Tijdens de weekvergadering van de wetenschapsredactie kwam het mitochondrium ter sprake: een organel – een celonderdeel – dat energie produceert. Eén menselijke cel kan er duizenden bevatten, waardoor u en ik op een getal met vijftien nullen zouden uitkomen als we al die mitochondriën zouden tellen in al onze biljoenen cellen. Enfin, het ging dus over die energieopwekkers, waarop een collega opmerkte: „Of, zoals Gemma zou zeggen…” Toen zei iemand iets inhoudelijks en nam het gesprek een andere wending.
Na afloop bleef zijn opmerking door mijn hoofd spoken. Hoe zou ik mitochondriën noemen? Ik had geen flauw idee; verder dan ‘energiefabriekjes van de cel’ kwam ik niet, maar dat was zo’n platgetreden metafoor dat die niet aan mij persoonlijk kon worden toegeschreven. Met wat fantasie leken mitochondriën, in doorsnede, op fossiele mammoetkiezen. Maar zou ik dat ooit hardop gezegd hebben? Na een paar uur hield ik het niet langer. Ik smeekte de collega me te vertellen hoe ik mitochondriën zou omschrijven. „Jij zou zeggen dat het je lievelingsorganellen zijn”, was zijn antwoord.
Ik lachte. Er is weinig zo bevredigend als het gevoel gekend te worden. Inderdaad waren het mijn favoriete organellen (opeens schoot me te binnen dat ik ooit een mitochondrium maakte tijdens biologieles, van piepschuim en fimoklei), maar meer nog zat het in dat woordje ‘lievelings’. Een woord dat ten onrechte als kinderachtig wordt gezien en dat ik op mijn veertigste regelmatig gebruik, omdat het van toepassing is op oneindig veel categorieën – van lievelingskleur tot lievelingsparasiet. Lievelings voelt oprechter, minder formeel dan favoriet.
Zaterdagochtend bevond ik me in de bus naar Zandvoort voor de uitvaart van mijn lievelingsdocent. De gevoelstemperatuur onder nul, stuivende sneeuw over de duinen. Het kale landschap oogde als een poolwoestijn.
Jef Vandenberghe was de man die me tijdens mijn studie aardwetenschappen een voorliefde had bijgebracht voor periglaciale landschappen. Van hem leerde ik dat permafrost niet smelt maar ontdooit (omdat het vaste grond betreft, geen vloeistof), en dat Noord-Nederland bezaaid is met pingoruïnes: cirkelvormige meren, relicten van ijsheuvels. In Twente wees hij me, langs de Dinkel, op desert pavement – een kiezellaagje uit de tijd dat Nederland nog een échte poolwoestijn was, waarin het zo hard waaide dat alles fijner dan grof grind weggeblazen werd.
Naast ijs hield Jef van wielrennen en van löss: de fijnkorrelige, vruchtbare bodemafzetting die onder andere in Zuid-Limburg te vinden is. Tijdens een excursie door Frankrijk praatten we uren over zijn veldwerk aan het gigantische Centrale Lössplateau in China. Als Jef een lievelingssediment had gehad, dan was het löss geweest. Niet dat hij dat zelf zo zou zeggen – zijn toon was formeel. Maar daaronder ging een lach schuil die, tegen alle natuurwetten in, zelfs permafrost zou doen smelten.
Dankzij Jef ging ik naar Spitsbergen, naar Alaska, en nog weer later naar Groenland. Als het poolgebied aan iemand toebehoorde, dan was het wel aan hem. Bij het graf gooide ik ten afscheid een handje sneeuw op de kist. Opeens besefte ik hoe dun de lijn is tussen dooi en dood; tussen löss en loss.
Gemma Venhuizen is biologieredacteur en doet elke woensdag ergens vanuit Nederland verslag
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin
Source: NRC