Verdienvermogen Na de kredietcrisis van 2008 werd het bonusplafond ingevoerd om de financiële sector in toom te houden. Deze week bleek: dat plafond gaat mogelijk deels verdwijnen. Wat speelt er?
Het kantoor van de Rabobank in Utrecht.
Het was geen geheim. Het stond in jaarverslagen en kwam regelmatig voorbij in gesprekken met journalisten en politici: het in Nederland strengere bonusplafond is banken, maar ook snelgroeiende financiële techbedrijven als Adyen en Mollie, een doorn in het oog.
Het bonusplafond houdt in dat alle medewerkers van banken, verzekeraars en beleggingsinstellingen maximaal 20 procent bonus mogen krijgen boven op hun vaste salaris. Vaak wordt het uitgekeerd in de vorm van aandelen of opties, maar ook directe uitbetalingen zijn mogelijk. Het plafond is in 2015 ingevoerd onder een kabinet van PvdA en VVD.
Het doel: perverse financiële prikkels verwijderen uit de financiële sector, om te voorkomen dat er ooit nog een kredietcrisis zoals in 2008 kan ontstaan. De overtuiging is dat de bonussen die destijds werden uitgedeeld in de sector ervoor hebben gezorgd dat bankiers te grote risico’s namen.
De kritiek van Nederlandse financiële instellingen: in de rest van Europa geldt een hoger maximum, en wel van 100 procent variabele beloning bovenop de vaste inkomsten. Die geldt bovendien voor een beperktere groep van alleen bankiers met daadwerkelijk zeggenschap over risico’s van de instelling.
Er zou meer aandacht moeten zijn voor hoe „fintechs in Nederland beperkt worden door het bonusplafond voor banken”, bepleitte Adriaan Mol, oprichter van betaalbedrijf Mollie, eind vorig jaar tegen Het Financieele Dagblad. Stefaan Decraene, de Belgische topman van Rabobank, noemde de bonusbeperking – naast de extra kapitaaleisen die in Nederland gelden voor banken – in november nog een „blokkerende factor” voor investeringen in Nederland.
Lang leken zij echter geen gehoor te vinden in de Tweede Kamer. Nog in 2024 nam de meerderheid in de Kamer een motie aan waarin werd opgeroepen om de strengere bonuscap in stand te houden – een motie gesteund door D66.
Maar zelfs tot enige verrassing van de financiële instellingen zelf ligt versoepeling van de bonusregels nu plots wel op tafel in de Tweede Kamer, nog voor er een nieuw kabinet op het bordes staat. Aan een wetsvoorstel om ondernemers te verplichten altijd cash geld te accepteren, plakten VVD, CDA en D66 een extra voorstel om het bonusplafond aan te passen.
Waarom nu wel? Dat hangt samen met de drang van politici momenteel om „het concurrentievermogen en vestigingsklimaat te versterken”, zoals de opstellers van het voorstel tot wetswijziging zelf schrijven. Het afschaffen van ‘Nederlandse koppen’ – een laag regels extra bovenop de Europese regels – hoort daarbij. De strengere bonusregels zijn daar een voorbeeld van.
Die drang is er in heel politiek Europa: minder nationale regels moeten ervoor zorgen dat er in de Europese Unie een gelijker speelveld komt voor bedrijven. Dit moet de Europese markt – en voor banken en verzekeraars in het bijzonder de Europese kapitaalmarkt – versterken. Bedrijven, en zeker ook banken, zeggen dat al jaren. Maar sinds het rapport-Draghi uitkwam in de zomer van 2024, waarin wordt gepleit voor een competitiever Europa, vindt dat pleidooi ook politiek gehoor.
Een van de argumenten voor de stelling dat financiële instellingen op achterstand worden gezet door het bonusplafond, halen de formerende partijen uit een evaluatie van het bonusbeleid door onafhankelijk economisch onderzoeksbureau SEO in opdracht van het ministerie van Financiën, gepubliceerd in oktober 2024. Op basis van interviews met toezichthouders, marktpartijen en headhunters schrijft SEO dat de sector meent door het bonusplafond moeilijker aan personeel te komen en het moeilijker te kunnen behouden. Iets wat SEO in instroom- en uitstroomcijfers in de sector overigens niet terugvond, al werd die berekening enorm bemoeilijkt door de aanhoudende krimp van de Nederlandse financiële sector afgelopen decennium. Daardoor nam het aantal medewerkers sowieso al af.
Maar het argument dat banken moeilijker talentvolle bankiers konden aannemen vanwege het ontbreken van hoge bonussen, kreeg eerder nooit de handen op elkaar in Den Haag. ‘De bankier’ zit daar sowieso nog vaak in het verdomhoekje vanwege de kredietcrisis, toen bijna alle Nederlandse banken met staatssteun moesten worden gered.
Dat banken en fintechs nu wel gehoor krijgen, komt doordat ze niet langer zeggen in het algemeen geen ‘talent’ te kunnen aannemen, maar dat probleem specifieker hebben gemaakt. Ze trekken door het bonusplafond minder goed gespecialiseerd personeel aan zoals IT’ers, is het argument.
Mol van Mollie in het FD: „Programmeurs kunnen bij andere techbedrijven of in het buitenland veel beter betaald krijgen.” Voorvrouw van de Nederlandse Vereniging van Banken Medy van der Laan – tevens oud-staatssecretaris namens D66 – kwam met datzelfde argument in november in een persgesprek. „Het gaat ons om de beloningseisen onder de raad van bestuur”, zei ze. „We willen bijvoorbeeld goede IT-specialisten aantrekken.” Ook in de SEO-evaluatie kwam dit punt expliciet naar voren.
Dát argument werd gehoord in Den Haag.
Dat gebeurde al direct na de publicatie van de evaluatie van SEO in april vorig jaar: toen ging het ministerie van Financiën op zoek naar een oplossing voor specifiek dit ‘specialistische’ personeel – al lijkt die zoektocht stilgevallen te zijn na het vallen van het kabinet. Ook de schrijvers van het VVD/D66/CDA-wijzigingsvoorstel noemen dit expliciet: „Deze specialisten zijn essentieel voor de veiligheid en innovatiekracht van de financiële sector.”
Het klopt ook wel dat Nederlandse banken sinds de kredietcrisis enorm zijn veranderd. Naast dat ze enorm zijn ingekrompen, qua personeel, qua omzet en qua internationale aanwezigheid, is het belang van een goed werkende IT nog essentiëler geworden. Dat komt door de digitalisering van bankzaken en het sluiten van fysieke vestigingen. Bij ING, de grootste bank van Nederland en ook een grote Europese speler, is dan ook een derde van het personeel IT’er. Die IT’ers moeten ervoor zorgen dat consumenten 100 procent van de tijd hun rekening kunnen controleren in de app en overboekingen kunnen doen. Die overboekingen worden sinds een paar jaar zelfs direct uitgevoerd, waar er vroeger een paar dagen tussen zat.
Bedrijven en overheden willen de miljoenen en miljarden die ze overmaken ook snel en efficiënt uitgevoerd zien door hun bank. „Daarvoor is heel goede IT nodig, en dat vraagt enorme investeringen”, zei Hugo Peek, ceo in Nederland van de Franse bank BNP Paribas, donderdag nog in deze krant. De Amerikaanse bankmoloch JP Morgan gaf in 2025 18 miljard euro uit aan technologische ontwikkeling, bleek uit de jaarcijfers deze week.
Willen Nederlandse banken mee kunnen in die enorme digitaliseringsslag – wat nu in toenemende mate gaat over het toepassen van kunstmatige intelligentie – dan moeten ze beter IT-personeel kunnen aantrekken, is de redenering.
Maar het Kamer-amendement verruimt niet alleen de bonusmogelijkheden voor deze techneuten in Nederland. In het amendement wordt de reikwijdte van het Nederlandse bonusplafond min of meer gelijkgeschakeld aan de Europese regels. Dat houdt in dat het bonusplafond, dat wel op 20 procent blijft, alleen nog geldt voor personeel „wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk beïnvloeden”.
Voor al het andere personeel binnen financiële instellingen zou dan geen bonusplafond meer gelden, ook niet het Europese maximum van 100 procent, mocht het amendement op 27 januari worden aangenomen. Dat betekent dat niet alleen de IT’er voortaan ongebreidelde bonussen kan krijgen, maar in theorie ook een groot deel van de andere medewerkers van een bank. Denk aan mensen die dagelijkse bankzaken regelen, klanten screenen op witwassen, hypotheken verstrekken en vermogende klanten adviseren.
In de Kamer werd door de aankomende oppositie verbolgen gereageerd op het feit dat ‘bankiers’ zo weer bonussen kunnen gaan verdienen – terwijl het bonusplafond juist was bedoeld om de financiële sector na de kredietcrisis van 2008 in toom te houden. Volgens de indieners van het amendement gaat dat echter niet overboord: „Het verminderen van perverse prikkels en borging van het klantbelang blijft gehandhaafd”, schrijven zij, omdat het plafond van maximaal 20 procent „onverkort” blijft gelden voor de groep binnen financiële instellingen die, zoals gezegd, „daadwerkelijk het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk beïnvloeden”.
Wie dat zijn? Daar is geen eenduidige afchecklijst voor, al zijn er wel richtlijnen. Banken mogen de betreffende personen zelf ‘identificeren’. De toezichthouders kijken wel streng mee.
Hoeveel mensen eronder vallen, is afhankelijk van het risicoprofiel van de bank als geheel: bij een bank als ASN Bank, die vrijwel alleen consumenten als klant heeft en geen grote bedrijven, zijn er minder mensen die risico’s kunnen nemen dan bij een bank als ING, die voor grote zakelijke klanten grote financiële transacties uitvoert.
Uiteraard vallen de leden van het bestuur en van de raad van commissarissen onder het bonusplafond, en ook de managers vlak onder het bestuur. Ook mensen die 500.000 euro per jaar verdienen worden automatisch gezien als van invloed op de risico’s die een bank neemt. Senior handelaren die namens de bank grote transacties uitvoeren op de financiële markten vallen er in de meeste gevallen ook onder, net als mensen die dat soort transacties intern moeten controleren.
Vakbond FNV Finance reageert sterk afwijzend op het amendement: de bond vreest voor het terugkeren van de „perverse prikkels die een belangrijke rol speelden bij de kredietcrisis in 2008”. Vakbond De Unie, die zich meer richt op personeel in het middenkader en de hogere echelons van bedrijven, is daarentegen blij dat het bonusplafond lijkt te gaan verdwijnen. „De individuele bankmedewerker is veel te hard aangepakt na de kredietcrisis”, zegt voorzitter Reinier Castelein. „De bankier moest zich jarenlang schamen, dat gaat er uiteindelijk weer vanaf.” Hij verwacht wel dat de banken in hun bonusverstrekking de grenzen zullen gaan opzoeken. „Daar moet wel streng op worden meegekeken.”
Voor het aannemen van IT-personeel bij Mollie lost de verandering van het bonusplafond overigens weinig op, zegt oprichter Mol over de telefoon. „Het is een kleine pleister op een wonde; het maakt het verschil in speelveld met onze concurrenten uit het buitenland wat kleiner.” Hij zou veel liever zien dat opties niet langer onder de bonusbeperking vallen. Dat zijn financiële instrumenten waarmee iemand het recht krijgt om over een tijd een aandeel te kopen. Als Mollie dan naar de beurs gaat of verkocht wordt, kan een werknemer meedelen in de opbrengst.
Mol: „Ik vind het prima dat er een beperking zit op sec geldbonussen, die geven mijns inziens inderdaad perverse incentives. Maar opties zijn per definitie een langetermijnproduct. En een optie geeft mij de mogelijkheid om mijn werknemers mee te laten delen. Wat is daar nou verkeerd aan?”
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC