Home

In dit kleine Parijse café leeft, op zondagavond althans, het bohemien dorpsgevoel van het Montmartre van weleer

Waar lopen de correspondenten van de Volkskrant tegenaan in hun dagelijkse leven? Vandaag: Eline Huisman ontdekt het ultieme recept om de zondagsblues te verdrinken.

is correspondent Frankrijk van de Volkskrant. Ze woont in Parijs.

Hoe een volk dat uitblinkt in somberen ooit zo’n grandioze natie heeft voortgebracht als Frankrijk? Een ironisch dilemma gevat in een oprechte vraag, geuit door een Fransman nota bene. We zaten in de auto, zoals bekend een uitstekende uitvalsbasis voor dit type vraagstukken.

Spoiler: de kwestie wordt in dit stukje niet opgelost. Wel beloof ik een uitstekend recept tegen somberen, en dan specifiek het somberen op zondagavond, een fenomeen dat in de donkere dagen net wat luidruchtiger op de deur klopt. En laat het tegengif nou net Franse glorie in vol ornaat zijn.

U moet er wel voor naar Parijs, in principe. Om precies te zijn: naar Montmartre. Eenmaal ter plaatse zoekt u het allerkleinste café in de Rue Joseph de Maistre. Als het lukt om binnen te komen, bent u op tijd. Als er nog een zitplaats is, bent u ruim voor zes uur ’s avonds binnengelopen. Maar zitten is niet van belang. Waar het om gaat, is opgenomen worden in de massa.

Een kleine waarschuwing vooraf is wel op z’n plaats. Wie deze maand een ‘draij’ doet, zoals dry january in de Franse volksmond heet, is hier niet aan het juiste adres. Danielle, de 70-jarige uitbater van het café, regeert hier met strakke hand. Geld moet rollen, wijn moet stromen, en nieuwkomers worden strikt opgevoed. ‘Faut consommer’, kreeg ik de eerste keer al halverwege mijn eerste glas te horen – je moet consumeren. Merkwaardig onfrans, maar dat zij haar vergeven.

Want de zondagavond is hier al decennialang een fenomeen. Dat begint met de plek zelf: een smal, diep café, met rode bar en dito lampenkappen, en het menu handgeschreven op muren van spiegels. Bezoekers krijgen pinda’s geserveerd op witte schoteltjes, en naturelchips uit een merkloze zak in familieformaat. Danielle zelf is steevast onberispelijk gekleed, formule parelketting en colbert, haar geblondeerde korte haar in volumineuze boogjes rond het hoofd geföhnd. En dan moet het ware spektakel nog beginnen.

Montmartre was ooit een zelfstandig dorp, een vluchtheuvel voor bohemiens, waar Édith Piaf kwam zingen, Pablo Picasso schilderen en Vincent van Gogh een hele serie werken maakte over wat nu het achttiende arrondissement is van Parijs. De cafés waren een belangrijke sociale ontmoetingsplaats, en dat saamhorige dorpsgevoel leeft in het kleine café nog steeds.

En zeker op de zondagavond, die draait om een muzikaal duo waarvan ik lang dacht dat het een kleinzoon en oma betrof. Zij, France Fannell, is een dame uit de generatie van eigenaresse Danielle. Hij, Sylvain Binetti, een soort Franse George Michael in wifebeater en met fors zilveren kruis om de nek. Iedere zondagavond voegen ze zich samen tussen het publiek, microfoon in de hand, en nemen ze het stampvolle café mee in een nostalgische reis langs Franse chansons.

Het zijn de klassiekers onder de klassiekers, van Piafs Padam… Padam… naar La Bohème van Charles Aznavour, via Serge Gainsbourg naar Jacques Brel, en zelfs het Aux Champs Élysées dat ook voor de toeristen ter plaatse een gemakkelijke instapper is. En hoezeer dit ook moge klinken als een tourist trap, de Fransen zijn er doorgaans veruit in de meerderheid. Als het een toeristenval is, dan toch een waar je met twee benen in wilt springen.

Tegen tien uur, als men schor (en, risicowaarschuwing: aangeschoten) dreigt te worden, grijpt Sylvain de theedoek van zijn schouder, doopt hem in het water, en wringt hem dramatisch uit boven zijn bezwete lijf. Het signaal dat de avond ten einde loopt. De zondagsblues zijn verdronken, wat rest is de weg huiswaarts. En een mild risico op maandagochtendblues.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next