Ik wil de sneeuw van 2026 in een glazen bolletje doen om later nog eens op te schudden. Er viel niet alleen poedersneeuw met een uitzonderlijk luchtige kristalstructuur; de sneeuw had ook existentiële zwaarte. Het was sneeuw die kwam op het moment dat we sneeuw al bijna hadden afgeschreven, net toen we werkwoorden als ‘knerpen’ op zolder wilden opbergen.
De filosoof Walter Benjamin was gek op glazen sneeuwbolletjes. Die horen in het domein van de kitsch, maar zijn ook metaforen voor verloren onschuld, utopia achter glas. Deze week leefden we even in een sneeuwbolletje dat echt bestond.
Mijn sneeuwbolletje is dus onbeschaamd sentimenteel. Ik stop erin: het gezicht van mijn jongste zoon die bij het raam een dwarrelende vlok probeert te volgen. Ik stop erin: hoe chocolademelk smaakt na een lang sneeuwballengevecht. Ik stop erin: de giechelreflex van schouderbladen als er een ijsklont over je rug glijdt.
En dit tafereel. In de vroege ochtend fietste ik door Rotterdam. Ik reed over luchtige crackers in een wereld die verder gestoffeerd was met hoogpolig tapijt. Elke boom een kristallen kroonluchter, elke auto uitgewist. Lapland lag over de werkstad.
Sneeuwkristallen dempen geluid, verdubbelen licht, vertragen de machine. Sneeuwvlokken, leerde ik uit het prachtige boek Snö van de Zweed Sverker Sörlin, vallen gemiddeld met voetgangerssnelheid. Ja: dwarrelen is verwant aan wandelen, sneeuw sléntert uit de hemel naar beneden. Deze week was het dwarreltempo de metronoom van de stad.
Ik viel nul keer. Vallen doe je als je jakkert, sneeuw maant je tot een aandachtige, biddende vorm van wandelen.
Regelmatig fiets ik vloekend naar mijn werk, altijd zijn er wel asofietsers of hardlopers met oogkleppen of opgefokte etterbakjes in kleine zwarte cocaïne-gedreven knetterautootjes die me de pas af snijden. Zelfs die etterbakjes reden nu mindful. Behalve eentje, die was van de dijk gegleden. Schouder aan schouder duwden we zijn auto’tje weer de weg op. We schudden handen. Ik smolt.
Op het nieuws zei men dat het leven ‘tot stilstand’ was gekomen – ‘sneeuw zorgt opnieuw voor problemen’, ‘grote kans op overlast’ – maar wat tot stilstand was gekomen was de hypernerveuze machine. Stil was de machine die er voor gezorgd had dat sneeuw nu juist zo zeldzaam geworden was.
Achthonderd vluchten gecanceld – goddank. Straten zonder auto’s – eindelijk. Leeg geveegde agenda’s – yes.
De pret zat niet enkel in de sneeuw zelf maar in het festival der afgelasting, de pandemie zonder zieken. Het grote cadeau genaamd ‘overmacht’ was over onze Google Calendars neergedwarreld. Een collectief tussenuur.
Pas dan bemerk je de herrie en hectiek die we onszelf normaliter aandoen. Hoeveel léven er staat te popelen. Want waar de machine stilstond, bloeide het leven op. Wangen gloeiden. We hoefden de kinderen niet eens los te bikken van hun schermpjes, ze wilden zelf naar buiten. Alles tintelde. We hadden niets nodig, iedereen deelde dingen. We improviseerden: sokken als wanten, wasteiltjes als slee. Iedereen hielp buren, iedereen dacht aan de vogels.
Zelfs de stenen kwamen tot leven. Straten werden speelpleinen. Zeedijken werden snowboardpistes. Overal verscheen kunst: de verdwijnkunst van sneeuwpop of iglo, onze wintermandala’s.
„Dit is echt heel bijzonder!”, bleef ik tegen de kinderen zeggen. Basisschoolleeftijd, dit soort sneeuw konden ze zich niet heugen. Ik wilde ze plechtig toespreken, alsof het de maanlanding was. De komeet Halley. De eerste zwarte president. Het wás ook zoiets. Maar groter.
Er is een tv-reclame van Amazon. Drie vrouwen met grijs haar zitten op een bankje in het park en kijken naar sleeënde kinderen. Eentje pakt de telefoon, bestelt kussentjes en sleetjes. Daarna gaan ze zelf de helling af. Weer jong.
De commercial is prachtig en giftig tegelijk. Juist de boodschap dat je alle spullen van de wereld per onmiddellijk moet kunnen bezitten – die mentaliteit van hebben, graaien, plunderen; van oorlog om olie te pompen – precies dat hebberige denken heeft geleid tot een generatie kinderen die sleetje rijden tot voor kort alleen nog kende van tv-commericals.
We kregen even een landschap terug waaruit we onszelf hadden verbannen. Bitterzoet genoegen, bijna alsof een dierbare uit de dood even terugkomt – voor één minuut.
Vandaag fiets ik alweer door een colabruine Slush Puppy. Hoe lang wachten op de volgende? Ooit nog?
Ik denk aan wat ik las in Snö van Sverker Sörlin: sneeuw vertelt dat de wereld anders kan zijn. We can change. Misschien was ik daarom zo belachelijk blij deze week. Sneeuwbolletjes werken alleen als je ze een keer in het origineel hebt gezien, een hele generatie weet weer wat het is, wat er op spel staat.
Blijf die gedachte opschudden: dat je wakker kunt worden in een geheel nieuwe wereld.
Arjen van Veelen vervangt Floor Rusman.
Het laatste nieuws en de beste stukken over de mooiste havenstad die er is
Source: NRC