Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. Piloot en luchtverkeersleider Niels Klad (44) moest als waarnemer op de politiehelikopter zoeken naar een vermiste moeder van vijf kinderen.
is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
‘Dit verhaal begon heel vreemd, met een klein meisje van nog geen 10 jaar, dat ’s nachts in haar nachtjaponnetje door Amsterdam rolschaatste met een dekentje onder haar arm. Surveillerende collega’s zagen haar en vroegen: ‘Waarom ben jij zo laat op straat?’ ‘Ik zoek mijn moeder’, antwoordde ze. ‘Die is zonder kleren van huis weggelopen.’
‘Mijn collega’s gingen met dat meisje naar haar huis en troffen daar nog vier jonge kinderen aan, verder niemand. Het was er een enorme bende, ze wisten meteen: foute boel. Die straat was vlak bij een jachthaven, het Westerdok, waar veel plezierbootjes liggen. Een buurman zei dat hij een plons had gehoord. Onze collega’s meldden dat er mogelijk een persoon te water was geraakt.
‘Daarom werden wij ingezet, de helikopter. We braken onze zoektocht boven Haarlem naar inbrekers af en vlogen in tien minuten naar Amsterdam. Voorin zaten de piloot en de copiloot, want ’s nachts vliegen we altijd met twee vliegers. Ik zat achterin als waarnemer. De waarnemer doet al het politiewerk. Dan zit ik achter een groot beeldscherm, bedien met een laptop de camera die onder de heli hangt, communiceer met collega’s op de grond en met de meldkamer, en stuur de piloten aan.
‘Onze thermische camera registreert warmte. Daarmee kunnen we ’s nachts alle tuinen, bosjes en daken afzoeken naar slachtoffers of verdachten. Op het zwart-witbeeld kleuren warme lichamen diep zwart. Hoe warmer het object, hoe donkerder het oplicht op mijn beeld.
‘Op mijn scherm zag ik beneden collega’s met zaklampen in het water schijnen. Ik vroeg of iemand even omhoog wilde schijnen, zodat de piloot kon zien waar hij moest rondcirkelen. Daarna wees een collega met weidse gebaren aan waar de plons was gehoord. In sommige woonboten die daar liggen brandden kacheltjes; die warme schoorsteentjes zie ik ook op mijn scherm. De camera kan niet door muren kijken, we moesten goed tussen al die bootjes gaan zoeken.
‘Het zoekgebied was groot, in feite het hele Westerdok, dus vanuit alle hoeken richtte ik voortdurend de warmtecamera tussen die boten langs de kade. We zochten heel grondig, maar vonden niks. Dat was raar, want het was een kalme, droge nacht, windstil, het water was spiegelglad.
‘Na twintig minuten zoeken vroegen de piloten: ‘Heeft het nog nut om hier te blijven hangen?’ Want je brandstof raakt op en je vliegt boven het centrum van Amsterdam op 1.000 voet, dus je maakt iedereen wakker. Ik zei: ‘Jongens, ik wil nog één keer de overkant bekijken.’
‘Daar was een wirwar van steigers met bootjes en ineens zag ik daar, in een hoekje, een zwart puntje, echt heel klein, veel te klein voor een mensenlichaam. Ik kon het niet plaatsen. ‘Kan iemand daar even gaan kijken?’, vroeg ik over de portofoon.
Een motorrijder reageerde en reed die kant op. Bij de jachthaven stapte hij af en liep in de richting waarin ik hem stuurde. De lange, smalle steiger waarover hij liep, werd geblokkeerd door een hek, maar dat was gelukkig niet op slot. ‘Je bent er bijna’, zei ik, ‘loop door tot het einde en daar naar rechts. Ja, daar! Stop! Stop! Stop!’
‘Ik zag op mijn scherm hoe die collega op zijn buik ging liggen, een tweede collega kwam achter hem aan. En toen kwam dat mooie moment: ‘De dame hangt hier onder de steiger!’, riep hij. ‘Ik kan er niet bij, ze reageert niet, stuur met spoed de brandweer!’
‘Omdat die twee collega’s zich realiseerden dat het te lang ging duren en die vrouw onderkoeld was, trokken ze een rubberbootje van de kade en gooiden dat in het water. Een van hen stapte erin en trok die vrouw naar zich toe, de ander tilde haar omhoog en legde haar op de steiger. Ik zag hoe ze hun jassen uittrokken en over haar heen legden. Ze was niet aanspreekbaar. Andere collega’s en het traumateam kwamen ook aanrennen en verleenden hulp.
‘Ze was al ver heen. Haar ledematen waren op mijn scherm gewoon wit, die werden al niet meer doorbloed. Later hoorde ik van een trauma-arts dat de bloedcirculatie naar haar ledematen al was gestopt, zodat vitale lichaamsdelen, het hart, warm blijven. Dat is een overlevingsmechanisme. Als haar lichaam 0,2 graden kouder was geweest, zei die arts, dan houdt het lichaam er echt mee op. Het scheelde niks.
‘In de heli zie je veel ellende, moord, immigranten die verdrinken in vennetjes en rivieren, dode verkeersslachtoffers die we moeten fotograferen. Dit, iemand levend terugvinden, zijn de mooie dingen van ons werk. Die heb je soms nodig, het motiveert je om alle andere zaken vol te houden.
‘Het is prachtig als je iemands leven redt. We hebben die vijf kindjes hun moeder teruggegeven. Zij was in psychotische wanhoop het water ingegaan, maar heeft in het leven een tweede kans gekregen. Ik hoop dat ze die pakt.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant