De laatste bladzijde Marcel Bergmeijer moest niets hebben van een burgerlijk bestaan maar had altijd mensen om zich heen, met wie hij graag eindeloze gesprekken voerde. De laatste jaren zocht hij wat meer rust en stabiliteit.
Marcel Bergmeijer in 2014.
Hij was nog student, halverwege de jaren tachtig, toen zijn moeder overleed aan kanker. Marcel Bergmeijer raakte zijn kamer kwijt en belandde op straat. Het contact met zijn jongere broer Michael verwaterde. Op een dag besloot die op goed geluk door Diemen te fietsen – hij wist dat Marcel daar eerder in een studentenhuis had gewoond. Toen hij al op de terugweg was, hoorde hij opeens een stem: ‘Michael!’. Marcel had hem vanuit zijn raam gezien, „alsof het zo moest zijn”. Sindsdien was het contact tussen de twee weer goed.
Zo’n tweehonderd mensen namen eind november in een bomvolle Mozes en Aäronkerk in hartje Amsterdam afscheid van Marcel Bergmeijer, die op 5 november thuis dood werd gevonden – hij was 59 jaar. „Marcel is daar waar hij graag stond: op de voorgrond”, zei Quirien van Berkel van het Drugspastoraat Amsterdam, die de dienst leidde. De bezoekers kennen Bergmeijer van vroeger, via de muziek – de heavymetal-scene – of uit het nachtleven. Ze zagen hem bij de gratis eetplekken in de stad, bij daklozenkoor de Straatklinkers of bij schrijfclub Kantlijn. De laatste jaren bezocht hij de workshops creatief schrijven voor Amsterdammers die ‘de wind niet mee hebben gehad’ zelfs drie keer per week. De middagen waren niet compleet zonder Marcel, al kwam hij soms meer dan een uur te laat binnen.
Marcel was sociaal en geliefd, blijkt uit de toespraken in de kerk, en achteraf in het drukke bargedeelte waar gegeten en gedronken wordt op zijn leven. Er liggen geprinte teksten van zijn hand – ondertekend met ‘Marcellius’, zijn pseudoniem – waaronder wat zijn laatste gedicht zou blijken: Niet doorsnee.
Doorsnee was hij zeker niet, zegt Michael. Onrustig wel, en „gevoelig, misschien wel overgevoelig”. In zijn gedicht Onbewust bewust van mijn onrust schrijft Marcel: „Ze maken me iedere dag gek/die planten, mensen en dieren in mijn droom. Als ik probeer te slapen zijn zij klaarwakker/ze laten me niet met rust.” „Het was zo’n fijne vent, not a bad bone in his body”, zegt Michael. „Hij genoot van mensen, had altijd mensen om zich heen, gewoon omdat hij van ze hield. Het was echt een knuffelbeer.”
Marcel Bergmeijer (links) in 1978 met zijn broertje Michael op de boot naar Isle of Wight – volgens Michael de enige buitenlandse vakantie van het gezin.
Marcel Bergmeijer werd geboren in Amsterdam-Oud-West in 1966. Een makkelijke jeugd had hij niet, als oudste zoon van een autoritaire vader die op zijn beurt óók zwaar getekend was door het leven. Pa Bergmeijer was al op zijn veertiende het ouderlijk huis ontvlucht en gaan varen.
De zachtaardige Marcel botste met zijn rechtlijnige vader. En hoewel hij „een ongelooflijk goed stel hersens” had, en waarschijnlijk vwo had aangekund, heeft dat „door een combinatie van jeugdtrauma’s en een tegendraads karakter niet zo mogen zijn”, zegt Michael. Met hun moeder had Marcel een betere band, maar dat hij als jongen van zestien naar een internaat werd gestuurd, bleef hij haar altijd verwijten.
Na het internaat, waar hij „vooral in aanraking kwam met anderen die ook niet al te braaf waren”, ging Marcel Engels studeren aan de hogeschool en betrok een studentenflat in Diemen. Hij maakte de opleiding niet af, begon met de sociale academie, maar vertrok ook daar voortijdig.
„Marcel was altijd nog bezig met zijn jeugd, de band met onze vader”, vertelt Michael. Zijn leven lang hield hij problemen met autoriteit, bleef hij „wars van kleinburgerlijkheid”. Zijn zucht naar vrijheid betekende ook: altijd onderweg, altijd zoekende. Oók naar de liefde. Hij had wel vaste vriendinnen, maar relaties liepen stuk. Het waren nooit de makkelijkste vrouwen, zegt Michael, maar het had ook met hemzelf te maken. En elke breuk leidde tot nieuwe onzekerheden. „Ik denk dat hij een soort verlatingsangst ontwikkelde, na het verlies van onze moeder, het ouderlijk huis. Misschien compenseerde hij dat door het verzamelen van mensen, van spullen en boeken.”
Paul Berendsen ontmoette Marcel zo’n vijftien jaar geleden via een wederzijdse vriend en zag hem sindsdien geregeld, bij vrienden thuis, bij exposities of filmvertoningen. „Dan bleven we vaak lang napraten, in een café of gewoon op straat.” Af en toe bleef Marcel logeren. „Tot diep in de nacht praatten we over van alles. Hij was een spraakwaterval waar je niet altijd tussenkwam.” Die gesprekken gaat hij missen, zegt Berendsen, net als „de interesse die hij in mensen had, en zijn humor”.
Het was een typische humor, vol woordspelingen en associaties, zegt vriend Clemens van Gerwen. „Je moest ervan houden.” In juli was Marcel nog op zijn verjaardag. Het werd laat. Iedereen vond Marcel een interessante man, herinnert Van Gerwen zich. „Hij maakte altijd met iedereen contact, vooral met de vrouwen. Dat was soms een challenge tussen Marcel en mij, wie de meeste vrouwen kon versieren.”
Van Gerwen ontmoette Marcel op een filmavond. Ook bij hem logeerde Marcel regelmatig. „Dan dronk Marcel de hele voorraad op, en werd het vijf uur ’s ochtends. Of hij eiste eieren bij het ontbijt, ook als ik die niet in huis had – dan moest ik maar even naar de supermarkt.”
Marcel Bergmeijer in 2024.
Een vaste baan vinden, het lukte Marcel nooit. Lezen, schrijven en vooral muziek waren zijn grote liefdes: hij bezocht talloze optredens van Iron Maiden, Motörhead, Judas Priest, Kiss, Metallica en Black Sabbath. Meestal wist hij via via een plekje op de gastenlijst te krijgen. Het leverde hem een onuitputtelijke voorraad bandshirts op, zijn vaste uniform. Hij maakte zelf ook muziek, in de jaren negentig was hij frontman van de band V.A.M.P.
Zijn jarenlange deelname aan het Amsterdamse daklozenkoor de Straatklinkers leidde in 2019 tot de hoofdrol in ‘straatopera’ De Discipelen van filmmaker Ramón Gieling. Vier jaar eerder figureerde hij al in Gielings film Erbarme Dich, over de Matthäus-Passion. Zijn rol: Jezus. De lange haren en baard had hij al. En toch: wat had een heavymetalfan die meeschreeuwde met Highway to Hell nou met het leven van Jezus? „Misschien meer dan je op het eerste gezicht zou denken”, zegt Quirien van Berkel van het Drugspastoraat. „Een zoektocht naar vrijheid, het sociale, het empathische, wars zijn van regels en beperkingen.” En hoewel Bergmeijer niet gelovig was, hield hij van de grandeur van de kerk. En „soms twijfelde Marcel er ook wel aan, of er niet toch iéts was”, zegt Michael.
Begin november werd Marcel door een groepje vrienden gemist bij de gratis maaltijd waarbij ze elke dinsdagavond samenkwamen. Bij de schrijfclub Kantlijn was hij na 20 oktober niet meer gezien. Bezorgd benaderden zijn vrienden zijn broer. Die besloot in de ochtend van 5 november de politie te bellen, al verwachtte hij niet dat dat nodig was. Bergmeijer was niet ziek, hij dronk nog wel – hij hield van speciaalbier en whisky – maar niet problematisch, drugs gebruikte hij al jaren niet meer. Hij fietste kilometers per dag, was volgens Michael „sterk als een os, altijd met blosjes op de wangen”. De laatste jaren was Marcel bezig een stabieler leven en meer rust voor zichzelf te creëren, vertelt Michael.
Die ochtend werd Marcel dood gevonden in zijn huis in Diemen. De doodsoorzaak is niet bekend geworden, een autopsie wilde Michael niet. „Het is naar alle waarschijnlijkheid een natuurlijke dood geweest, dat is het belangrijkste.”
In deze rubriek elk weekeinde een portret van iemand die recent is overleden.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden
Source: NRC