Biologie Zodra de werksters zijn geboren, stoppen hommelkoninginnen met het zoeken naar nectar. Want ze kunnen het niet goed meer.
Twee hommels, een werkster (links) en een koningin, strekken hun tong om van een suikeroplossing te drinken.
Als het om insectentongen gaat dan schiet algauw de lange ‘roltong’ van de vlinder te binnen – eigenlijk een oprolbaar rietje, een holle zuigbuis die proboscis wordt genoemd. Maar ook andere nectardrinkers hebben geavanceerde tongen: neem de harige exemplaren van hommels en honingbijen. Daarmee kunnen ze zowel vloeibare als stroperige nectar opslurpen, bleek in het verleden al uit onderzoek. Nu nemen Chinese biologen in tijdschrift PNAS specifiek de tong van de aardhommel (Bombus terrestris) verder onder de loep. Door de microstructuren te analyseren komen ze tot een opmerkelijke conclusie: dat hommelkoninginnen stoppen met nectar zoeken zodra de werksters zijn geboren, is niet uit luiheid. Ze kúnnen het gewoonweg minder goed, omdat ze een afwijkende tong hebben.
Wie in close-up een hommel ziet drinken, ziet het tongetje naar voren en achteren bewegen; in een snelle beweging slikt ze de nectar op. Daarbij speelt de capillaire werking van de tongharen een belangrijke rol: in de nauwe holtes tussen de haartjes wordt de vloeistof vastgehouden. Maar om die werking te benutten, is het wel nodig dat de haren dicht genoeg op elkaar staan.
En dáár blijkt het mis te gaan bij de hommelkoningin. In PNAS beschrijven de Chinese wetenschappers hoe ze de tongen van 99 ontlede hommels (67 werksters en 32 koninginnen) onder de elektronenmicroscoop bestudeerden. Hommelkoninginnen zijn beduidend groter dan werksters, maar verder zijn er op het eerste gezicht geen verschillen waarneembaar – behalve dus wat de tong betreft. De biologen zagen dat de haren op koninginnentongen consequent verder uit elkaar staan dan die op werkstertongen. Met andere woorden: de nectar vloeit makkelijker weer weg.
Om die hypothese te testen, maakten de onderzoekers met hogesnelheidscamera’s ook filmpjes van hommels die aan het drinken waren. Daarbij zagen ze dat de koninginnen hun tong sneller heen en weer bewogen, als om te compenseren voor het gebrek aan haar. Tevergeefs: de tonggeometrie bleek doorslaggevender in het drinksucces dan de snelheid. De koninginnen kúnnen wel nectar opslikken, maar het is voor hen effectiever als ze zich net als de larven laten voeren. Zo gaat het er in de praktijk dan ook aan toe: bij het stichten van een kolonie, voordat de eerste werksters worden geboren, gaat de koningin zelf nog op zoek naar stuifmeelkorrels (voor de eiwitten) en nectar (voor de suikers). Maar als de werksters er eenmaal zijn, besteedt ze het voedsel zoeken aan hen uit en blijft ze zelf lekker binnen om nog meer nageslacht te produceren.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin
Source: NRC