Home

‘Ik leef een omgekeerd sprookje: het is lang en gelukkig, daarna ga ik slapen’

Arthur Meiners is 100 jaar. Hoe kijkt deze globetrotter terug op de eeuw die achter hem ligt?

Arthur Meiners komt niet veel buiten meer, maar de goedlachse 100-jarige heeft het erg naar zijn zin in de digitale wereld waarin hij een groot deel van de dag rondreist. Hij spreekt er vrienden overzee, vergroot zijn kennis en scherpt er zijn nog immer leergierige geest. In de serre van zijn flat kweekt de gepensioneerde arts planten, ‘want ergens voor zorgen geeft een goed gevoel’.

Voelt u zich nog thuis in deze tijd?

‘Ik leef in het nu, dus ja. Er zijn wel dingen die mij verbazen. Waarom kan tegen de inwoners van Moerdijk worden gezegd dat ze moeten verhuizen om plaats te maken voor industrie, en gebeurt niet hetzelfde met mensen die boven de gasbel in Groningen wonen? Ik heb er geen verklaring voor, want gas en de opbrengst ervan kunnen we goed gebruiken, onder andere om nieuwe kerncentrales van te financieren. De overheid kan een ruime vergoeding geven voor verhuizing naar een ander gebied.

‘Ik stem altijd op een politieke partij die het klimaat hoog in het vaandel heeft staan. Als we niets doen, rot de aarde weg, dat beseffen nog te weinig mensen. We moeten de kant van Frankrijk op, dat volop heeft ingezet op kernenergie en 70 procent van zijn elektriciteit uit kerncentrales haalt, de Verenigde Staten maar 5 procent.’

Wat bedoelt u met ‘ik leef in het nu’?

‘Dat ik nog steeds overal belangstelling voor heb. Leren is leven, is een van mijn lijfspreuken. Kennis vergaren maakt het leven rijker en van grotere betekenis.

‘Ik kom niet vaak meer buiten, omdat ik niet meer kan lopen. Daarom ben ik heel blij met de computer, daar vermaak ik me een groot deel van de dag mee. Ik videobel met mijn vrienden in Amerika, de Antillen en Costa Rica, ik volg het nieuws via de BBC, CNN en het Journaal. In zoekmachines typ ik vragen in over onderwerpen die mij bezighouden, en daar maak ik mapjes van.’ (In zijn trippelrolstoel wandelt hij naar zijn bureau en komt terug met een paar prints.) ‘Kijk, dit is een kaart van de wereld en daarop zie je dat China het land is met de meeste zeldzame aardmetalen in de bodem, naar schatting 49 procent, en het delft ook de meeste zeldzame aardmetalen in andere landen, 69 procent.

‘Ook bekijk ik graag de foto’s die ik heb gemaakt. Op Aruba, waar ik dertig jaar als arts heb gewerkt, ging ik er graag op uit. Wist je dat er oudere vrouwen zijn die omgekeerd roken, met de brandende kant van de sigaret in hun mond? Als arts was ik benieuwd hoe hun mondholte eruitzag. Op de foto’s die ik van ze mocht maken, zie je brandplekken op hun gehemelte.’

Wat heeft u geïnspireerd om arts te worden?

‘Op mijn 8ste las mijn vader iets voor over Albert Schweitzer, een filosoof en arts die werkte in Lambaréné, in Gabon. Daar had hij een hospitaal gebouwd. Hij financierde dat onder andere uit de opbrengsten van concerten die hij gaf – hij was ook een wereldberoemd organist. Ik vond het mooi dat hij arme mensen hielp en wilde later voor hem werken.

‘Na mijn studie medicijnen vervulde ik mijn dienstplicht als adjudant voor een generaal die verantwoordelijk was voor de medische en tandheelkundige zorg van de Nederlandse troepen. Op een dag nam ik een telefoontje voor hem aan, van iemand die adviseerde artsen aan te stellen voor de werknemers van een oliemaatschappij op Aruba. Toen ik dit doorgaf, zei de generaal: ‘Ik zal jou hogelijk recommanderen.’ Zo kreeg ik een baan op Aruba. Ik moest wel eerst mijn vrouw bellen om te vragen of ze dat zag zitten. Ze zei: ‘Al moet ik er op mijn knieën naar toe kruipen!’ Ze had 16 jaar in Nederlands-Indië gewoond en was dolblij weer naar de tropen te kunnen terugkeren.

‘We hebben een ongelooflijk plezierige tijd gehad op Aruba. We woonden in een huis vlak bij het strand, in de ‘Colony’ voor werknemers van de Amerikaanse olieraffinaderij Lago. In die omheinde gemeenschap woonden duizend gezinnen. Er was alles: winkels, tennisbanen, een school, een bioscoop en een hospitaal. In het hospitaal werkten 23 artsen, van wie ik er een was. We zorgden ook voor de Arubaanse werknemers en hun gezinnen buiten de Colony, in totaal hadden we 23 duizend patiënten. Ik heb 1.081 bevallingen gedaan.’

Uw dochter vertelde dat sommige Amerikanen in de Colony niet door u geholpen wilden worden, als arts van kleur.

