Overal in bezet Nederland waren Joden het slachtoffer van hetzelfde nazibeleid. Lokale factoren hadden echter wel degelijk invloed op de loop der gebeurtenissen, leert dit boek over de lotgevallen van Joods Rotterdam.
schrijft over geschiedenis voor de Volkskrant en recenseert non-fictie.
Het Duitse bombardement op Rotterdam, op 14 mei 1940, was een van de zeldzame niet-discriminatoire handelingen van het nazibewind in Nederland: Joden en niet-Joden werden er in gelijke mate door getroffen.
Uiteraard maakte het gemeentebestuur evenmin onderscheid tussen de ene en de andere slachtoffergroep. Beide konden aanspraak maken op de hulpprogramma’s die met Rotterdamse voortvarendheid werden opgetuigd. Die geest klonk door in de kop van het eerste nummer van het Nieuw Israëlitisch Weekblad dat tijdens de Duitse bezetting verscheen: ‘Aan het werk (...) Rotterdam vraagt melk en gereedschap.’
Joods-Rotterdamse ondernemers betrokken noodwinkels, waarvan er in september al 370 waren opgeleverd. Voor het herstel van de, ten dele verwoeste, synagoge aan de Botersloot werden offertes aangevraagd – alsof er nog een toekomst voor de Joden in Rotterdam was weggelegd.
Burgemeester Pieter Oud vreesde op dat moment al dat de circa tienduizend Joodse ingezetenen niet lang met rust zouden worden gelaten. ‘Und jetzt die Judenfrage’, had de Duitse stadscommandant gezegd nadat in hun kennismakingsgesprek de beleefdheden waren afgevinkt.
Oud bezwoer dat er in Nederland geen ‘Judenfrage’ was, en dat ‘alle goede Nederlanders’ grote bezwaren zouden hebben tegen anti-Joodse maatregelen. De Duitser – een militair – zei daar zelf ook het liefst van te willen afzien, ‘maar als later mensen van de Partij komen, zal het anders worden’.
En zo geschiedde. Overal in Nederland voltrok dit drama zich op dezelfde manier: via de perfide weg der geleidelijkheid werden Joden gesegregeerd, gemarginaliseerd en uiteindelijk – buiten het blikveld van hun niet-Joodse landgenoten – vernietigd. Driekwart van de ongeveer 140 duizend joden in Nederland werd vermoord.
Hun woon- of verblijfplaats kon echter wel degelijk invloed hebben op het verloop van deze lotsgeschiedenis. Zo overleefde in Enschede zo’n 40 procent van twaalfhonderd Joodse ingezetenen de Duitse bezetting – een beduidend hoger percentage dan in andere gemeenten met een Joodse gemeenschap – vanwege (onder andere) de weinig meegaande houding van de plaatselijke Joodse Raad, de beschikbaarheid van onderduikadressen en de weigering van relatief veel politiemensen om aan de uitvoering van het nazibeleid mee te werken.
De oorlogsgeschiedenis van Rotterdam is weliswaar minder verheffend dan die van Enschede, maar ook hier hebben lokale omstandigheden de loop der gebeurtenissen beïnvloed. Over dit gegeven schreef de historica Marleen van den Berg, werkzaam bij het Nationaal Archief in Den Haag, een boek waarvan de toegevoegde waarde (ten opzichte van de bestaande oorlogshistoriografie) schuilt in veelzeggende, vaak wrange details die veelal met het bombardement van 14 mei samenhangen.
Zo bracht deze gebeurtenis Joodse en niet-Joodse daklozen fysiek bij elkaar in opvanghuizen waarvan het comfort vaak te wensen overliet. Soms verliep dit gedwongen samenleven in betrekkelijke harmonie. Maar vaak voelden vrome Joden zich ‘niet thuis tussen de christen mensen’ wier spijswetten zich niet tegen de consumptie van gebraden spek verzetten.
De razzia’s in Amsterdam van 22 en 23 februari 1941 waren voor de meeste Rotterdamse Joden ‘gebeurtenissen op afstand’, en de daarop volgende Februaristaking kreeg in Rotterdam hoegenaamd geen navolging.
Ook dat brengt Van den Berg met het bombardement in verband: de verwoeste stad herinnerde de Rotterdammers er dagelijks aan waartoe de Duitsers in staat waren. In februari 1941 waren zij dus niet geneigd om de toorn van de bezetter over zichzelf af te roepen.
Daarentegen zou als positief neveneffect van het bombardement kunnen worden aangemerkt dat Joods onroerend goed binnen de ‘brandgrens’ goeddeels gevrijwaard bleef van Duitse confiscaties, omdat de gemeente het zich in de zomer van 1940 al had toegeëigend – onder beduidend gunstiger condities dan de Duitsers gewend waren te hanteren.
Op het lot van de Rotterdamse Joden had dit geen invloed. Slechts 488 van de 8.368 ‘vol-Joodse’ Rotterdammers overleefden de concentratie- en vernietigingskampen. 578 overleefden in de onderduik. Bij hun terugkeer in de gehavende stad ondervonden zij de kilte van de bureaucratie en een algeheel gebrek aan schuldbesef bij burgers die tijdens de bezetting onverschillig waren geweest over het lot van hun Joodse buren, of die zichzelf ten kosten van Joden hadden verrijkt. ‘De Kleine Shoah’, noemde historicus Isaac Lipschits deze episode.
Volgens Van den Berg was de gebrekkige, harteloze opvang van Joodse Shoah-overlevenden niet zozeer een uiting van antisemitisme of van onwil, maar van een rigide interpretatie van het gelijkheidsbeginsel bij de hulp aan oorlogsslachtoffers. Afgezien van de toewijzing van woonruimte genoten Joden geen preferente positie ten opzichte van andere slachtoffergroepen. Dat was zo in 1940, en dat was nog steeds zo in 1945.
Zelfs bij de verzetsorganisaties schoot het begrip voor de precaire positie van de Joden ernstig te kort: voor de bevrijding hadden zij er (vergeefs) bij de Nederlandse regering in ballingschap op aangedrongen Shoah-overlevenden die hun kinderen op een onderduikadres hadden achtergelaten uit de ouderlijke macht te ontzetten.
Marleen van den Berg: Joods Rotterdam – Vervolging, ontrechting, terugkeer en rechtsherstel. Querido; 431 pagina’s; € 31,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant