Van Auschwitz naar Gaza In het derde deel van zijn zoektocht naar de lijn tussen de ene genocide en de andere, is Arnon Grunberg in Wenen en Jeruzalem. „Achter vrijwel alle agressie gaat de overtuiging schuil zelf het ware slachtoffer te zijn.”
Het zijn de laatste dagen van 2025 als ik in Wenen aankom. Er waait een ijskoude wind. Voor het Holocaust Monument heb ik afgesproken met Shoshana Duizend-Jensen, zij is historica en werkte mee aan een in 2003 verschenen rapport van 14.000 pagina’s waarin voor het eerst de Oostenrijkse medeplichtigheid aan het Derde Rijk werd erkend. Lang had Oostenrijk zichzelf beschouwd als slachtoffer van de misdaden waaraan tegelijkertijd veel Oostenrijkers meededen en van profiteerden.
Duizend-Jensen is een tengere vrouw van in de zestig. Haar moeder was katholiek, haar vader Joods. Volgens de orthodoxe rabbijnen ben je alleen Joods als je moeder Joods is. Als volwassen vrouw is Duizend-Jensen toegetreden tot het orthodoxe Jodendom.
Dit is het derde deel van een maandelijkse serie waarin schrijver ArnonGrunberg plaatsen bezoekt die een historische betekenis hebben voor de aanloop naar de genocide in Gaza.
Deze ochtend heeft ze een boodschappenkarretje bij zich vol met mappen en foto’s. Voor het gesprek zal zij mij door Wenen leiden om iets te vertellen over de verdwenen geschiedenis waaraan talloze soms zeer zichtbare, soms bijna onzichtbare gedenkstenen, monumenten en waarschuwingsteksten herinneren. Op een onooglijke plek nabij het Donaukanaal stuiten we bijvoorbeeld op een gedenksteen die afgaande op de tekst duidelijk uit een heel andere tijd van de herinneringscultuur komt: „Hier stond het huis van de Gestapo. Het was voor veel Oostenrijkers de hel, het was voor velen van hen de voortuin van de dood. Van het huis is net als van het Duizendjarige Rijk niets dan puin overgebleven. Maar Oostenrijk is weer opgestaan en met haar onze doden, de onsterfelijke slachtoffers.”
Het zionisme is geboren, zou je kunnen zeggen in het Oostenrijks-Hongaarse Keizerrijk, waar ook de grondlegger van dat zionisme vandaan kwam, Theodor Herzl (1860-1904). Het was de Weense satiricus Karl Kraus (1874-1936), volgens sommigen een Joodse zelfhater, die meende dat het zionisme en het antisemitisme spiegelbeelden van elkaar waren. Zowel de zionisten als de antisemieten gingen ervan uit dat Joodse assimilatie in een niet-Joodse wereld onmogelijk was, oftewel dat er geen toekomst voor de Joden in Europa was.
Na de rondwandeling gaan we in een koosjere bakkerij zitten waar je ook koffie kunt drinken. „Is het toeval dat het zionisme zo nauw verbonden is met het Oostenrijks-Hongaarse Keizerrijk, ik zou bijna willen zeggen, dat dat rijk het zionisme heeft gebaard?”, vraag ik.
„Nee,” zegt Duizend-Jensen, „zeker niet.” Ze bijt voorzichtig in een droog broodje. „Voor arme Joden die nog niet bij de bourgeoisie hoorden, waren er aan het begin van de twintigste eeuw twee wegen naar assimilatie. Communisme of zionisme. Zionisme is natuurlijk erg Joods, maar het is ook een weg uit het oude traditionele Jodendom. Mijn vader was communist. Hij overleefde de oorlog in Amerika, maar kwam na de oorlog terug naar Oostenrijk om hier, samen met zijn eerste vrouw die ook Joods en communist was, voor het communisme te werken. Toen werd hij verliefd op mijn moeder, een goed katholiek meisje, en kort daarna ging hij dood aan een hartinfarct.”
Voor Kraus was het zionisme een vorm van defaitisme, en dat was een paar decennia voor het Derde Rijk tot bloei kwam. In 1945 zag defaitisme er anders uit. Sommige Joodse overlevenden noemden als antwoord op de vraag wat hun thuisland was de naam van het concentratiekamp dat ze overleefd hadden. „Mijn thuisland is Auschwitz-Birkenau.”
De gevolgen van zo’n paspoort zien we dagelijks om ons heen. Zij die meenden dat de vernietigingsmachine van het Derde Rijk een nieuwe verbeterde moraal zou voortbrengen, vergaten dat de verheerlijking van slachtoffers en slachtofferschap niet alleen positieve gevolgen heeft. Achter vrijwel alle agressie, ook die van het Derde Rijk, gaat de overtuiging schuil zelf het ware slachtoffer te zijn.
De juridische evenknie van die verbeterde moraal, de internationale orde, het internationale recht, wordt voor onze ogen afgebroken, het betonrot zat er overigens al behoorlijk in. Enkele oud-ministers en diplomaten protesteren door middel van open brieven tegen de afbraak. Prachtig, maar ik moet dan ook denken aan de Slowaakse Jood die bij een appèl in Auschwitz protesteerde tegen het doodslaan van gevangenen, zich daarbij beroepend op toezeggingen van de Slowaakse president en katholieke priester Josef Tiso. De Slowaakse Jood werd meteen doodgeslagen, daarna vroeg de Rottenführer (een paramilitaire rang in de nazipartij) of er verder iemand iets te klagen had.
In 1945 was er nog geen herinneringscultuur, nog geen poging de moraal van een nieuwe grondslag te voorzien. Stunde Null, zoals de Duitsers het noemen. Naast vreugde, opluchting, verdriet, verslagenheid en geilheid („heel Europa was een groot matras”, dichtte Remco Campert over 1945) was assimilatie voor de overgebleven Joden een gepasseerd station.
Assimilatie, van welke minderheid dan ook, was in diskrediet gebracht.In Mittel-Europa hadden Joden veelal het Jiddisch verruild voor het Duits, de Thora voor Richard Wagner, de monotheïstische God voor de Oostenrijkse keizer. Mittel-Europa was immers niet alleen een geografische aanduiding maar ook een idee: de gedachte dat het specifiek Duitse geloof in de macht van cultuur de weg naar voren was, niet in de laatste plaats voor de Joden. Het geloof dat Duits, de lingua franca van Mittel-Europa de taal van de vooruitgang zou zijn.
De keizer verdween, Richard Wagner werd de huiscomponist van het Derde Rijk en het Duits de taal van de hel en zijn uitbaters.
Wenen was het monument van die ter ziele gegane assimilatie. De stad lag in puin, van de 200.000 Joden die daar in 1936 leefden, ongeveer 10 procent van de Weense bevolking was toen Joods, waren er aan het einde van de oorlog nog circa 6.000 over.
Wenen was ook de stad waar de grondlegger van het zionisme Theodor Herzl, een in Boedapest geboren Joodse schrijver en journalist, aansluiting zocht bij een Duits-nationalistische studentenvereniging, een zogenoemde Burschenschaft. Toen hij ontdekte dat Joden daar niet zo welkom waren, stapte hij van het Duitse nationalisme over op een heel nieuw soort nationalisme, het Joodse, dat uiteindelijk ruim een eeuw later zou culmineren in de catastrofe die Gaza heet.
Wenen, de stad waar Adolf Hitler zou ontdekken dat hij kunstschilder noch architect zou worden. Sommige afwijzingen zijn dodelijk, in Wenen nog meer dan elders.
Uit de geschiedenis van Mittel-Europa die zo nauw verbonden is met de Joden die daar leefden kan wat mij betreft maar één les worden getrokken: reken altijd op een afwijzing, maar doe alsof je liefde eeuwig is. Word geen Herzl, word een Kafka die zei: „Hoe kan ik bij de Joden horen? Ik hoor niet eens bij mezelf.”
„Was Wenen de geboorteplek van het zionisme?”, vraag ik aan Duizend-Jensen.
„Nee”, zegt ze. „In Galicië, de regio van het Oostenrijks-Hongaarse Keizerrijk rondom Lemberg dat nu Lviv heet, is de eerste zionistische jeugdbeweging opgericht: Hashomer Hatzair, die in het begin ook door het marxisme was beïnvloed en door de Duitse jongerenbeweging Wandervogel. De Joodse jeugd wilde niet meer in leerscholen de Thora bestuderen. Ze wilden door de bossen wandelen, dat deden ze ook, rondom Lemberg en later in Wenen, in het Wiener Wald.”
„Toen gingen ze naar Palestina en daar waren geen bossen”, zeg ik, „of ze werden vergast.”
„Dat is de kortste samenvatting”, antwoordt Duizend-Jensen.
„Waarom wilde u eigenlijk officieel Joods worden?” wil ik nog weten.„Mijn moeder was lid van de Bund Deutscher Mädel [Hitlerjugend voor meisjes]. Ze beweerde altijd anti-nazi te zijn geweest, maar ik heb documenten gevonden waaruit bleek dat dat helemaal niet klopt. Ik kon niet meer tegen die verscheurdheid. Alles kwam in mijn familie voor. Van ultraorthodoxe rabbijnen tot ooms die huizen van Joden ariseerden [plunderden].”
Als we naar buiten lopen zegt Duizend-Jensen. „Normaal word ik voor mijn rondleidingen betaald.” Haar man is kelner, zegt ze, en hij is ziek en hij is trouwens ook Nederlander. „Ik begrijp het”, zeg ik en ik loop naar de geldautomaat. Terwijl ze haar boodschappenkarretje met documenten en foto’s achter zich aansleurt, wijst ze me nog wat straathoeken aan van historisch belang, maar de geschiedenis wordt bedekt door sociale woningbouw uit de jaren vijftig.
Het Habsburgse Rijk was ondanks pogingen minderheden vreedzaam met elkaar te laten samenleven een van de vroedvrouwen van de vernietiging van de twintigste eeuw. Is de natiestaat dan toch onze hoop? Iemand die daarop antwoord kan geven is de Duits-Oostenrijkse historicus Philipp Ther, die over de natiestaat en etnische zuiveringen heeft geschreven.
Ther zit in een vrijwel leeg Café Florianihof – 2026 is begonnen, maar nog maar net – achter een kop koffie. Hij is een nonchalant geklede man van in de vijftig. Omdat de zwaarte van de geschiedenis op hem drukte, schreef hij ook een lichter boek over de muziek van het Habsburgse Rijk.
„De eerste Joodse staat,” zegt Ther, „was de Boekovina in het Oostenrijks-Hongaarse Keizerrijk. Dat weten niet veel mensen. Er zijn allerlei vormen van statelijkheid, zou je kunnen zeggen. Onder druk van etnische spanningen nam het Habsburgse Rijk aan het begin van de twintigste eeuw een vlucht naar voren. Er werd verregaande autonomie toegekend aan minderheden, volgens het systeem dat lijkt op wat we nu nog hebben in Libanon.”
„De christenen leveren de president, de soennieten de premier, de sjiieten…”
Ther onderbreekt me. „Ja het is makkelijk dat belachelijk te maken, maar zo slecht is dat idee niet. Als het over autonomie gaat, wordt er tegenwoordig meteen aan een territorium gedacht, maar je kunt ook groepsautonomie hebben zonder territorium, als je de rechten van de bewuste groepen goed vastlegt. Problemen krijg je als de demografie enorm verandert.”
De Boekovina, een historisch gebied in het huidige Roemenië en Oekraïne, als de eerste Joodse staat, dat is ook nieuw voor mij. Ik wist dat Stalin met een Joodse staat had geëxperimenteerd in Siberië, maar of dat een strafkamp was of een staat, daarover lopen de meningen uiteen.
„De Eerste Wereldoorlog maakte een eind aan dit experiment”, zegt Ther en hij drinkt zijn koffie op.
„Klopt het dat het Oostenrijks-Hongaarse rijk een geslaagd multi-etnisch rijk was of is dat een mythe?”
„Elk rijk is multi-etnisch”, zegt Ther, „anders is het geen rijk, een multi-etnisch rijk is een pleonasme. Maar een rijk is nog iets anders, een rijk is altijd gegrondvest op een transcendentaal idee, anders dan de natiestaat die gegrond is op de mensen die er wonen. Als je over ‘volk’ gaat spreken wordt het al ingewikkeld, want voor je het weet gaat de natiestaat zeggen ‘we moeten het volk zuiveren van onzuivere elementen’.
„De liberale natiestaat, waarin rechten van minderheden waren gewaarborgd, heeft het zo slecht niet gedaan. Maar of die toekomst heeft is de vraag. Ik ben historicus, geen futuroloog, maar ik ben ook geen defaitist.”
„Als u geen defaitist bent bent u dan hoopvol?”
„Sommige van mijn boeken verkopen best goed,” antwoordt Ther als een sfinx, „maar ik kwam erachter dat die boeken alleen mensen bereiken die het al met me eens zijn. Toen kwam ik in een identiteitscrisis.”
Ik wil meer weten over hoop, maar Ther zegt: „Zie je die man, die daar buiten staat te roken? Dat is mijn redacteur van [uitgeverij] Suhrkamp. Die gaat nu koffie met me drinken.”
Op weg naar het station loop ik langs de Sterngasse waar zich een trap bevindt die genoemd is naar Theodor Herzl. Op een bordje staat dat Herzl een schrijver en journalist was die het boek Der Judenstaat schreef en daarmee vormgaf aan ‘het dappere idee’ van de staat Israël.
Het wordt tijd om de restanten van het Oostenrijks-Hongaarse Keizerrijk niet meer in Wenen te zoeken, maar in de stad waar heilige plaatsen van de joden, de christenen en de moslims op loopafstand van elkaar liggen. Oostenrijk heeft decennialang de slachtofferstatus ten onrechte omarmd. Maar wat zijn de gevolgen als je de slachtofferstatus min of meer terecht omarmt?
Ik vlieg via Parijs naar Tel Aviv, en van een restaurant in de Nahalat Binyamin Street waar je de indruk krijgt dat Tel Aviv in 2026 is wat Europa was in 1945, een groot matras, reis ik naar een buitenwijk van Jeruzalem.
Daar woont de Israëlische hoogleraar Nurit Peled-Elhanan. Zij doet onderzoek naar hoe subtiel en minder subtiel het onderwijs de staatsideologie beïnvloedt. Haar vader was Mattityahu Peled, een Israëlische generaal en vredesactivist, haar grootvader, Avraham Katznelson, ondertekende de Israëlische Onafhankelijkheidsverklaring. Haar dochter Smadar kwam in 1997 op dertienjarige leeftijd om het leven bij een zelfmoordaanslag. Na de dood van haar dochter sprak Peled deze woorden uit: „Mijn kleine meisje is vermoord, alleen omdat ze Israëlisch was, door een jongeman die werd onderdrukt en zo wanhopig was dat hij koos voor zelfmoord en moord, alleen omdat hij Palestijns was. Beiden zijn slachtoffer van de Israëlische bezetting van Palestina. Hun bloed is nu met elkaar vermengd op de straatstenen van Jeruzalem, die altijd onverschillig zijn geweest voor bloed.”
Als ik het huis binnenkom, zit Peled in een jurk op de bank, een half aangeklede man op leeftijd zit verderop in de woning op een hometrainer.
In haar boek Holocaust Education and the Simeotics of Othering (2023) schrijft Peled dat de kreet ‘never again’ in Israël een „voortdurende bezorgdheid om uitroeiing” heeft veroorzaakt en „een algemeen gevoel van slachtofferschap” dat de Israëlische maatschappij op politiek, sociologisch en educatief niveau overheerst.
„Laten we beginnen met onderwijs”, zeg ik.
„Onderwijs is een manier om de toekomstige burgers te kneden”, zegt Peled. „Niemand wordt als moordenaar geboren en om een moordenaar te creëren, dat kost tijd. Of het zionisme van begin af aan messianistisch was weet ik niet, is ook niet zo belangrijk, ik weet dat het zionisme het taalgebruik van de messianistische verlossers heeft geleend om Joden te verleiden mee te doen. Elk fascistisch regime heeft mythes nodig.”
„U woont hier, u stemt hier, neem ik aan. Wat voor toekomst ziet u voor zich?”
„Er is een kleine groep Israëliërs die nog naar de luchtmachtbases gaat om te demonstreren, die gezinnen in Gaza helpt. En een kleine groep kan een impact hebben, maar niet hier. De Palestijnen zijn verdwenen, niet alleen uit de tekstboeken, zelfs de demonstranten die in Tel Aviv tegen Netanyahu demonstreren denken niet aan de Palestijnen. Zij zijn non-existent in het Israëlische discours. Er is geen toekomst voor liberale Joden zoals ik. Hoewel ik me helemaal niet als Jood zou identificeren. Ik heb een hekel aan vragen naar identiteit. Ik ben moeder, onderzoeker en onderwijzer. Meer niet.”
„Hoeveel thuis heb je nodig?”
Stilte.
Peled is de meest boze vrouw die ik ooit heb ontmoet.
„Kunnen we over Herzl spreken?”, vraag ik. „Herzl,” zegt ze, „had één droom. Hij wilde ariër zijn, hij wilde zo graag door de Duitse nationalisten als een van hen geaccepteerd worden dat hij bereid was een heel land ervoor op te bouwen.”
Ik moet denken aan de Weense schilder Oskar Kokoschka die een pop liet maken van zijn geliefde Alma Mahler-Werfel toen zij hem verliet. „En genocide dan?” vraag ik. „De moord op de Joden in Europa, de moord nu in Gaza. Zijn er lessen uit te trekken?”
„Lessen?” De ogen van Peled spuwen vuur. „Kijk naar de geschiedenis, kijk naar het heden, er is maar één les uit genocide te trekken: je komt ermee weg. Misschien veroordeel je een paar mensen, misschien metsel je een paar gedenkstenen in muren, maar uiteindelijk kom je ermee weg.”
De man op de hometrainer fietst zwijgend door.
Source: NRC