Bevallen doe je doorgaans alleen met je partner en verloskundige erbij. Zo werpt de huidige bevalcultuur ons terug op onszelf. Maar is het niet voor iedereen beter als de bevalling een groepsactiviteit wordt?
We zaten midden in een pandemie, dus de bevalcursus was online. Acht weken lang zaten mijn vriend en ik iedere donderdagavond dicht naast elkaar op de bank drie uur lang achter mijn laptop gekluisterd. Op het beeldscherm zagen we de andere cursisten zitten: zes identieke miniatuurkoppeltjes. Vrouwtje, mannetje; vrouwtje, mannetje.
Mijn vriend en ik hadden bewust voor deze cursus gekozen omdat de partner ook betrokken werd. Wij – de vrouwtjes – waren ‘geluksvogels’, vertrouwde onze hypnobirthing-juf ons meteen de eerste les toe. De meeste zwangeren volgden tot voor kort ‘hun pufcursus’ alleen. We mochten in onze handjes knijpen dat er ‘iemand actief onderdeel’ wilde zijn van onze bevalling – alsof dat niet óók de geboorte van hun eigen kind betrof.
Nog niet zo eens heel lang geleden, vertelde ze vervolgens, zaten ‘de mannen’ nog in de kroeg terwijl hun vrouw er een kind uit perste. Het is een klassiek filmbeeld: de zenuwachtig wachtende man in een ouderwets ogende ziekenhuisgang. Zoals Kevin Bacon in She’s Having a Baby (1988), die tijdens het machteloze wachten een openbaring krijgt. Pas als hij zijn vrouw en kind bijna verliest, realiseert hij zich – onder het speciaal voor dit moment geschreven nummer This woman’s work van Kate Bush – hoe egocentrisch hij is geweest. (Ook klassiek: dat we die traumatische gebeurtenis beleven via de man.)
Gelukkig, concludeerde de hypnobirthing-juf, was de situatie inmiddels vaak wel anders.
‘De mannen’ zijn inderdaad niet meer weg te denken uit de verloskamer. Sterker nog: in de meeste verhalen van vriendinnen en schoonzussen is de partner naast de verloskundige de énige steun en toeverlaat in de baarkamer.
Als je (als zwangere) geluk hebt, ging die partner mee op cursus. In het slechtste geval heeft de ander nog nooit over het timen van weeën gehoord.
Maar ook een betrokken partner die wel de drie subfasen van de ontsluitingsfasen uit diens hoofd heeft geleerd, biedt geen garantie voor verbinding. Waar ís iedereen, vroeg ik me paniekerig af toen ik drie maanden na die onlinecursus dan toch echt zelf bevallen moest. Met alleen een onbekende verloskundige erbij, en mijn vriend dus.
Die zoiets ook nog nooit had meegemaakt.
De tweede keer pakte ik het anders aan. Ik nodigde mijn moeder ook uit. Dat bleek een magische combinatie: alsof we dit varkentje al vele keren met z’n drietjes hadden gewassen. Mijn vriend en moeder wisselden elkaar soepel af en lieten me ook op de juiste momenten alleen.
Waarom nodigen we niet vaker een vriend(in)/tante/zus/broer/ouder uit bij onze baring, vraag ik me sindsdien af.
Ik besluit eerst eens aan Rodante van der Waal, verloskundige en filosoof, te vragen of mijn aanname wel klopt: zijn die partners wel de belangrijkste aanwezigen? En wat beïnvloedt deze geboortecultuur eigenlijk? Van der Waal is hiervoor de aangewezen persoon: zij kent de geboortezorg op haar duimpje en publiceerde recent het belangrijke essay Baas in eigen buik (2025), waarin ze een filosofie over rechtvaardigheid en vruchtbaarheid ontvouwt. Funfact: zij vroeg haar broertje naast haar vriend en verloskundige bij haar baring te zijn.
Mijn aanname klopt. Sommige barenden vragen hun zus of moeder bij hun baring, vertelt Van der Waal, maar het klopt dat de meeste zwangeren alleen baren met hun partner erbij. Wat niet klopt, is dat actief betrokken partners een recente uitvinding zijn.
Of tenminste: onze Néderlandse mannen zijn al veel langer betrokken. Begin 20ste eeuw werd de bevalling in Nederland als een familie-evenement gezien waarbij de vader emotioneel betrokken moest zijn, schrijft Hieke Huistra in ‘The Husband, For Whom She Endures All This’: Dutch Men in Childbirth, 1900–1940. Het paste bij het ideaal van het harmonieuze gezin dat destijds heerste. Nederlandse vaders waren niet alleen aanwezig, ze hielden ook gerust een been omhoog en maakten zich zorgen over een goede afloop. De meeste medisch professionals waardeerden hun aanwezig- en betrokkenheid zeer.
Dat vaders in die tijd in andere westerse landen – Duitsland, Engeland, Frankrijk, de Verenigde Staten – al uit de verloskamer verdwenen waren, komt omdat de medicalisering van de geboorte daar eerder en heviger inzette. De meeste vrouwen bevielen in het ziekenhuis, en in de verloskamer waren partners vaak niet welkom.
Ook in Nederland was tot in de jaren zestig, zeventig de bevallingskamer in het ziekenhuis verboden terrein voor partners – en zo eindigden ze ook hier op de gang. Maar omdat hier de meeste zwangeren toen toch nog thuis bevielen, had dat niet zo veel invloed op de samenstelling van het baargezelschap. In de bevallingsverhalen van begin 20ste eeuw komt naast de vroedvrouw en partner dan ook regelmatig een buur of familielid voorbij.
Zoals bij de bevalling van een Utrechts stel in het boek van Huistra, waar aan het begin van de 20ste eeuw naast de verloskundige Maurits Muller – die over de bevalling schrijft in zijn aantekeningen – ook een arts in opleiding, een kraamverzorger én ‘een of twee buren’ aanwezig is. Alle aanwezigen willen overigens dat de dronken vader de ruimte verlaat: tijdens de weeën speelt hij telkens op zijn accordeon omdat hij het gekreun niet kan aanhoren. Maar zo’n vaderlijke desinteresse, schrijft Huistra, zie je dus eigenlijk maar weinig.
Inmiddels is het percentage thuisbevallingen in Nederland gedaald naar 13 procent. Thuis, de plek waar in theorie iedereen bij kan zijn, en waar je het kunt inrichten zoals je wilt. In het ziekenhuis zijn partners tegenwoordig welkom, maar zeker niet alle gynaecologen staan te springen om een doula (iemand die de barende bijstaat), blijkt wel uit de kritiek die ze enkele jaren terug gaven in Nieuwsuur en NRC.
Dat barenden wél behoefte hebben aan een vertrouwd en vast gezicht, zie je juist aan de groeiende populariteit van diezelfde doula. Maar wat de barende wil, staat cru genoeg helemaal niet altijd centraal.
In de macabere Amerikaanse televisieserie Dead Ringers (2023) probeert de tweeling Mantle utopische geboortezorg voor iedereen te creëren, een waarin niet winst maar de barende de hoofdrol speelt.
Dat ziet er zo uit: zwangeren die gaan bevallen, gaan niet naar het ziekenhuis (ze zijn zwanger, niet ziek), maar naar een bevalcentrum. Iedere barende heeft haar eigen organisch ingerichte ‘baarmoederkamer’; zacht rozerood licht, op grote beeldschermen wordt een veld met sneeuwklokjes of ander natuurlijk landschap afgebeeld, geluiden van tropische oerwouden.
Er is geen medisch professional aanwezig in de kamer, niemand loopt onnodig in en uit, de gynaecoloog spreekt de barenden toe vanuit een centrale kamer (een beetje het idee van de gevangenis waar maar één cipier in het midden nodig is).
De Mantles ‘betalen’ de investeerder van dit niet-commerciële bevalcentrum terug met een ‘wetenschappelijk experiment’: een van hen laat een foetus buiten de baarmoeder groeien.
In die utopische verloskamertjes zie ik trouwens ook enkel zwangeren met alleen hun partner. De Mantle-tweeling heeft geprobeerd een niet-kapitalistische wenswereld te creëren, maar het gaat wederom om materiaal in plaats van mensen. En ook al vinden de baringen fysiek dicht op elkaar plaats – de kamertjes liggen naast elkaar – het heeft alsnog iets eenzaams.
De utopie blijft binnen de kaders van het individualisme, waarin bevallen en kramen iets is dat je ‘alleen’ doet en waarin je als vrouw wel moet weten wat je moet doen.
Het voelt als een uitvergroting van wat hedendaagse, neoliberale momfluencers prediken: je moet bevallen als een individu. Je moet je eigen plan maken, en vooral op jezelf en je oerinstinct vertrouwen, in plaats van op je omgeving.
Als je dat instinct hebt, is dat natuurlijk helemaal heerlijk, en bevalplannen moeten worden aangemoedigd, maar dat die überhaupt nodig zijn, zegt eigenlijk al genoeg. De huidige bevalcultuur werpt ons terug op onszelf. Het zachte licht van een zoutlamp moet een gevoel van veiligheid creëren, in plaats van mensen die je al je hele leven kent. Een bevalling wordt in de neoliberale samenleving dan ook eerder als een ervaring verkocht, dan als een rite de passage.
We zouden daarom de leus ‘Baas in eigen buik’ niet moeten interpreteren als een liberale vraag naar autonomie en keuzevrijheid, schrijft Van der Waal in Baas in eigen buik, maar als het revolutionaire verlangen om maatschappelijke structuren te veranderen.
Het baren voelt minder individualistisch bij Takiko Odaka, de 19-jarige zwangere in de roman Een vrouw rent over een berg (1980, in het Nederlands vertaald in 2023) van Yūko Tsushima. Takiko is zwanger na een korte affaire met een getrouwde man en haar thuissituatie is allesbehalve vrolijk: vader gewelddadig, moeder gemeen.
Als Takiko’s weeën beginnen, wandelt ze op een hete augustusochtend alleen door Tokio naar de kraamkliniek. Op de bevalafdeling van de kliniek liggen vrouwen uit alle lagen van de samenleving samen met hun baby’s op een zaal: ‘Met zijn hoge plafond had hij iets weg van een collegezaal. Er stonden bijna dertig bedden. Baby’s huilden door elkaar heen. Aan de voet van elk bed stond een ledikantje voor de baby. (...) Vrouwen die sliepen, vrouwen die hun baby de borst gaven, vrouwen die manga’s lazen – in die verfrissende koelte lagen al die vrouwen elk op hun eigen manier de tijd door te komen.’
Takiko is hier alleen, maar voelt zich niet eenzaam. Ook de eerste dagen blijven de kersverse moeders en baby’s hier samen liggen (wat ik niet wil idealiseren).
Het baren en kramen is hier een gemeenschappelijke gebeurtenis, maar vindt net als in Dead Ringers plaats op een afgesloten plek: achter de voordeur van het ziekenhuis.
De ironie is: wij als toeschouwers zien vrouwen (soms) baren in films en literatuur, maar het baren vindt maar weinig plaats ín de samenleving.
Bijna niemand ziet of hoort diens tante of overbuurvrouw nog bevallen; de geboorte is een fase van afzondering. De gordijnen worden dichtgetrokken, de baby achteraf gepresenteerd.
Twee jaar geleden beviel mijn bovenbuurvrouw thuis. Een paar uur lang hoorde ik in het trappenhuis het intieme geluid van haar gekreun en gesteun. Het was betoverend: ik deed mijn belastingaangifte en tegelijkertijd hoorde ik op de gang een mens geboren worden. Het baren vond midden in het leven plaats. En hoewel ik haar niet zo goed kende, zat ik meteen de dag erna op haar kraambed naar haar bevallingsverhaal te luisteren.
Ik was oorgetuige geweest van het meest intense moment van haar leven. Het schiep een band; een gemeenschap.
Ik ben Martha uit het hartverscheurende Pieces of a Woman (2020) nooit vergeten. De film begint met een desastreuze thuisbevalling – een scène van twintig minuten, in één shot opgenomen. Aanwezig zijn haar man Sean en de verloskundige. De baring verloopt vlekkeloos, totdat het geboren kindje dat eerst nog huilt, daar plots mee stopt.
De rest van de film gaat over rouw, en hoe Martha langzaam gescheiden raakt van Sean en haar moeder, die de vroedvrouw tegen Martha’s wil aanklaagt. Sean verliest zichzelf zichtbaar in zijn rouw, bij Martha is het verdriet ingetogener: zij begint met het kiemen van appelzaadjes om de geur te kunnen ruiken van haar dochter die maar een paar minuten leefde. Ze wil de meervoudigheid weer ervaren; de meervoudigheid van zwanger zijn en baren – het tegenovergestelde van hoe individualistisch (en egocentrisch) haar omgeving handelt.
Wat uiteindelijk het meest schuurt is dit: Martha en Sean komen niet tot een gedeeld verhaal. Over wiens schuld het is. Over hoe de baring verliep. Ze waren samen aanwezig, maar missen een perspectief van buitenaf. Het enige alternatieve verhaal is dat van Martha’s moeder, die zich schaamt omdat Martha niet koos voor een ziekenhuisbevalling én achteraf niet voor zichzelf opkomt in de rechtszaak.
Terwijl: die moeder was er helemaal niet bij.
Was Martha’s rouwproces anders verlopen als er meerdere oog- en oorgetuigen bij haar bevalling waren geweest? Wij, toeschouwers op onze veilige bank, hebben namelijk gezien dat de vroedvrouw geen schuld heeft.
Het zijn de getuigen die vaker missen bij de (heteronormatieve) romantische relatie in een individualistische samenleving. Het geluk én het ongeluk vindt plaats achter gesloten voordeuren, en intimiteit horen we maar met één iemand te ervaren. De intimiteit van seks, maar ook van kinderen opvoeden, van ruzie maken, en ook van baren.
Individualistisch samenwonen levert naast intimiteit veel huiselijk geweld op, weten we uit cijfers, en het gevaar van afzondering geldt net zo goed voor het baren. Mensen die ons zien of horen, bieden troost en plezier, maar ook veiligheid.
Dat wordt pijnlijk duidelijk voor Rachel Fleishman uit Fleishman Is In Trouble – de televisieserie uit 2022 naar de gelijknamige roman van Taffy Brodesser-Akner. Ik keek naar haar op mijn beeldscherm, ben ook haar nooit vergeten, maar ze had échte toeschouwers nodig gehad. Troost, plezier én veiligheid.
Zes van de acht afleveringen volgen we Toby Fleishman, van wie Rachel recent is gescheiden. Hij is een wat klungelige maag-darm-leverarts uit Manhattan, die door Rachel vervolgens ‘zomaar’ wordt achtergelaten met hun twee kinderen.
Pas in aflevering zeven, als we als kijker al overtuigd zijn wat voor harde en koude vrouw Rachel is, zien we wat haar tot haar vlucht heeft gebracht. ‘Iets’ tijdens haar eerste bevalling, wat haar langzaam opvreet in de jaren erna. In het ziekenhuis is Toby even naar buiten als de gynaecoloog aandringt op een inwendig onderzoek.
Rachel ligt alleen op een kamer. Ze wil eigenlijk niet, stemt uiteindelijk toch toe, en dan meet de arts niet alleen haar ontsluiting, maar prikt hij ongevraagd ook haar vliezen door.
Ze schreeuwt het uit van de pijn. Vertelt Toby nooit over ‘de verkrachting’, uit schaamte. Ook niet als ze in de maanden daarna bijna uit elkaar knapt van een postnatale depressie. Wat ze wel doet: ze distantieert zich van zichzelf.
Wat Rachel meemaakte, heet ‘obstetrisch geweld’: institutioneel geweld dat zich afspeelt in de geboortezorg. In Baas in eigen buik omschrijft Van der Waal dit als ‘verschillende vormen van grensoverschrijdend gedrag dat tijdens zwangerschap, de baring of het kraambed plaatsvindt’. Dat gaat van microagressie (grappen maken over geboorteplannen, vijandigheid tegenover doula’s, het aanraken van zwangeren zonder toestemming) tot ernstiger grensoverschrijdend gedrag (het trekken van de dodebabykaart, pijn belachelijk maken, aandringen op interventies) tot ernstig fysiek geweld: gedwongen of ongevraagde interventies zoals een knip, inwendig onderzoek of keizersnede.
De tevredenheid van Nederlanders over de geboortezorg is groot, toch krijgt één op de twee zwangeren te maken met een vorm van grensoverschrijdend gedrag – en die kans wordt groter als je een migratieachtergrond hebt. Net als in andere landen komt obstetrisch geweld in Nederland tot wel twee keer zo vaak voor bij mensen met een niet-westerse migratieachtergrond.
En mensen die hier asiel aanvragen, hebben twee tot zeven keer meer kans op babysterfte; moedersterfte in een azc ligt wel tien keer hoger dan het Nederlandse gemiddelde. Het meemaken van obstetrisch geweld kan zorgen voor een postnatale depressie of levenslange onzekerheid.
Wat Van der Waal tegenover obstetrisch geweld zet is ‘reproductieve rechtvaardigheid’: het recht om wel of geen kinderen te krijgen, en het recht om de kinderen die we krijgen in veiligheid en waardigheid op te voeden en te baren. Die reproductieve rechtvaardigheid kan volgens haar alleen mogelijk worden gemaakt door het creëren van relationele zorggemeenschappen; een vorm van radicale zorg die de wereld bij haar wortels verandert. Deze gemeenschappen gaan obstetrisch geweld tegen en zorgen dat we onze buik weer ‘eigen’ kunnen maken – ook tijdens onze baring.
Wat als Rachel zo’n gemeenschap had gehad? Of wat als haar tante, zus of goede vriendin ook in die bevalkamer waren geweest? Dan was niet alleen Rachel, maar ook Toby, veel ellende bespaard gebleven.
De meeste mensen waren verbaasd of moesten lachen als ik ze vertelde dat ik mijn moeder ook had uitgenodigd voor mijn bevalling. Omdat ze zich absoluut niet konden voorstellen dat hun eigen (of mijn) moeder erbij aanwezig zou zijn.
Maar ook: wat deed ik mijn vriend aan? Hoe durfde ik hem zo van zijn troon te stoten?
Als Natalie ‘Sugar’ Berzatto uit The Bear (2022) iemand absoluut níét bij haar bevalling wil, is het haar moeder wel. Met wie ze een problematische relatie heeft sinds haar – op z’n zachtst gezegd – chaotische jeugd. Natalie belt Donna Berzatto alleen omdat het een noodgeval is. De rest van haar (gekozen) familie werkt in hun restaurant, haar vriend en vader van hun ongeboren baby, zit nog in het vliegtuig onderweg naar huis.
En dus komt haar moeder. Het begint met geruzie en geschreeuw op het parkeerterrein, het eindigt met gezamenlijk door weeën puffen en een emotioneel en ontwapend gesprek. Voor het eerst confronteert Natalie haar moeder met wat ze als kind heeft gemist, en wat ze niet wil voor haar eigen dochter.
De bevalling betekent een kantelpunt in hun relatie. Vanaf nu neemt Donna verantwoording voor haar tekortkomingen als moeder. Als Natalies partner op het laatste moment toch nog de ziekenhuiskamer binnenstormt, verdwijnt Donna zonder morren naar de gang – terwijl we haar de hele serie stampij hebben zien maken om zichzelf tot schreeuwend en rokend middelpunt te verheffen.
Mijn moeder trok aan mijn linkerbeen, mijn vriend aan mijn rechter, en zo werd ons tweede kind geboren. De hele baring hadden die twee samengewerkt. De een pompte het bevalbad op terwijl ik kneep in haar handen, de ander maakte soep terwijl ik aan zijn nek hing.
Later zal mijn vriend zeggen dat het de beste dag van zijn leven was; hoe hij onderdeel was van dit team bestaand uit alleen vrouwen. Hij was niet in zijn eentje verantwoordelijk geweest voor mij, denk ik.
‘Wat is ze knap!’, roept mijn moeder verwonderd uit als de kersverse baby op mijn buik wordt gelegd. Ik bekijk het filmpje van dit moment de dagen na de geboorte opnieuw en opnieuw. Een slaapkamer vol zorgzame mensen, precies zoals ik het wilde.
‘Nooit meer’, zegt mijn moeder meteen daarna troostend, ‘je hoeft het nu nóóit meer te doen.’ Was dat anders geweest, had ik het wél nog een keer willen doen, dan had ik misschien nog meer mensen uitgenodigd.
Daan Borrel is schrijver. Haar roman De dragers werd vorig jaar genomineerd voor de Libris Literatuurprijs.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant