoopsector voortaan over te slaan en direct voor de thuiskijker te produceren. Hun eerste V-Cinemaproductie Crime Hunter was in 1989 meteen een groot succes: een detectivefilm van één uur, met nauwelijks plot, maar extra veel anarchie, moord en doodslag. Dat werd direct opgemerkt en in korte tijd produceerden studio’s honderden zogenaamde V-Cinema-producties, met een bescheiden budget en een korte draaitijd.

Een beeld uit yakuza-film ‘Fudoh: The Next Generation’.

Actie, yakuza en erotiek

In 1989 waren er zo’n 16.000 videotheken in Japan. En zo’n 70 procent van hun klanten waren jonge mannen. Dus daar haakten producenten op in, door films te maken die voortborduurden op de rijke genretraditie van de Japanse cinema: actiefilms, yakuza-films (over de Japanse maffia) en erotische thrillers die knipoogden naar de zogenaamde Pinku eiga, populaire softpornofilms uit de jaren zeventig.

Op de videomarkt konden filmmakers veel verder gaan dan voorheen; daar had je namelijk minder last van de censuurregels die bijvoorbeeld wel voor televisie golden. Om extra op te vallen moest het sowieso extremer dan in de gemiddelde misdaadserie op de Japanse televisie. Zo zit er in Miike’s bizarre yakuzafilm Fudoh: The Next Generation een strippend schoolmeisje dat vanuit haar vagina pijltjes op vijanden afschiet. Ook in andere films wordt graag een verband tussen seks en geweld gelegd. In XX Beautiful Weapon – geïnspireerd door Basic Instinct – gaat een vrouw naar bed met de op haar afgestuurde moordenaars, waarna zij ze na hun orgasme vermoordt. Dit leverde een hele ‘XX’-reeks op, door V-Cinema samensteller Tom Mes omschreven als het „meiden-met-wapensgenre”.

Die regelloosheid maakte V-Cinema niet alleen extravaganter en explicieter, maar ook speelser dan wat men in de bioscoop gewend was. Regisseurs braken met alle nodige filmwetten, als het resultaat maar amusant en meeslepend werd. Je weet nooit welke wending er komt of met welk stilistisch vernuft de regisseur de actie omkleedt. Je kijkt je ogen uit. Zo begint XX Beautiful Weapon in het donker, en zorgen afgevuurde kogels voor de belichting – waardoor de seksscène die we zien slechts flitsen betreft: nog nooit gedaan, maar extra spannend en opwindend. Door overbodige uitleg weg te laten en te focussen op actie zijn de energieke films nooit eentonig. Het idee was dan ook dat je de videobanden niet zou doorspoelen, zoals eerder wel gebeurde met ‘gewone’ op video uitgebrachte films. Er waren simpelweg geen saaie stukken om over te slaan.

Ook in het Westen sloeg V-Cinema aan. Een hausse aan Japanse cultfilms (en die uit Zuid-Korea en Hongkong) werd aan de man gebracht via dvd-labels met namen als Asia Extreme, Asiamania en Japan Shock Video. Dit was nog eens wat anders dan de relatief bedaagde films van Japanse grootmeesters uit het verleden, zoals Ozu, Mizoguchi en Kurosawa.

Een beeld uit ‘Scary True Stories’.

Japanse Horror

Na ruim zes jaar verloor het publiek zijn belangstelling, door overproductie was de formule uitgewerkt. Maar de zeven vette jaren dat V-Cinema triomfeerde waren revolutionair. V-Cinema was de kraamkamer van het invloedrijke J-horror (Japanse horror). In 1992 werd een verzameling spookverhalen op video uitgebracht: Scary True Stories (IFFR vertoont Second Night) waarin alle karakteristieke kenmerken van J-horror al te zien zijn: liever suggestieve sfeer dan bloed, veel bovennatuurlijke elementen en enge spookachtige verschijningen. Het liefst traag gefilmd, met een opbouw die langzaam toewerkt naar een verrassende climax. Na het succes van Ringu (The Ring, 1998) van Hideo Nakata – wiens debuut een V-Cinemaproductie is die op IFFR draait – werd J-horror ook populair in het buitenland. Hollywood maakte remakes als The Ring en Dark Water. Ondertussen werden de sterren uit V-Cinema en regisseurs als Kiyoshi Kurosawa, Shinji Aoyama en Takashi Miike wereldwijd bekend. Zij wonnen later prijzen op prestigieuze filmfestivals als Cannes en Venetië maar zouden nooit hun glorieuze verleden vergeten. Dankzij V-Cinema leerden zij de kneepjes van het vak.

Source: NRC

Previous

Next