‘O, dat was alleen in het begin even iets. In het Amerika van de jaren vijftig speelde dat. Ze hoorden dat ik in Suriname was geboren, ik was lichtbruin.’ (Lachend:) ‘Door de zon kregen ook witte Amerikanen op Aruba een kleurtje. Ik heb er geen last van gehad, want patiënten konden geen voorkeur uitspreken voor een arts, ze werden op volgorde van binnenkomst behandeld door een arts die beschikbaar was. Ach, ik kijk er zo naar: we komen allemaal voort uit homo sapiens, die leefde in Afrika en was zwart. Door migratie over de hele wereld en vermenging is de keuze in kleur steeds groter geworden.’

Hoe kijkt u terug op uw jeugd?

‘Zoals op mijn hele leven: als een droom. Alles zat mee. Geen enkele periode in mijn leven is onaangenaam geweest, behalve het overlijden van mijn vrouw, een dag voor haar 98ste verjaardag. Een groot deel van mijn leven heb ik in het buitenland gewoond: in Suriname, op Sint Maarten, Aruba en Costa Rica. Ook heb ik met mijn vrouw de hele wereld rondgereisd. Mensen vragen mij weleens of ik een sprookjesleven heb geleid, dan zeg ik: het was een omgekeerd sprookje, want in een sprookje wordt de prinses wakker gekust en daarna leeft ze nog lang en gelukkig. Mijn leven is lang en gelukkig, en pas daarna ga ik slapen.

‘Van de eerste vier jaar op Suriname weet ik bijna niets meer. De eigenaar van de plantage waar mijn vader als opzichter werkte en waar hij mijn moeder ontmoette, die er secretaresse was, ging failliet. Toen zijn we naar Nederland gegaan, na negen maanden verhuisden we naar Sint Maarten, omdat mijn vader gezaghebber van Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius werd.

‘Mijn moeder heb ik nauwelijks gekend. Ik was 8 jaar toen mijn ouders besloten mijn oudste broer van 12 jaar naar Nederland te laten gaan om daar de middelbare school te volgen. Mijn broer van 10 en ik moesten mee.

‘In Nederland werden we ondergebracht bij tante Jo, een ongetrouwde zus van mijn moeder. Vier jaar later vroeg mijn vader tante Jo of ze ook zijn drie dochters kon opvangen. ‘Wat denk je’, zei ze, ‘ik ben ouder dan jij en al 70!’ Mijn vader ging op zoek naar een gemengd internaat, want hij wilde dat zijn zes kinderen bij elkaar bleven. Dat werd het Hospice Wallon in Den Haag. In de vleugel waar de jongens sliepen, was geen verwarming. Op dit internaat heb ik mijn latere vrouw leren kennen. Ze was vier jaar ouder, in het begin zag ze mij natuurlijk niet staan.

‘Ik was 14 jaar toen ik mijn moeder weer terug zag. Ze kwam naar Nederland voor de behandeling van borstkanker. Een paar maanden later, in januari 1940, is ze overleden. Ik weet nog dat ik bij haar op bezoek ging in het ziekenhuis, en ze zei: ‘Ik vind het heel leuk dat je er bent, maar ik kan niet met je praten, want ik heb heel veel pijn.’’

Wat weet u van uw voorouders?

‘Ik ben voor 42 procent Rijnland-Westfaals, voor 8 procent Kameroens, voor 4 procent Asjkenazim Joods en zo nog wat. Een neef van mij heeft onze stamboom uitgezocht en zijn DNA laten onderzoeken, daardoor weet ik dit. In die stamboom duikt in 1780 een 13-jarige jongen uit Ghana op, die is gekocht door plantage-eigenaar Philip Stolting in Suriname. Vanaf dat moment heet hij Dirk Stolting. Dirk trouwde in Suriname met een Ghanese, een kleinkind werd in 1817 vrijgekocht uit de slavernij. Begin 19de eeuw duikt een Joodse man op in onze stamboom.’

Bent u na uw pensioen op Aruba gebleven?

‘Ik had geen zin te blijven, op Aruba kent iedereen iedereen, dan was het de hele dag ‘Ha, dokter’ geweest. Mijn vrouw en ik zijn een rondreis gaan maken door Latijns-Amerika, op zoek naar een plek waar we wilden wonen. We kwamen in Costa Rica, een land met een prachtige natuur en vredige mensen. Een land van aardbevingen, 43 vulkanen en zonder leger. ‘Als ze geen leger hebben, willen ze ook geen oorlog, laten we daar gaan wonen’, zei mijn vrouw. We huurden er een appartement en zijn er 19 jaar gebleven en hebben er veel rondgereisd, totdat de kleinkinderen werden geboren, toen wilde mijn vrouw terug naar Nederland, om ze te zien opgroeien.’

Wat is het beste advies dat u ooit heeft gekregen?

‘Dat kwam van mijn vader, toen ik ging trouwen. Hij zei: ‘Arthur, haal in je huwelijk nooit oude koeien uit de sloot, want dan komen er duizend stieren op je af. Vrouwen hebben een veel beter geheugen dan mannen.’ Ik heb het nooit gedaan, ook omdat ik niet houd van achterom kijken, daar heb ik geen zin in, het is bovendien zinloos. Ik onthoud alleen wat mooi en aangenaam was.’

Arthur Meiners

geboren: 5 november 1925 op plantage Montresor in Suriname, Suriname

woont: zelfstandig, in Groningen

familie: drie kinderen, zes kleinkinderen, vijf achterkleinkinderen

beroep: arts

weduwnaar sinds 2020

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next