Home

Voor de democratie ben óók jij verantwoordelijk

Politiek Onverschilligheid speelt autocraten in de hand, ziet Daan Roovers. Om onze democratisch ingerichte samenleving overeind te houden, is het volgens haar essentieel dat alle burgers zich ermee bemoeien.

In zijn korte verhaal Franchise (1955) schetst de sciencefiction-schrijver Isaac Asimov een dystopisch beeld van de Amerikaanse verkiezingen in 2008. Door de snelle ontwikkeling van computertechnologie zijn verkiezingscampagnes overbodig geworden. Een supercomputer, Multivac, kan op basis van enorme hoeveelheden kiezersdata de uitslag nauwkeurig voorspellen, waardoor verkiezingen efficiënter en goedkoper zijn.

Daan Roovers is filosoof, was Denker des Vaderlands en zit namens GroenLinks-PvdA in de Eerste Kamer.

Multivac beschikt over uitgebreide informatie over iedere burger, zoals leeftijd, beroep en politieke voorkeur. Toch blijft één element onvoorspelbaar: de publieke opinie. Daarom kiest de computer elk verkiezingsjaar één willekeurige burger als ‘vertegenwoordiger van het volk’. In dit verhaal is dat Norman Muller, een winkelbediende uit Indiana.

Nadat hij vlak voor de verkiezingen is aangewezen, wordt Norman op verkiezingsdag een paar uur opgesloten om allerlei alledaagse vragen te beantwoorden (zoals: wat vindt u van de prijs van eieren?). Op basis van al die antwoorden berekent Multivac verder geheel zelfstandig de uitslag. Daarna zijn de verkiezingen voorbij, en kan het land tevreden concluderen: ‘De kiezer heeft gesproken.’

Tijdens de recente verkiezingen moest ik regelmatig denken aan de Multivac van Asimov. Het dagelijkse nieuws werd zo gedomineerd door opiniepeilingen dat ik soms de indruk kreeg dat zij de uitslag van de verkiezingen zouden bepalen, en daarmee de toekomst van het land. Bovendien viel door de nadruk op die peilingen ook op dat de parlementaire verslaggeving in toenemende mate begint te lijken op een vorm van sportjournalistiek. Wie neemt de koppositie? Wie is de runner-up? Wie zet de aanval in? In dit dominante horse-race-frame wordt politieke strijd voorgesteld als een wedstrijd, als een spel dat je kunt winnen of verliezen.

Radicale wending

Mede dankzij het werk van Nederlands beroemdste historicus, Johan Huizinga, is het gangbaar geworden om de politiek te typeren als een ‘spel’. In zijn Homo Ludens (1938) beschrijft hij het spel als de grondslag van onze cultuur, en ook van de politiek. Opmerkelijk, want tot die tijd stond Huizinga niet bekend vanwege zijn politieke theorieën. Hij leek er, zeker in de eerste helft van zijn leven, geen overdreven belangstelling voor te hebben.

Maar in de jaren dertig van de vorige eeuw, met de opkomst van de nationaalsocialisten – vanaf 1935 ook in het Nederlandse parlement – nam zijn denken een radicale wending. Homo Ludens verscheen te midden van die extreem gespannen politieke situatie van de jaren dertig. Hoe kon iemand die met zijn werk de ambitie had om de democratie te verdedigen, op de proppen komen met een, op het eerste gezicht, licht en bijna triviaal beeld van politiek als spel?

Het misverstand is dat wij bij spel al snel denken aan ‘een spelletje’, een wedstrijd. Een game. Zeker in combinatie met politiek. Mij heeft dat beeld altijd gestoord, iets dat alleen maar sterker is geworden sinds ik vanaf juni 2023 deel uitmaak van de Eerste Kamer en dichter op het politieke handwerk zit. Het trivialiseert de realiteit onnodig en het doet onrecht aan de trage en serieuze praktijk die politiek in essentie is. Dat er in de marge ook trucjes uitgehaald worden om gelijk te krijgen, je gelijk te halen of je opponent te slim af te zijn, dat zal best. Maar dat is niet de kern, en krijgt naar mijn smaak onevenredig veel aandacht. Voor zover de typering politiek als spel daaraan bijdraagt, vind ik die beschrijving eerder hinderlijk, dan behulpzaam.

Maar Huizinga bedoelt met spel niet a game, ‘een spelletje’. Hij geeft een veelomvattender interpretatie aan het begrip ‘spel’: a play. Een opvoering. Een cruciaal verschil, met verstrekkende consequenties voor de betekenis en het belang van het spel. Spel als game komt in de Engelse vertaling van Homo ludens wel voor, maar slechts als element, een deelverzameling van het veelomvattender begrip play. Zo zijn de verkiezingen a game. Maar daarna, in de jaren daarop, volgt the play.

Het spel gaat om de vormgeving van een ideologische strijd. Daarbij draait het niet om de verabsolutering van het eigen mandaat en de eigen positie (‘L’état, c’est moi’ of de Nederlandse variant daarop ‘ik ben beleid’) maar om zelfopgelegde conventies, de regels waarmee je een eerlijk en gelijk speelveld in stand houdt, en de respectvolle behandeling van je opponent. Voor Huizinga was dit buitengewoon belangrijk. Hij verdedigde de cultuur van de democratie en het parlementarisme boven partijdigheid. Wat verdedigd moest worden was niet deze of gene politieke opvatting, het parlement zélf en zijn werking behoefden verdediging.

Met de kennis van nu was die stellingname akelig juist.

Huizinga verwijt de politici van zijn tijd puerilisme, het blijven hangen in een permanente puberteit. Dat blijkt uit, zo schreef hij een paar jaar vóór Homo Ludens in In de schaduwen van morgen (1935), „het telkens weer laten vallen van kabinetten op basis van een gezocht conflict en van partij-intrige”. Herkenbaar, nog altijd.

Die kinderachtigheid zag hij niet alleen bij politici, maar ook bij de burgers. Hij zag hoe de technologische vooruitgang de mens steeds ongeduldiger, egocentrischer en veeleisender maakte: „Hij kan reizen per vliegtuig, spreken met mensen op een ander halfrond, een snack uit de automaat halen en via de radio een ander werelddeel bij zich in huis halen. […] Is het vreemd dat hij zich daarmee als een kind gedraagt?”, schreef hij in In de schaduwen van morgen.

Hoewel we ons dankzij de radio beter kunnen informeren dan ooit tevoren, stelt Huizinga in de jaren dertig, maakt die kennis ons niet wijs. Het woord is aan inflatie onderhevig; er gaat zoveel informatie rond, stelt Huizinga, dat de berichtgeving in waarde vermindert.

Toenemende onverschilligheid

De kracht van de democratie staat of valt met de voortdurende betrokkenheid van haar kritische burgers, die juist het woord en het publieke gesprek serieus nemen. „Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het”, opent Huizinga In de schaduwen van morgen, waarin hij wijst op de gevaren van propaganda en op een toenemende onverschilligheid voor de waarheid die het kritisch vermogen van de samenleving ondermijnt.

Hannah Arendt schreef in Totalitarisme (1951) over dezelfde periode iets soortgelijks: „De ideale onderdaan van een totalitaire heerschappij is niet de overtuigde nazi noch de overtuigde communist, maar de mens voor wie het onderscheid tussen feit en fictie […] en het onderscheid tussen waar en onwaar […] niet langer bestaan.”

Een democratie stelt, zoals Huizinga en Arendt beweren, hoge eisen aan haar burgers. Het is een samenlevingsvorm die verder reikt dan eens in de vier jaar een keuze maken in het stemhokje. Je kunt de verantwoordelijkheid voor de inrichting van de samenleving niet uitbesteden. Niet aan politici, en al helemaal niet aan een machine genaamd Multivac.

Het outsourcen van de democratie aan een groepje professionals maakt een samenleving kwetsbaar; al haar inwoners moeten juist actief deelnemen aan de democratie. Het woord is daarbij ons belangrijkste instrument: het voortdurende gesprek over zaken die van publiek belang zijn (het woord parlement komt niet toevallig van het Franse parler: praten).

In navolging van Huizinga en Arendt zou ik alle burgers willen zeggen: denk mee en praat mee. Dat kan ook zijn in de buurtvereniging, op school, tijdens een demonstratie of in een burgerberaad. De vve, de oudervereniging, de ondernemingsraad, dat zijn allemaal vormen van politiek, zoals Arendt dat voor zich zag.

Meepraten over het vormgeven van de toekomst, laat dat niet alleen aan anderen over. De wedstrijd is na de verkiezingen misschien voorbij, maar het spel begint dan pas.

Source: NRC

Previous

Next