De zon was net op toen ik rookwolken zag bij de Van Ghent Kazerne. Bijna dagelijks fiets ik langs deze mariniersbasis. Soms werp ik een blik op het bord bij de ingang met de ‘Alert State’: het actuele dreigingsniveau. Dit bord scheelt me leeswerk, het is mijn Doomsday Clock en mijn Le Monde diplomatique ineen. De afgelopen maanden stond er een rode A met een zwarte +. Dat betekent: ‘er is een toegenomen dreiging’. Dan weet je nog weinig, maar je moet iets in deze wiebelwereld.
Vrijdagochtend stond die vertrouwenwekkende A+ er nog, ondanks alles, maar daarachter was dus rook. De weg was afgezet. Een militair vertelde dat een nieuwe lichting hun baret kreeg uitgereikt. Ze kwamen net terug van de FINEX, de Final Exercise, de zware eindproef – dit jaar extra zwaar vanwege sneeuw en ijs in Nederland. (Klaar voor Groenland, dacht ik.) Ze hadden de nacht doorgemarcheerd, in volle bepakking, aanvalsgeweer in de hand. Bleke, trotse bekkies in het rode licht van stadionfakkels.
Ik bleef kijken met de fiets in de hand, wilde eigenlijk een column schrijven over Amerika, maar dit tafereel gíng over Amerika.
Nederland had besloten één militair naar Groenland te sturen om de NAVO te beschermen tegen Trump, had ik gelezen. Ik had gebroed op grappen over dit homeopathisch verdunde legertje, onze bedeesde Rambo, maar het lukte niet; de situatie was niet grappig. Bovendien werden het er later twee.
„Well, never thought we’d be on opposite sides of World War Three”, had een Amerikaanse vriend me geappt – ook al niet grappig. Nee, die eenzame militair symboliseerde het drukkende gevoel in Europa: we staan alleen.
De jochies in uniform strompelden hun laatste meters door de bakstenen poort met ‘korps mariniers’. Voor hen uit liepen tamboers en een pijper. Op de binnenplaats klapten papa’s en mama’s. Spandoeken met ‘trots op jou’ en ‘kanjer’. De fluitist speelde een deuntje dat klonk als ‘In een groen, groen, groen, groen knollen-knollenland’.
Het hek ging dicht, ik bleef kijken door het traliewerk.
Petten… AF! Ze smeten hun petten op de grond.
Baretten… OP! Ze deden de felbegeerde baret op, kinderen werden mannen. Ik stond te ver om te zien of er in de ogen van de ouders tranen welden.
Een commandant speechte, citeerde de Amerikaanse president Ronald Reagan: „Some people spend an entire lifetime wondering if they made a difference in the world. But, the Marines don’t have that problem.”
Nee, dacht ik. De mariniers hebben nu andere problemen.
De laatste maanden verschenen weer bittere afscheidsstukken over de VS. „Nederlanders rouwen om veranderde VS onder Trump, de liefde is over”, berichtte de site van Nieuwsuur; in deze krant schreef Alexander Rinnooy Kan over het „pijnlijke en onvermijdelijke afscheid van Amerika”, „de genereuze vriendschap van weleer was ineens spoorloos verdwenen […]”
Ik dacht eerst: van welk Amerika hielden jullie dan zoveel? Dat van Bush met zijn martelprogramma en Irak-oorlog? Dat van de jaren vijftig met zijn apartheid en communistenjacht? Vietnam? Mass incarceration?
Twee jaar had ik er gewoond, ook toen schoot de politie gemiddeld zo’n duizend burgers per jaar dood – onder Obama. Vorige eeuw viel Amerika gemiddeld elke 28 maanden een Latijns-Amerikaans land binnen, las ik: wat Trump nu deed in Venezuela was precíes wat Amerika was. Wat de halve wereld al wist: land geboren uit landjepik en plundering voor en door een witte elite.
Zelfs de burgeroorlog die nu opvlamde was niet nieuw. De VS hadden die auto-immuunziekte, werden soms hondsdol, viele soms zichzelf aan. Stuurde het leger naar de eigen steden, schoot op eigen burgers.
Dat was deze week verhelderend als een bord met de Alert State: wie hartzeer had, had hartzeer naar een land nooit had bestaan. America was never America to me, om de zwarte Amerikaanse dichter Langston Hughes te citeren. Hij wist dat Amerika een droom was, een belofte die je moest bevechten – zonder hoop.
Nieuw was dat ‘wij’ niet langer buiten schot bleven. Dat de agenten nu ook schoten op een witte, hoogopgeleide vrouw in Minneapolis; zoals Trump ‘schoot’ op de premier van Denemarken.
In mijn schrijfhutje betrapte ik mijzelf erop dat ik het deuntje floot dat de mariniersfluitist had gespeeld. Het bleek de Marines’ Hymn, het officiële lied van de United States Marine Corps:
First to fight for right and freedom
And to keep our honor clean;
We are proud to claim the title
Of United States Marine.
Straks vechten we tegen elkaar, dezelfde liedjes fluitend. Dat was nieuw, ja, maar het was te vroeg om een land af te schrijven dat voor de helft zoals wij was. We waren nu wel in hun burgeroorlog beland, we moesten de goede helft steunen. Amerika had nooit bestaan, maar Amerika moesten we bevechten. Zoals in die film: One battle after another.
Arjen van Veelen vervangt Floor Rusman.
Volg de laatste politieke ontwikkelingen in de VS op de voet
Source: NRC