Als kind stond hij al met zijn vader op de kop van de Noordnol, een strekdam in de Westerschelde. De kerncentrale was er nog niet, geen windmolens. Alles was horizontaal — de lage duintjes, het strandje en de horizon zelf. Karel van Puijenbroek (63) komt er nog steeds. ’s Zomers als hij met zijn vrouw op de camping achter de dijk staat. En ook op deze winderige, waterkoude dinsdag is hij vroeg in de auto gestapt en uit Brabant naar Borssele gereden.
In de luwte van de lichtopstand op de Noordnol, een kloeke mast met een bordes, staart hij naar zijn hengeltoppen. Geen schar of wijting heeft zich vooralsnog gemeld. Binnenkort kan hij niet meer bij dit oeverlicht schuilen. De lamp achter rode, groene en witte ruitjes is al jaren gedoofd. In december kreeg Rijkswaterstaat een sloopvergunning. Een ander licht, een kilometer verderop, wacht eenzelfde lot.
„Het is zo zonde dat ze verdwijnen”, zegt hij. „Het zijn herkenningspunten en monumenten. Ik weet niet anders dan dat ze er al zestig jaar zijn.” Sommige zijn nog ouder. Het licht bij Hoedekenskerke is van 1921 en het ‘lage licht’ van Westkapelle is zelfs uit de negentiende eeuw.
Tot 1866 was de Westerschelde ’s nachts niet bevaarbaar. Toen ging Nederland akkoord met een Belgisch voorstel om van de monding tot aan Antwerpen op beide oevers geleidelichten te plaatsen. Als je zo stuurde dat een ‘hoog’ en een ‘laag’ licht op één lijn bleven, wist je dat je in veilig vaarwater was. En dan pikte je de volgende ‘lichtenlijn’ op. Bij een sectorlicht, zoals op de Noordnol, ging het erom ‘in het wit’ te blijven; rood scheen over een zandbank. Nederland bouwde er bijna honderd, België betaalde. Want de haven van Antwerpen.
Het lichtenstelsel van lijnen en knipperende punten heeft niet eens een naam. Maar het was het wonderbaarlijke resultaat van anderhalve eeuw denkwerk van schippers, loodsen, hydrografen en de bestuurders van de Belgisch-Nederlandse Commissie voor Toezicht op de Scheldevaart, opgericht na de officiële scheiding van 1839.
De lichten brandden op petroleum, later op gas en elektriciteit. Ze kregen gezelschap van verlichte boeien, werden geautomatiseerd. En toen ingehaald door radar, gps en de elektronische zeekaart. Een kapitein hoeft bij wijze van spreken niet eens meer naar buiten te kijken.
Een jaar of tien geleden was het stelsel nog goeddeels intact, zegt erfgoeddeskundige Gertjan de Boer, die er een studie over schreef. „Geen waterweg ter wereld was nog in zijn geheel met lichten te bevaren.”
Die „nautische functie van het ensemble” noemt hij belangrijker dan „de waarde van afzonderlijke lichten”. Maar hoeveel kun je weghalen voor het geheel verdwijnt? Een enkel licht is beschermd, overgenomen door een gemeente of stichting, gerestaureerd. Andere, zoals het ‘hoge licht’ op de kerktoren van Westkapelle, hebben monumentenstatus. Maar veel kleintjes langs beide Schelde-oevers, zoals nu ook de twee lichten bij Borssele, sneuvelen. Rijkswaterstaat gebruikt ze niet meer en wil niet voor het onderhoud opdraaien. „Het is snel gegaan”, zegt De Boer. „Het ensemble bestaat nu uit gaten.”
Je kunt zeggen dat alles wat modern was ooit ouderwets wordt. Of dat het geen gek idee is om een fysieke backup te hebben in kwetsbare tijden. Maar daar is het nu te laat voor. Er is een selecte groep liefhebbers. Veel anderen zien alleen een roestige paal aan de Schelde.
Hans Steketee doet elke maandag ergens vanuit Nederland verslag
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden
Source: NRC