Home

‘Als je je vasthoudt aan een ideaalbeeld, krijg je nooit een partner’

Bob Dickhout is 100 jaar. De klinisch biochemicus hield van hockey en autorally’s rijden en stond tot zijn 97ste op de golfbaan.

Bob Dickhout is een veelzijdige en autonome man die zijn lange leven bepaald niet stilgezeten heeft. Naast zijn baan als klinisch biochemicus in het Zaans Medisch Centrum was de 100-jarige een fervent sporter. In zijn studeerkamer staan twee vensterbanken en een glazen vitrine vol prijzen die hij won met hockey, golf en autorally’s. Ook was hij actief in talrijke medische- en sportorganisaties. Eeuwelingen vragen naar hun levenservaringen, lijkt hem iets als ‘verroeste autowrakken aan de praat zien te krijgen’. In zijn geval is dat een fluitje van een cent.

Hoe zien uw dagen eruit?

‘Sporten gaat sinds 2,5 jaar niet meer, dus zit er niets anders op dan veel te lezen, romans en de krant. Ik begin de dag met de NRC en Het Parool – dat heb ik nog rondgebracht tijdens de oorlog, toen het een illegale verzetskrant was. Als ik klaar ben met lezen, is het vaak al een uur ’s middags en bel ik mijn vriendin, om de kruiswoordpuzzel uit Het Parool te vergelijken, die we dan allebei gemaakt hebben. Omdat we slecht ter been zijn, zien we elkaar niet meer zo vaak als we zouden willen, en bellen we vooral. De deur ga ik nog uit voor het diner van de Rotaryclub Zaandam om de week, voor concerten in het Concertgebouw, en om mijn vriendin zo nu en dan op te zoeken.’

Wat mist u het meest van wat u niet meer kunt?

‘Sporten. Van jongs af aan ben ik veel in beweging geweest. Door de nasleep van een dijbeenbreuk, ruim twee jaar geleden, heb ik het sporten moeten staken, ik golfde toen nog.

‘Ik was enig kind en ging vaak wandelen met mijn ouders – dé sport voor mensen met weinig geld. In de zomer gingen we met een goedkope nachttrein naar Oostenrijk, waar we bergtochten maakten. Toen ik nog klein was, werd ik in het bagagenet gelegd om wat te kunnen slapen, bedden waren er niet in de krappe coupé.

‘Op de middelbare school leerde ik hockeyen. Een vrijgevige oom kocht een hockeystick voor mij, ik ben de sport tientallen jaren blijven beoefenen. Omdat ik het niet kon uitstaan als we een doelpunt tegen kregen, wierp ik mij al snel op als keeper van ons team. Ik deed er cricket en tennis bij, en na mijn pensioen werd ik lid van de golfclub – dé sport voor oude mannen.

‘Autorally’s rijden was weer een andere tak van sport waar ik veel vrije tijd aan besteedde. Ik deed eerst mee aan autopuzzeltochten voor Saab-rijders. Het wedstrijdelement van autorally’s sprak mij meer aan: wie er het snelst van A naar B rijdt, waarbij je zelf de route uitstippelt. Zo’n rally doe je met zijn tweeën, alleen gas geven vond ik niks aan, dus zei ik tegen mijn maat: laat mij maar navigeren. De navigator verkent van tevoren de route en stippelt die uit. Tijdens de rally zegt hij de rijder: ‘Na 100 meter flat right’, of: ‘Na 50 meter haaks links’. Ik heb een paar honderd rally’s gereden in binnen- en buitenland. Je komt in de mooiste gebieden.’

En intussen werd er ook nog gewerkt

‘Na mijn studie scheikunde in Amsterdam, met als hoofdvak klinische biochemie, kreeg ik de kans om een laboratorium voor bloedonderzoek op te zetten in het gemeenteziekenhuis in Zaandam. Daar ben ik tot mijn pensioen blijven werken, als hoofd van het lab. In de beginjaren had ik een voorrangsbewijs voor de pont van Amsterdam naar Zaandam, de Coentunnel was er nog niet.

‘Bij het opzetten van het lab bleek dat het gemeenteziekenhuis te weinig geld had, waarop ik voorstelde te fuseren met het katholieke ziekenhuis in Zaandam. Binnen korte tijd zat ik in de medische staf. Al tijdens mijn studententijd leerde ik dat als je één keer je mond opendoet, je bij wijze van spreken de volgende dag in een bestuur zit. Ik zei meestal ja, omdat ik een probleemoplosser ben.

‘De twee ziekenhuizen fuseerden tot het Zaans Medisch Centrum en het lab kwam er. De medisch analisten met wie ik werkte, waren allemaal vrouw, in de jaren vijftig was het een damesvak. Het lab groeide met zo’n veertig à vijftig medewerkers. De eerste man die ik aannam, dacht meteen subhoofd te worden, onder mij. Ik zei: ‘Nee, dat kan niet, je bent een van de velen.’ Gelijkwaardigheid tussen man en vrouw heeft bij mij altijd hoog in het vaandel gestaan.’

Heeft u dat van huis uit meegekregen?

‘Niet echt. Mijn vader werkte als hoofd technische dienst van de gemeentelijke telefoon, mijn moeder was huisvrouw. De gelijkwaardigheid tussen man en vrouw ontdekte ik tijdens mijn studententijd, een ontzettend leuke periode. Ik was lid van een intellectueel dispuut van het Amsterdamse Studentencorps, met leeftijdgenoten die ook veel boeken lazen en niet alleen zaten te drinken. Ik had veel contact met de meisjes van de vrouwelijke studentenvereniging AVSV. Ik zag geen verschil tussen mijn mannelijke en vrouwelijke vrienden, die gelijkwaardigheid heb ik toegepast in de praktijk. Ik heb nooit de baas willen spelen, ook niet in relaties.

‘Bij de studentes bleek ik vrij populair. Ik was een lelijke jongen, maar kon goed verhalen vertellen. Daar hielden de dames van, waardoor ik vaak werd uitgenodigd voor hun feesten. Het was zo’n andere tijd. Je leerde in het corps aardig te zijn voor elkaar en respect te hebben voor de ander. Als ik nu in de krant lees over hoe mannelijke studenten vrouwen uitschelden, schandalig! Dat kan echt niet.’

U noemde uzelf lelijk, eerlijk gezegd zie ik dat heel anders.

‘Ik kijk scheel. Als kind had ik daar veel last van. Als 10-jarige kreeg ik een brilletje, waarmee ik werd geplaagd. Ik leerde verbaal van me af te slaan. Die mondigheid heeft mij in mijn latere leven overal geweldig geholpen. Die bril hielp overigens niet, daarom ben ik om mijn scheelheid te maskeren mijn ogen gaan dichtknijpen, dat doe ik nog steeds.’

Hoe heeft u uw werk als biochemicus zien evolueren?

‘Ik heb een prachtige ontwikkeling meegemaakt. Klinische biochemie was een heel nieuw vak. In alle delen van een menselijk lichaam zit chemie: in bloed, haren, huid. In het laboratorium onderzoek je het bloed van een patiënt, om te achterhalen waardoor hij of zij ziek is geworden. In de beginjaren kon je nog maar heel weinig vaststellen, eigenlijk alleen diabetes, met een papiertje in contrastvloeistof dat verkleurde in rood of blauw. Het was handwerk.

‘Er kwamen allerlei apparaten. Daarmee konden we ook kalium, natrium en eiwitten in het bloed meten, en zo de diagnostiek uitbreiden. Het vak werd steeds ingewikkelder. Wat ze tegenwoordig allemaal kunnen in het lab, daar heb ik geen verstand van.’

Heeft u een grote liefde gekend?

‘Ik ben altijd gevallen op zelfstandige vrouwen, die een vak hebben geleerd, dus wat te vertellen hebben. Een vrouw die alleen ‘ja’ en ‘amen’ zegt, gaat vervelen.

‘Tijdens mijn studietijd had ik een ideaalbeeld gevormd in mijn hoofd, maar als je daaraan vast blijft houden, krijg je nooit een partner. Op mijn 31ste kwam ik een leuke, aardige vrouw tegen, een docent Frans, die dol was op mij. Ik werkte in het Zaans Medisch Centrum en op feestjes van specialisten verwachtten ze dat je een vrouw bij je had. Ik trouwde met haar.

‘Ze voelde dat ze niet mijn eerste keus was, ze miste iets, ik investeerde ook te weinig in de relatie. Op een feest kwam ze een andere man tegen, ze kwam steeds later thuis. Nadat ze een nacht was weggebleven, vroeg ik of ze met hem naar bed was geweest. Ze antwoordde bevestigend, waarop ik zei dat ze zijn huissleutel kon vragen en de sleutel van ons huis kon inleveren. Het was beter zo voor haar, want ik gaf niet terug wat zij mij gaf. Verdriet voelde ik niet.

‘Nadat ik een tijdje alleen was geweest, ontmoette ik mijn huidige vriendin, een lerares klassieke talen. Ze is nu 93. We hebben dertig jaar samengewoond. Zodra ik met pensioen was, ging ik vaak weg, op golfvakantie in het buitenland. Dan zat zij vaak in haar dooie eentje hier in huis. Ze besloot een flatje te zoeken dicht bij de school waar ze werkte, waar ze op werkdagen overnachtte. Op een gegeven moment besloot ze daar te blijven. Ze is nog steeds mijn vriendin.’

U volgt het nieuws op de voet, welke ontwikkeling houdt u het meest bezig?

‘Er dreigt een tekort te ontstaan aan belangrijke grondstoffen, zoals olie, gas, metalen en mineralen. We moeten daar heel zuinig mee omgaan, maar dat gebeurt niet omdat er sprake is van overmatig gebruik door overbevolking en overconsumptie. De mens put de aarde uit.’

Ziet u een oplossing?

‘De overbevolking terugdringen en minder consumeren. Een maatregel kan zijn de kinderbijslag afschaffen, maar dat benadeelt kinderen in armere gezinnen. Abortus zou overal mogelijk en gratis moeten zijn. Sowieso is dat nodig, voor alle kinderen die niet gewenst zijn.’

Denkt u weleens, terugblikkend op de afgelopen 100 jaar: dit had ik toch anders moeten doen?

‘Ik kan wel honderd dingen noemen, maar niets essentieels. Mijn leven is volgens wens verlopen. De enige invloed die je kunt uitoefenen is iets wat op je weg komt niet te doen.’

Bob Dickhout

geboren: 5 december 1925 in Amsterdam

woont: zelfstandig, in Amsterdam

beroep: klinisch biochemicus

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next