Afgelopen december was ik in Indonesië en mocht ik een ‘Ngaben’ bijwonen, een hindoeïstische crematie waarin de ziel wordt bevrijd om haar reis voort te zetten. Het hele dorp liep mee in de optocht. Negen jonge mannen droegen de met bloemen en doeken versierde kist. Iedereen was in zijn mooiste kleding. Er werd gezongen, gedanst, gegeten en gedronken.
Terwijl ik op een houten bankje zat en de mensen zich verzamelden op het dorpsplein, ging een man naast me zitten. Hij schudde me de hand en lachte ontwapenend. Zijn naam was Gusti.
Aan mijn andere kant nam zijn neef plaats, die me zachtjes influisterde dat ik het gesprek beter kon laten. Eind jaren tachtig vocht Gusti voor het Indonesische leger in Oost-Timor, een gewelddadig conflict waarover in Nederland weinig wordt gesproken. Sinds die oorlog leek hij nooit meer helemaal naar zichzelf te zijn teruggekeerd.
Over de auteur
Frederiek Roukens is co-assistent aan de Universiteit van Amsterdam. In de maand januari is zij gastcolumnist op volkskrant.nl/opinie.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier meer over ons beleid.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Oost-Timor was een voormalige Portugese kolonie die in 1975 haar onafhankelijkheid uitriep. Kort daarna viel Indonesië het gebied binnen. De bezetting die volgde duurde decennia en werd gekenmerkt door extreem geweld tegen burgers, verdwijningen, honger en ziekte.
Gusti kende alleen nog de taal van oorlog. Hij maakte schietgebaren met zijn handen, alsof er nog altijd een geweer in lag. Praten was lastig, maar contact was er wel. Hij sloeg een arm om me heen, pakte mijn hand vast, zette zijn kleine bril op mijn hoofd en glimlachte breed.
Toen het vuur was aangestoken en de rituelen waren voltooid, liep ik over de stoffige weg terug naar mijn verblijfplaats. Gusti bleef door mijn gedachten bewegen. Zijn lichaam was hier, maar zijn geest zwierf nog altijd rond op het slagveld in Oost-Timor.
Die avond begon ik te lezen over de strijd. Ik wist er weinig van. Wat was daar eigenlijk gebeurd?
Het bracht me terug bij Revolusi van David Van Reybrouck. Het boek legt de geschiedenis bloot van Nederlands-Indië, en dus ook die van ons. Ik schrok van de gruwelijkheden, maar was tegelijkertijd blij dat ik het las. Dit is wat er is gebeurd. Dit is wat Nederland daar heeft gedaan.
Maar waarom wist ik dit niet? Waarom kreeg ik hier geen les over op school?
Wat me misschien nog het meest verbijsterde: een deel van deze geschiedenis speelde zich af na 1945. Terwijl Nederland zelf nog herstelde van de Duitse bezetting, stuurden we tienduizenden jonge mannen naar Indonesië, dat net zijn onafhankelijkheid had uitgeroepen, om daar het koloniale gezag te herstellen.
Misschien is het naïef om te willen begrijpen hoe dat kan. De geschiedenis van oorlog laat zien hoe weinig we leren. Geweld herhaalt zich, telkens opnieuw, in andere vormen en op andere plekken. Maar dat is geen reden om weg te kijken. Het is juist een reden om beter te kijken.
Straks zijn de laatste mensen die de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt er niet meer. Dan blijven de verhalen over. Verteld, of vastgelegd door schrijvers, fotografen en oorlogsverslaggevers, soms met gevaar voor eigen leven. Het is aan ons om te blijven lezen, te blijven praten, nieuwsgierig te blijven.
Het maakt me verdrietig als ik denk aan hoeveel levens vandaag de dag verloren gaan. En aan hoeveel mensen er zijn die blijven leven, maar die de oorlog nooit verlaten, zoals Gusti. En toch blijf ik hopen. Dat het goede het kwaad overstemt. Dat leiders zonder empathie plaatsmaken voor mensen met een moreel kompas. Want wat blijft er over als we ophouden met hopen?
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant