Tijdens repetities vindt de ‘droge’ acteur pas vrijheid in zijn spel als hij zijn script volledig doorgrondt, in tegenstelling tot de ‘natte’ acteur, die juist improviserend op ideeën komt. Wat zie je daarvan terug op het toneel?
schrijft voor de Volkskrant over theater.
‘Er staan in deze scène best veel zinnen waarvan ik denk: wat zégt ze daar eigenlijk? Wat bedoelt ze?’ Het is half december, twee maanden voor de première en actrice Manoushka Zeegelaar Breeveld begint de repetitie met wat vragen over haar personage, keizerin Maria Theresia. Fronsend kijkt ze naar het script dat voor haar op tafel ligt. ‘Ze reageert vooral op anderen. Ik wil weten wat háár drijfveren zijn. Ik ben bang dat ze anders vooral zeurderig wordt, dat zou ik jammer vinden.’
In de studio van muziektheatergezelschap Orkater, aan de rand van Amsterdam, wordt vandaag voor het eerst gewerkt aan een grote scène uit de nieuwe voorstelling Moeder van Europa. Dit historisch drama speelt zich af aan de vooravond van de Franse Revolutie, en draait om Maria Theresia, haar dochter Marie Antoinette (Selin Akkulak) en hun gevolg (Michiel Blankwaardt en Shahine El-Hamus).
De opzet van deze ochtend: de acteurs lezen de scène eerst hardop aan tafel, en gaan daarna ‘de vloer op’. Regisseur Belle van Heerikhuizen, die vorig jaar onder meer de bejubelde voorstellingen Schuldig kind en Second Love maakte, kijkt reikhalzend uit naar dat moment, vertelt ze voorafgaand aan de repetitie. ‘Ik ben iemand met weinig zitvlees, van te lang praten krijg ik de kriebels. Dan denk ik: hop, aan de slag.’
Van acteurs wordt vaak verwacht dat ze tijdens zo’n eerste poging zelf met ‘aanbod’ komen: eigen ideeën over hoe ze hun personage spelen. Want repeteren is geen invuloefening: met een toneeltekst kun je oneindig veel kanten op. Al uitproberend en bijschavend ontstaat gaandeweg de voorstelling die het publiek te zien krijgt.
Dat begint dus allemaal met dat ene, kwetsbare moment waarop de acteurs, soms nog met script in de hand, in het repetitielokaal voor het eerst een scène uitproberen. Sommige acteurs zien daar als een berg tegenop. Zij blijven liefst zo lang mogelijk ‘aan tafel’ om de tekst op microniveau te analyseren. Pas als ze precies weten wat een zin betekent, of waarom een specifieke scène op een bepaalde plek in het stuk zit, vinden ze op de vloer de vrijheid om te spelen. In theaterkringen wordt dit type speler ook wel een ‘droge’ acteur genoemd.
Aan de andere kant van het spectrum heb je ‘natte’ acteurs. Zij hebben al vanaf dag één de neiging om die tafel omver te gooien en het materiaal op de vloer uit te testen. Ze komen juist improviserend op ideeën en ontdekken intuïtief wat wel of niet werkt.
De termen werden in de jaren tachtig gemunt door regisseur Gerardjan Rijnders. Als artistiek leider van Toneelgroep Amsterdam (de voorloper van Internationaal Theater Amsterdam) zag hij dat elke acteur uit het ensemble een andere gebruiksaanwijzing had. Zo zijn er acteurs bij wie het meteen volop drama en emotie is op de vloer, zegt hij: ‘Zij scheppen chaos en dan is het aan de regisseur om daar orde in aan te brengen.’ Bij droge acteurs werkt dat andersom, legt hij uit. ‘Zij werken veel doordachter en die moet je juist een beetje uit balans brengen.’ Het is geen kwalitatief oordeel, benadrukt hij: ‘Je kunt bij beide acteurs op hetzelfde punt uitkomen.’
