De taxichauffeur zei dat ze in Jeruzalem banger waren voor regen dan voor raketten. Begrijpelijk, de straten stonden blank, het verkeer liep vast en in de oude stad waren de trottoirs rivieren geworden. Maar een leven in de schuilkelders was ook niet alles, gaf de chauffeur toe. Hij hoopte dat Amerika Iran niet zou aanvallen.
Kort daarvoor had ik pelgrims uit Afrika in extase zien raken op de plek waar het laatste avondmaal zou zijn genuttigd. Oorlog of geen oorlog, de extase gaat door. Deze extase ging gepaard met geschreeuw en gezang.
Ik was hier voor werk – waar niet? – en ik maakte van de gelegenheid gebruik een oude vriend te ontmoeten. Hij had me uitgenodigd voor een dinertje bij hem thuis, ik was er voor het laatst in 1998 geweest. Het huis was onveranderd, zijn vrouw rookte nog altijd als een ketter.
Er was ook een zakenman die vaag op Elvis Presley leek. Wat voor zaken hij deed bleef onduidelijk, iets met start-ups, ook hij zei af te wachten wat Amerika met Iran zou doen, maar dat het leven in de schuilkelders best te doen was, want je kon er wijn drinken.
Hoe dichter je bij de heilige plaatsen komt, hoe meer er naar de eindtijd wordt gesmacht. Terwijl de zalm op tafel werd gezet dacht ik even met jaloezie aan de pelgrims.
Ik zag tegen de schuilkelders op omdat mijn zoontje in Amsterdam op me aan het wachten was en ik met hem naar New York zou reizen, waar we in de vrieskou de geiten in Central Park zouden bezoeken. Hopelijk zou Trump Iran nog even met rust laten. Bombarderen voor democratie en mensenrechten was ook niet alles, leerde het verleden.
‘Als het echt lang gaat duren’, zei de zakenman, ‘worden jullie westerlingen via de Sinaïwoestijn en Egypte geëvacueerd.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns