Home

Boven die idiote rijstkorrels en linzen is er geen ontsnappen aan

Performancekunst In Museum Voorlinden telt NRC-redacteur Carola Houtekamer linzen voor kunstenaar Marina Abramovic. „Het huilen kan me langzamerhand niks meer schelen.”

NRC-redacteur Carola Houtekamer in de perfomance Counting the rice van Marina Abramavic in Museum Voorlinden.

Ik zie de bui al hangen, daar boven die tafel achter dat hoge raam.

Ik ga voor NRC een uur lang rijst tellen in Museum Voorlinden in de installatie van de Servische ster-performancekunstenaar Marina Abramovic, inmiddels 79 jaar oud. Ik had ja gezegd toen een chef het vroeg, leuk, weer eens wat anders. Er was een tijdslot van een uur vrijgevallen in het tot juni volgeboekte schema. Het kon nu, het moest nu, ik kon het net halen als ik op tijd met m’n autootje vertrok.

Het ging er bij dit kunstwerk om de aandacht naar binnen te brengen, had ik gauwig op de website van het museum gelezen. Om innerlijke kalmte, focus en zelfbeheersing te vinden, en om in het hier en nu te leven. Counting the rice, dat na tien jaar omzwerven was neergestreken in Wassenaar, paste daarom goed in de collectietentoonstelling Stilte in de storm.

Prima, gaan we doen, volgende week af.

Maar ik ben ergens tussen de parkeerplaats en de garderobe in verzet geraakt. Ik vind dit hele kunstwerk, nu ik dichterbij kom, bij nader inzien een slap aftreksel van de kunst die Abramovic vroeger maakte. Schreeuwende, naakte, bloederige kunst. Slapen met een skelet op je blote lijf, bezoekers aan het huilen staren of ze dwingen zich tussen uitgeklede mensen door te persen. Of haar beruchte werk, Rhythm 0, waarin ze het publiek uitnodigde om met haar te doen wat het wilde, om binnen zes uur te eindigen met snijwonden in haar hals en iemand die een kogel door haar hoofd wilde jagen.

Rijst tellen om innerlijke kalmte te vinden is bedaard, het is nuffig, het is iets wat je in een mindfulness-cursus doet die je gratis wordt aangeboden door je werkgever. Ik zie mezelf in een parade van smaakvol geklede, zelfbewuste vrouwen, die met een aandachtige blik en een verzaligde glimlach rijstkorreltjes oppakken, gatverdamme.

Deelnemers aan de performance moeten een uur lang linzen of rijst tellen met een witte laboratoriumjas aan en een noise cancelling headphone op voor maximale concentratie.

Ik denk nog veel meer. Ik erger me kapot. Wat is dit eigenlijk voor uiting van een overvoerde beschaving over z’n hoogtepunt? Een decadent, verwend kunstwerk. Ik denk: ik heb de zaterdagen van mijn jeugd doorgebracht aan de sorteerband in het appelteeltbedrijf van m’n oom. Ik denk: vraag de garnalenpellers en sweatshop-naaisters op deze aarde eens of ze in het hier en nu leven, of ze innerlijk kalm zijn? Misschien moet ik daar een hard en snedig stuk over schrijven. Gelukkig heeft de fotograaf die een paar jaar geleden de hel van Kabul is ontvlucht, afgebeld, je kunt bij zo’n man toch niet aankomen met een stapeltje rijstkorrels in een toonzaal.

Maar ik weet ook wel waar dit verzet vandaan komt.

Er is twee dagen geleden iets vreselijks gebeurd in de klas van mijn zoon, iets met een ongewisse uitkomst, iets waar de ouders van de halve stad al twee nachten van wakker liggen terwijl hun kinderen in ontkenning doorleven. En nu ik hier in de hal van het museum sta, moe en onthutst, staan er ineens ook allemaal andere sombere gedachten in een rij op me te wachten. Ik heb helemaal geen zin om rijst te tellen. Ik kan helemaal geen rijst gaan tellen.

Niet aanstellen

Niet piepen, ik heb m’n zoon vanochtend ook naar school gestuurd. Ik krijg een witte laboratoriumjas aan en een modieuze noise cancelling headphone op voor maximale concentratie. De invalfotograaf, op de valreep ingevlogen, pakt z’n spullen uit. Ik neem plaats achter de speciaal door architect Daniel Libeskind ontworpen geometrische betonnen teltafel – er zijn er dertig van in musea en galerieën wereldwijd – met uitzicht op de bomen van het landgoed. Het advies is om daar niet naar te kijken, maar je te concentreren op de taak, zegt de jonge, ernstige suppoost die erbij zal blijven. Het kan zijn dat je emoties ervaart. Ja ja, mompel ik, een uurtje red ik wel, gaat me lukken, ik ben een volwassen vrouw.

Voor me ligt een hoopje witte rijstkorrels en bruine linzen. Ergerlijk, het kunstwerk heet toch ‘rijst tellen’? Ik doe die linzen wel, die pak ik makkelijker tussen m’n vingers dan die flutterige rijstkorrels. Ik leg ze op een rijtje en turf ze af, zoals ik op het promotiefilmpje op de site heb gezien.

De fotograaf cirkelt om me heen en zoomt op me in, zo kan hij mooi het strijklicht meepakken. Irritant. Ik ben wiebelig, dat voel ik ook wel, maar ik kan niet hier als labiele vrouw gaan zitten. Een labiele vrouw is nog erger dan een zelfbewuste vrouw met een verzaligde glimlach.

Nog een rijtje. Het museum is vanmiddag uitgestorven. De suppoost is van z’n plek en de fotograaf maakt een ommetje. Alles is stil, zo stil. De zon staat rood en laag op de ramen, niets beweegt, ook de bomen niet.

Dat kind. Komt dat goed? En mijn kind? En de klas? Hoe moet dat nou verder?

Hè bah. Concentratie.

Ik zwerf in mijn hoofd naar m’n oma, honderd jaar oud, die we twee weken geleden uit haar Zeeuwse huis droegen. Ik denk aan de dominee die zich in het zwart voor de kist positioneerde en haar maar ternauwernood een passage naar het hemelse Jeruzalem gunde. Hij had het over roepstem en middelaar en lispelde dat-ie allemaal geheimen van ons wist, het was niet eens een grap. Dat had allemaal nog wel een eigen duistere poëzie, maar wat zeer doet zijn de breuklijnen in een familie, nergens zo scherp afgetekend als rond een graf.

Dit gaat niet goed.

Ik denk aan nutteloze aanvaringen. Ik denk aan gezeik op werk. Aan een collega die net in de rechtbank bij een misbruikzaak had gezeten en had geappt dat-ie er niet meer tegen kon. Ik denk aan het Jeugdjournaal gisteravond, waar ze ondergelopen tenten in Gaza lieten zien. Ik denk aan alle onvervulde verlangens in m’n hart en de pudding in m’n hoofd, en een berg onbegrijpelijk verdriet waar ik niet de juiste woorden voor kan vinden, en het onvermogen om er echt iets fatsoenlijks van te maken, van dit leven, iets helders en nobels.

All these things into positionAll these things we’ll one day swallow whole

Radiohead op repeat in m’n hoofd, depri shit dit, ik had beter moeten slapen. Ik wil naar buiten, maar de ernstige suppoost is weer terug, hij is zo aardig en hij neemt dit kunstwerk heel serieus. En halverwege weglopen nu ik aan het huilen ben geslagen is óók dramatisch en pathetisch, ik kan geen kant op. Ik sis mezelf toe. Niet aanstellen. Niet met een fotograaf erbij, zo theatraal, dat gaat toch niet, je bent een Zeeuw, goddomme, gereformeerd nog wel. Ik verstop m’n gezicht achter m’n arm voor de langslopende bezoekers. Ik durf m’n neus niet af te vegen aan de witte jas.

Je leeft met een gat in je hart, schreef de vaak sombere priester Henri Nouwen. De kunst is om er gepaste afstand van te houden. Niet wegrennen, niet erin vallen. Maar hier aan deze tafel met die idiote rijstkorrels en linzen doemt het ineens op, groot en massief, en er is geen ontsnappen aan. 

Het linzen tellen. De deelnemer legt ze op een rijtje en turft ze af.

Niets en iets

Ik haal nog maar een lins uit de berg waar inmiddels snot op is gedrupt. Wat is eigenlijk het enkelvoud van linzen? Lins? Linsje? Hoe kan ik nou 45 zijn en dat niet weten?

Oké. We moeten grip krijgen, we gaan volgorde aanbrengen. Dit linsje is voor die toestand op school. Dit linsje voor die ouders. Het is als een kaarsje aansteken: het is niets en het is iets.

Nu een rijtje voor die breuklijnen. Een rijtje voor vrienden met ongelukkige kinderen. Een rijtje voor alle warrige gedachten en gevoelens, mooi overzichtelijk naast elkaar. Voor de hele pestbende hier op aarde.

Dit gaat lekker. Het huilen kan me langzamerhand niks meer schelen. Wat maakt het uit, dit is toch wat moet van het kunstwerk? Hier betalen de bezoekers voor, waar voor hun geld. Eén loopt langs en neemt van dichtbij een foto met haar telefoon, welja, ik huil gewoon door, ik ben alles wat Abramovic van me wil aan haar betonnen designtafel in het strijklicht achter dit grote raam. Ik ben niet helemaal in het hier en nu, ik ben eerder in duizend stukjes uit elkaar, maar dat is ook ergens. Er is toch genoeg om over te huilen, de krant is het dagelijkse bewijs. Het is passend en terecht om te huilen, vaak en diep, iedereen zou het moeten doen, elke dag, en veel langer dan even volschieten van ontroering of een laagje frustratie van je af snikken. Gewoon, huilen, twintig, dertig, veertig minuten lang.

Bij een linsje voor m’n jongste, met z’n grote pretogen achter z’n plusbrilletje, klaart het vanbinnen een beetje op.

Ik kan misschien nog wel een passend citaat van een Franse filosoof over huilen vinden om het stuk wat cachet te geven, bedenk ik me nu. Of een Bijbeltekst, dat al onze tranen in een fles zijn opgevangen, dat rijmt mooi met die begrafenis en tilt de boel een beetje boven het particuliere, dat schrijft beter.

Na een uur veegt de suppoost de gesorteerde linzen en rijstkorrels terug op de hoop, ik moet vooral niet denken dat ik iets van betekenis heb gedaan. Een vrouwelijke bezoeker klampt me gretig aan. Is het écht zo intens? Ja nou, er was wel wat aan de hand in m’n leven deze week, zeg ik gauw, dat was het meer. Maar als ik naar buiten loop voelt het anders. Doorzichtiger.

Als de avond goed nieuws over de klas brengt is de sfeer aan tafel wild en uitgelaten. Wéér janken natuurlijk. Ach, zegt de puber vergoelijkend tegen z’n broertjes. „Ze is gewoon emo.”

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Cultuurgids

Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden

Source: NRC

Previous

Next