Als toeschouwer is het dus moeilijk (maar daardoor niet minder leuk om te proberen!) om te bepalen of een acteur nat of droog is. Ook de meest gortdroge acteur kan tenslotte tot grootse emotionele uitbarstingen komen, zoals een kletsnatte acteur uiteindelijk kan floreren in ingetogen spel.
Vaak geeft het slotapplaus nog de beste indicatie: soms zie je tijdens het buigen bij de ene acteur de tranen nog over de wangen lopen (nat!), terwijl ernaast een medespeler dezelfde staande ovatie geroutineerd glimlachend incasseert, in gedachten alweer in de kleedkamer (inderdaad: waarschijnlijk droog).
Manoushka Zeegelaar Breeveld blijkt tijdens de repetitie van Moeder van Europa in december tot de droge categorie te behoren. Tijdens de voorbespreking probeert ze met chirurgische precisie van ieder woord de betekenis te achterhalen: ‘Waar is deze zin precies een reactie op?’ of ‘Waarom staat hier een komma en geen punt?’
Maar die analytische blik betaalt zich later die ochtend meteen uit: als de groep, na drie kwartier lezen en ontrafelen, eenmaal op de vloer staat, heeft ze allerlei manieren bedacht om keizerin Maria Theresia te spelen. Ze probeert de statige monarch tijdens de eerste poging vooral woedend te spelen, vervolgens meer wanhopig en ten slotte juist ongeduldig en kortaf.
Haar medespeler Shahine El-Hamus is wat dat betreft een tegenpool: hij zat tijdens de tekstlezing geduldig en afwachtend aan tafel, maar eenmaal op de vloer probeert hij schaamteloos allerlei ideeën uit. Hij reageert alert op onverwachte bewegingen van zijn medespelers, en voelt zich met de vrijheid in deze vroege repetitiefase als een vis in het water: overduidelijk een natte acteur, dus.
Maria Kraakman herkent dat: ook zij wordt ‘heel onrustig’ als ze lang aan tafel moet zitten tijdens repetities, vertelt ze. De gelauwerde actrice van Internationaal Theater Amsterdam, die in 2024 de belangrijkste toneelprijs Theo d’Or won, omschrijft zichzelf als een echte doener.
‘Ik vind het fijn om meteen te gaan spelen. Repeteren gaat voor mij vooral over de vertaling naar de vloer. Je kunt een tekst analyseren, en dat is belangrijk, maar het grootste gedeelte is chemie en toeval: de magie die ontstaat op de vloer.’
Ze speelt op dit moment in Prophet Song, de theaterbewerking van het geprezen boek van Paul Lynch, geregisseerd door Mina Salehpour. De overstap van tafel naar vloer ging heel stapsgewijs, herinnert Kraakman zich. ‘We begonnen met uitgebreide tekstlezingen aan tafel. Vervolgens gingen we staand aan tafel lezen, dan heb je al wat meer vrijheid om tot spel te komen.’
Daarna ging die tafel weg en stonden de acteurs in een cirkel, vertelt ze. ‘Er kwamen wat attributen bij, sommigen trokken alvast een kostuum aan, zo ga je een beetje improviseren met elkaar. Daarin liet Mina ons helemaal vrij: er was geen enkele ambitie om mooie scènes te maken, maar alleen om het materiaal te onderzoeken. Ze stuurde niets.’
Door die vrijheid kwamen ze in die vroege fase al tot mooie vondsten. Als voorbeeld noemt Kraakman een abrupte scèneovergang halverwege het stuk, waarin ze op volle kracht met haar winkelwagentje tegen dat van haar medespeler Janni Goslinga knalt. ‘We waren een beetje aan het jammen en al doende probeer je iets van dynamiek aan te brengen. Er stonden wat winkelwagentjes in de ruimte, dus ik dacht: ik ga ervoor. Het was heel intuïtief, ik had er niet over nagedacht.’
Het is een krachtig en veelzeggend theatraal element in de voorstelling, dat juist heel goed werkt omdat het een beetje lomp en ondoordacht is: bij uitstek een natte actie. Als toeschouwer weet je bovendien meteen met wat voor personage je te maken hebt. ‘Als je dit soort dingen vooraf bedenkt, wordt het vaak een beetje keurig of voorspelbaar’, aldus Kraakman.
De mate van natheid of droogte tijdens repetities hangt dus ook af van de werkwijze van de regisseur. Gerardjan Rijnders, die van 1987 tot 2000 leidinggaf aan Toneelgroep Amsterdam, omschrijft zichzelf als een droge regisseur: zijn intrinsieke neiging is om een toneeltekst eerst uitgebreid te analyseren en vervolgens pas met zijn spelers de vloer op te gaan.
‘Paradoxaal genoeg vind ik natte acteurs leuker om te regisseren, omdat ze ongrijpbaarder zijn. Met een droge acteur spreek ik dezelfde taal, dan ga je duiden en analyseren, en dat levert minder snel verrassingen op. Natte acteurs regisseren vind ik veel moeilijker, en dus interessanter.’
Zijn opvolger Ivo van Hove, die tot 2023 het gezelschap leidde, staat juist te boek als een heel natte regisseur. Maria Kraakman: ‘Ivo zei altijd meteen: doe maar. We zaten nooit aan tafel, je kwam met gekende tekst op de repetitie en ging meteen de vloer op.’
Niet elke acteur kon daar even goed mee uit de voeten, vertelt Rijnders: ‘Je merkte dat droge acteurs, zoals Pierre Bokma, al vrij snel na Ivo’s komst vertrokken bij het ensemble: onder meer omdat zij niets konden met die natte werkwijze.’
Joep van der Geest van Het Zuidelijk Toneel gedijt juist op intuïtieve repetitieprocessen, die liefst op zo veel mogelijk manieren uit de bocht vliegen. De acteur, die op dit moment te zien is in de voorstelling Not Quichot, wordt geroemd om zijn intrigerende toneelspel: als acteur blijft hij altijd iets ongrijpbaars houden, alsof hij tijdens het spelen voortdurend ook zijn eigen rol becommentarieert. Dat maakt hem heel interessant om naar te kijken.
Repeteren gaat voor hem over ‘het terugveroveren van controle’, legt hij uit. Hij begint de repetities ‘zo nat mogelijk’, in volle overgave. ‘Hoe natter je begint, hoe meer er kan ontstaan in een repetitieruimte. Gedurende het proces word ik steeds droger, tot ik rondom de première helemaal crispy ben.’
Zelf houdt Van der Geest van grilligheid op het toneel. ‘Als toneel helemaal in balans is, kan het iets monumentaals of zelfs saais krijgen. Ik heb weleens stukken gezien met acteurs die hun metier van begin tot eind beheersen: ze zijn goed verstaanbaar, hun spel is mooi, elke scène komt op het goede moment. Maar er gaat niets mis, niemand struikelt, er valt niets uit de toneeltoren. Dan haak ik toch af: alles klopt, het is te droog.’
Zijn voorliefde voor onvoorspelbaarheid, sluit naadloos aan bij de signatuur van Het Zuidelijk Toneel, dat opwinding wil veroorzaken en het publiek actief wil ontregelen. Dat type theater gedijt goed bij intuïtievere repetitieprocessen.
Maar er zijn ook makers voor wie een toneelavond een gezamenlijke denkoefening met het publiek is. Zij maken voorstellingen waarmee ze de gedachten van de toeschouwer willen scherpen of ideeën willen bevragen. Collectieven als Maatschappij Discordia of ’t Barre Land staan erom bekend vrijwel uitsluitend aan tafel te repeteren en het materiaal zo grondig mogelijk te bevragen en te analyseren.
Ook voor de voorstellingen van acteur en theatermaker Bo Tarenskeen geldt dat in zekere mate. Hij werkt al jaren gestaag aan een boeiend oeuvre van associatieve denkstukken, en is onder meer bezig met een elfdelige serie over het gedachtegoed van de Oostenrijkse filosoof Wittgenstein.
Tarenskeen omschrijft zichzelf als een droge acteur. ‘In het eerste deel van de Wittgensteinreeks liet ik de filosoof zeggen: ‘Je kunt toch niet zomaar wat gaan zitten leven, zonder daar eerst héél goed over nagedacht te hebben?’ Dat is hoe ik naar acteren kijk. Je gaat eerst gedachten verzamelen en gevoelens onderzoeken, en dat gaat allemaal deel uitmaken van een enorme ijsberg onder water. Het puntje van die ijsberg is het spel dat je vervolgens op de vloer laat zien.’
Repeteren is voor hem eerst pakweg drie weken praten, en dan twee weken op de vloer. ‘En tijdens het spelen probeer ik dan vooral ‘de tekst het werk te laten doen’, zoals we dat noemen. Dat betekent als acteur zo weinig mogelijk invullen, zodat je het voelen aan het publiek overlaat. Termen die ik vaak gebruik: wees onnadrukkelijk, onsentimenteel, terloops. Ik ben in die zin niet geïnteresseerd in virtuositeit. Ik wil rust en sereniteit bieden, zodat het publiek zijn werk kan doen.’
Joep van der Geest begon zijn carrière ook droger dan hij nu is. Logisch, zegt hij: ‘Op de toneelschool had ik geleerd dat ik mijn personages door en door moest begrijpen om ze te kunnen spelen. Maar op een gegeven moment ontdekte ik dat die rationele benadering me vooral tegenzat. Want het houdt ook allerlei deuren naar onverwachte ingevingen dicht. Sommige vragen moet je pas later in het proces beantwoorden, omdat je dan op antwoorden komt die je niet had voorzien.’
Ook Maria Kraakman geeft aan dat ze door de jaren steeds meer op haar intuïtie durft te varen. Snel de vloer op vond ze vroeger doodeng. ‘Aan elke impuls hing een kaartje ‘mag dit wel?’. Heel beperkend. Met leeftijd en ervaring neemt dat gelukkig iets af. Al kan ik me nog steeds superongemakkelijk voelen tijdens repetities. Die onzekerheid gaat nooit helemaal weg.’
In de studio van Orkater zijn de acteurs van Moeder van Europa aan het eind van de repetitiedag tóch weer teruggekeerd aan tafel, om opnieuw te praten over de betekenis het stuk. Zo gaat dat vaak, zegt Van Heerikhuizen: ‘Het is ook heel belangrijk om met elkaar in gesprek te blijven over het grotere geheel: waarom maken we deze voorstelling, waar zit ons engagement? Zo schiet je voortdurend heen en weer tussen en natte en droge momenten.’
Ze vergelijkt het repetitielokaal met een speeltuin. ‘In de eerste paar dagen onderzoeken we hoe groot die speeltuin eigenlijk is. Is het een postzegel waarin we nauwelijks bewegingsvrijheid hebben, of kunnen we het ons permitteren om te gaan rennen en in de touwen te klimmen?’
Dat kun je alleen maar ontdekken door het uit te proberen, zegt ze. ‘En daar heb ik acteurs voor nodig die enerzijds vrijuit op de vloer bewegen en anderzijds alles scherp bevragen. Die slimme én belachelijke ideeën verzinnen, heel veel onbruikbaars aandragen, en daardoor tóch ineens op iets briljants stuiten.’
Moeder van Europa van Orkater, 6/2 t/m 11/4 (première 14/2).
Not Quichot van Het Zuidelijk Toneel, t/m 31/1.
Prophet Song van Internationaal Theater Amsterdam, t/m 25/1.
Adem door Punch (regie Gerardjan Rijnders), t/m 4/3.
Tegen de wet van Bo Tarenskeen, 11 t/m 13/3.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant