Mark Mizruchi De Amerikaanse socioloog Mark Mizruchi bestudeert al jaren de verhouding tussen bedrijfsleven en politiek. Volgens hem is de macht van bedrijven de laatste decennia kleiner geworden, waardoor ze geen vuist kunnen maken tegen Trump.
Een demonstrant staat voor de studio in Los Angeles waar Jimmy Kimmel zijn talkshow opneemt. De presentator was ten tijde van het protest geschorst na grappen over de vermoorde rechtse activist en Trump-aanhanger Charlie Kirk.
Hoe moet het Amerikaanse bedrijfsleven zich verhouden tot Donald Trump? Het antwoord vanuit de zakenwereld is de afgelopen maanden duidelijk: meebewegen met de grillen van de president.
Over Trumps vergaande ingrepen bij de centrale bank, zoals de recente dagvaarding van Fed-voorzitter Jerome Powell – waartegen andere centrale bankiers en politici zich al keerden – spreekt geen zakenman zich uit. Hetzelfde geldt voor importheffingen. Bedrijven gooien zonder protest hun diversiteitsbeleid overboord. Techleiders laten zich lovend uit over de president, die Nvidia intussen dwong geld aan de staat af te dragen om chips in China te verkopen. Grote advocatenkantoren hebben de regering volgzaam beloofd voor bijna een miljard dollar kosteloze rechtsbijstand te verlenen.
Socioloog Mark Mizruchi is zelf het meest geschokt over netwerk CBS, onderdeel van Paramount, dat de tv-show van Jimmy Kimmel een tijdje schrapte nadat sommige Republikeinen zich kritisch hadden uitgelaten over een van zijn grappen. „Maar eigenlijk weet ik niet waar ik moet beginnen”, vertelt hij per videoverbinding. „Er zijn zó veel voorbeelden.”
Mizruchi, hoogleraar aan de Universiteit van Michigan, kijkt met een mengeling van afschuw en fascinatie naar de dans van Trump met grote ondernemingen. De Amerikaan bestudeert de verhouding tussen bedrijfsleven en politiek, en schreef daar onder meer het boek The Fracturing of the American Corporate Elite (2013) over.
Mizruchi’s belangrijkste idee is dat het Amerikaanse bedrijfsleven de afgelopen decennia fors aan invloed op de politiek heeft ingeboet – al bestaat het beeld dat juist het tegengestelde waar is. Trumps machtsvertoon en dreiging tegenover bedrijven was volgens Mizruchi in de jaren zestig ondenkbaar geweest. Dat komt omdat de top van het bedrijfsleven nu is ‘versplinterd’.
Mark Mizruchi (1953) is als socioloog en hoogleraar organisatiewetenschap verbonden aan de Universiteit van Michigan. Na zijn studie en promotie-onderzoek in de sociologie in de jaren zeventig was hij aanvankelijk werkzaam in de psychiatrie op het Albert Einstein College of Medicine in New York, met name op het terrein van statistiek. Eind jaren tachtig keerde hij terug naar de sociologie en richtte hij zich op de structuur van het Amerikaanse bedrijfsleven. Mizruchi is sinds 1991 verbonden aan de universiteit van Michigan.
Mizruchi’s werk geniet sinds Trump voor de tweede maal Amerikaans president werd, meer aandacht dan ooit. De auteur werkt inmiddels aan een herziene versie van zijn boek, waarin ook aandacht is voor Trump.
„Bedrijven waren niet bang voor de politiek. De zakenelite was een collectief en trad gezamenlijk op via organisaties. Ze wisten zich verzekerd van rugdekking door andere bedrijven als ze de president niet zouden gehoorzamen. Er zou een gezamenlijk statement zijn gekomen. Ik denk echt dat het huidige gedoe toen in een mum van tijd voorbij zou zijn geweest. Je kunt als president niet het hele bedrijfsleven tegen je in het harnas jagen.”
„Na de Tweede Wereldoorlog runden witte mannen van geprivilegieerde afkomst de Amerikaanse economie. Het was een kleinere groep, er was meer cohesie. En vooral: ze werkten samen in organisaties, met als belangrijkste het Committee for Economic Development. Topmannen troffen elkaar daarin en beïnvloedden via deze club de politiek.”
„In de eerste decennia na de oorlog was de invloed gematigd en keynesiaans [met ruime overheidssturing in de economie]. Ze noemden dit zelf ‘verlicht eigenbelang’. Het idee was: als wij onze posities willen behouden, moet de hele maatschappij sterk zijn. Ze kwamen met het Marshallplan [een financieel plan om West-Europa er na WOII bovenop te helpen] en ze accepteerden belastingverhogingen voor bedrijven. Ze kwamen zelfs met een plan voor goede gezondheidszorg.
„Vanaf de jaren zeventig nam de internationale concurrentie toe en verdween het geloof in Keynes. Bedrijven kregen het lastiger, en topmannen begonnen zich af te vragen: kunnen we nog wel zo coöperatief en liberaal zijn?
„Het bedrijfsleven werd een stuk conservatiever, maar de ondernemers waren tegelijkertijd meer één dan ooit. Ze gaven de politiek stevige tegendruk. In 1977 hadden de Democraten een meerderheid in het Congres en leverden ze de president. Alle liberals waren blij: we krijgen consumentenbescherming, een nationale zorgverzekering, dachten ze. En dat ging allemaal niet door omdat het bedrijfsleven in het geweer kwam. Ze lobbyden via de Business Roundtable – een gezamenlijke organisatie – bij het Congres en er kwam niks van terecht.
„Dit gebeurde allemaal voordat Reagan president werd. Voor mij is dat sterk bewijs dat de macht van het bedrijfsleven groot was. Het won op elk terrein.”
„In 1981 kwam Reagan dus aan de macht. Het bedrijfsleven had alles bereikt wat het wilde. Verzwakte vakbonden, verlaagde belastingen, minder regels. Topmannen keken naar elkaar en zeiden: we hebben de oorlog gewonnen. Ze hoefden niet meer georganiseerd te zijn en begonnen te focussen op hun eigen belangen.”
De opkomst van het aandeelhouderskapitalisme versterkte deze trend. De concurrentie tussen bedrijven werd feller, bestuurders verloren eerder hun baan als beleggers niet tevreden waren, en ze focusten op financieel resultaat. De ‘ouderwetse’ topmannen, die zich volgens Mizruchi rekenschap gaven over hun invloed op de maatschappij, ruimden het veld. „In plaats daarvan verschenen types als Jack Welch bij General Electric, die elk jaar de 10 procent slechtst presterende managers eruit gooide.”
Begin jaren negentig is de cohesie in het bedrijfsleven verdampt. De gevolgen waren vlak daarvoor al te zien, stelt Mizruchi: Reagan voerde een belastingwet in die grote bedrijven zwaar trof, ondanks hun lobby.
„Bedrijven lobbyden toen voor het eerst erg individueel, in plaats van collectief. Hun organisaties speelden geen grote rol. Reagans mensen zeiden: ze zijn ten onder gegaan aan hun eigen gebrek aan organisatie.”
„Bedrijven zijn goed in dingen voor zichzelf regelen. Maar zodra het om collectieve kwesties gaat, zijn ze daar niet toe in staat.” Als voorbeelden van collectieve kwesties noemt Mizruchi handel, infrastructuur en migratie. Wat dat laatste betreft, botsen de belangen van bedrijven vaak met het beleid van de president, bijvoorbeeld toen Trump visa voor kennismigranten peperduur maakte.
Mizruchi verwerpt de suggestie dat bedrijven de situatie onder Trump wel best vinden. „Ik denk dat ze helemaal niet blij zijn. Ze willen niet knielen voor een president en zich bedreigd voelen. En daar zouden ze werk van kunnen maken! Maar er is geen mechanisme meer om dit collectief aan te pakken. Ik vraag me af of het bedrijfsleven zich realiseert hoeveel macht het heeft.”
„Ik denk niet dat het per definitie slecht voor een maatschappij is om een verenigde elite te hebben”, antwoordt Mizruchi. Hij kijkt dan vooral naar de periode na de Tweede Wereldoorlog, waarin hij een positieve bijdrage van de bedrijven ziet. „Ze kunnen in principe zulke mooie dingen voor elkaar krijgen.”
Hij zou willen dat topmannen weer iets van ‘verlichte invloed’ uitoefenen, bijvoorbeeld inzake klimaatverandering, maar maakt zich geen illusies. „Ik heb daartoe in mijn boek een soort oproep gedaan. Ik kreeg daar veel kritiek op, maar het was altijd al een beetje utopisch bedoeld. We zullen het, denk ik, meer moeten hebben van sociale bewegingen die bedrijven dwingen verantwoordelijkheid te nemen.”
Volg de laatste politieke ontwikkelingen in de VS op de voet
Source: NRC