Wilde dieren Na een confrontatie met een beer vraagt Renske Jonkman zich af: zijn we nog wel in staat tot samenleven met een roofdier, en hoe zetten we eigenlijk onze zintuigen in?
Op een warme, stralende ochtend liep ik samen met mijn drie dochters over een verlaten camperterrein, aan de voet van de Canadese Rocky Mountains. De dag ervoor hadden we urenlang met een gehuurde, rammelende camper de Cowboy Trail gevolgd – zo’n weg waar John Wayne elk moment voorbij kon galopperen over de glooiende, steppeachtige graslanden.
Dag twee van onze roadtrip. We waren op zoek naar van die schattige grondeekhoorntjes, die mijn man even daarvoor nog had gezien, en we liepen een open veld op, nét buiten de camping. Toen ik opzijkeek stond een beer pal naast ons. Op een steenworp afstand scharrelde hij tussen het kreupelhout en de bessenstruiken. Hij hief kort zijn kop op als teken dat hij ons ook had gezien. In een reflex greep ik mijn jongste dochter van zes beet bij haar bovenarm (zou zij gaan gillen en rennen dan waren we verloren), en met een vreemde, mechanische stem zei ik: „Daar zit een beer.” Nu keken alle drie mijn dochters op. In plaats van op de vlucht te slaan, dirigeerde ik ze rustig te blijven en liepen we kalm en in stilte het veld af, alsof we na een vroege zondagochtendmis in gedachten verzonken de kerk verlieten, alsof er geen enorme zwarte beer vlakbij stond, zijn rug rechtte en ons nauwlettend in de gaten hield.
Achteraf gezien denk ik dat deze reactie ons heeft gered. Door te doen alsof we niet warm of koud werden van zijn aanwezigheid, geen menselijk slachtoffer waren, vormden we in zijn ogen vermoedelijk geen bedreiging (een tactiek die ik overigens had opgedaan na een rondje Google in de nacht ervoor: ‘Wat moet je doen als je een beer tegenkomt?’). Na het voorval zei de jongste: „De ogen van de beer glinsterden zo mooi.” We waren gewoon goed weggekomen.
Maar het omgekeerde gebeurde. Weliswaar was ik aan de beer ontkomen, maar hij bleef me achtervolgen. Hij drong mijn onderbewuste binnen en besloop me via mijn dromen – flitsen van schaduwen – terwijl ik hem door de gangen van ons huis zag lopen. Dat patroon van achtervolging zette zich in het daglicht voort. Wandelend op mijn plattelandsbenen door de Canadese wildernis klonk het onheilspellende knakken van twijgen en takken, bewogen schimmen tussen de bomen, wezen de verse sporen in het zand op maar één schuldige. Enigszins overprikkeld van de natuur draaiden mijn zintuigen overuren. De nabijheid van een roofdier? Ik was onervaren. Onbeholpen.
Wie opgroeit in de aangeharkte Hollandse polder heeft van wilde dieren weinig te vrezen. Maar dat verandert. Wereldwijd zijn de populaties wilde dieren in de laatste vijftig jaar met twee derde afgenomen, in Europa maken sommige soorten juist een spectaculaire comeback. Nu de Europese Commissie zich tot doel heeft gesteld dat tegen 2030 30 procent van alle ecosystemen hersteld moet zijn (oplopend tot 90 procent in 2050), keren konikpaarden, beren, lynxen, bizons en wolven terug.
Ook non-profitorganisatie Rewilding Europe, die gedeeltelijk ontsproot aan Nederlandse bodem, pleit voor het ‘herwilderen’ van onze natuur. Mede dankzij deze organisatie zijn in de herwilderingsgebieden – in twaalf Europese landen – de aantallen grote roofdieren gestegen. In landen als Spanje, Italië en Slovenië leven inmiddels zo’n 20.500 beren, een toename van 17 procent sinds 2016. Het aantal roedels wolven steeg met 35 procent en er kwamen bijna 50 procent meer jakhalzen bij.
Het gevolg van dit ‘verwilderen’ is dat de mens (die natuurlijk ook een dier is) en het dier in het wild elkaar steeds vaker ontmoeten, zoals in Nederland wolven als de onlangs afgeschoten ‘probleemwolf’ Bram, en beren in Spanje en Italië. In Europa zijn maar weinig gebieden waar géén mensen wonen. In de Roemeense Karpaten waar inmiddels duizenden beren leven, zijn jaarlijks tientallen incidenten door voedseltekort en krimpende leefgebieden, in een enkel geval met dodelijke afloop. In Canadese en Amerikaanse nationale parken zijn dodelijke aanvallen juist uiterst zeldzaam – die parken zijn groot en afgelegen. Bovendien zijn beren van nature schuw.
Tegelijk met de verstedelijking (de voorspelling is dat in 2050 bijna 70 procent van de wereldbevolking in stedelijke omgeving woont) groeit ook ons verlangen naar échte, ongerepte natuur. Met klimaatproblemen en de afname van de biodiversiteit als katalysator. Noem het een tegenreactie op het versteende woud dat ons omringt, de rotondes van beton, zodat we in ons diepste wezen willen terugkeren naar ‘de nobele wilde’, zoals Rousseau dat noemde. Ook ik voel een verlangen naar de ongerepte wildernis, zonder het lawaai en verkeer, zonder beton, stroomkabels en windmolens en geasfalteerde wegen, zonder de voortdurende aanwezigheid van een ander mens.
Toegeven aan de lokroep van de wildernis komt neer op het herprogrammeren van de zintuigen. In de Canadese bossen, tussen de zwarte- en grizzlyberen, wolven, lynxen, bizons en elanden, nam mijn waarnemingsvermogen toe. Mijn amygdala – een amandelvormig hersengebied dat de oerinstinctieve vecht-of-vluchtreactie stuurt – was duidelijk geactiveerd. Met de schrik nog in de benen van de confrontatie op dag twee bleef ik op mijn hoede en op het vermoeiende af scande ik mijn omgeving in een ondoordringbaar woud van esdoorns, sparren en eiken. Het ergste waren de smalle paden tussen hoog opgeschoten bessenstruiken, waarbij je zicht niet verder reikte dan een paar meter, waarna het bereiken van een open vlakte als een ware opluchting voelde. Eindelijk uitzicht!
Van opperdier was ik ineens gedegradeerd tot prooidier. ’s Avonds een kampvuur maken was niet alleen ‘gezellig’ maar een noodzakelijk kwaad om ongewenste bezoekers op afstand te houden, zoals de coyotes die we kilometers verderop in een vals gestemd orkest hoorden huilen. Ik raakte geïrriteerd door het gebulder van de rivier, simpelweg omdat het alle andere geluiden overstemde, en mijn subtiele gehoor achteruitging. Zien, horen, ruiken, proeven en voelen, er bleek zoveel meer mogelijk. Blijkbaar zeulde ik al die tijd allerlei zintuigen met mij mee waar ik nooit eerder gebruik van had gemaakt! Hoe kon ik hier zo achteloos mee zijn omgesprongen?
De nacht brachten we door in de camper op afgelegen kampeerplaatsen en mijn slaap was rommelig en onderbroken, bij het minste of geringste geluidje zat ik rechtop. Dreigt daar gevaar? Ergens voelde het ook dubbel: was ik niet in de natuur voor mijn ontspanning?
Het was natuurlijk een enorm privilege dat we met ons gezin met een camper door Canada mochten reizen. Al werd één ding me snel duidelijk: de mens moet zijn gedrag aanpassen aan de beer, niet andersom. Wanneer we over een trail wandelden in de bossen namen we berenspray mee (verplicht!). We maakten lawaai, zongen liedjes en praatten hard, klapten in onze handen. Eten mocht je niet laten rondslingeren, overal waren speciale bearproof afvalbakken.
Bij elk natuurgebied stonden bordjes met reglementen waar je aan moet voldoen: de kinderen niet uit het oog verliezen, wegblijven van karkassen, honden aan de lijn. ‘Don’t let your visit get too wild. Be „bear smart”.’ In het lokale bezoekerscentrum stonden mijn drie welpen voorovergebogen over de vossen-, beren- en wolvendrollen en bestudeerden in alle ernst de verschillende vormen en kleuren. Ze wezen op de zwarte berenpoep, vol bessenzaden, ‘die moeten we onthouden’.
Thuis ben ik het opperdier en vrijwel alle dieren in mijn leven zijn gedomesticeerd. Althans, in theorie. De gedomesticeerden op ons boerenerf in de Westfriese polder waar ik woon geven weinig om de hekken en alle vreemde randvoorwaarden die we voor ze hebben gecreëerd: onze harige shetlandpony’s zijn in staat om dwars door het schrikdraad te breken, de hangoorkonijnen graven hele loopgraven uit, ónder de hekken door, en de kippen vliegen op slechte dagen direct de moestuin in, waar ze zich tegoed doen aan de malse stengels palmkool. Nooit kreeg ik mijn heerschappij over „…de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte op de aarde”, zoals staat geschreven in Genesis 1. Dus ik neem mijn verlies.
Zou ik het samenleven met onze dieren kort en bondig moeten beschrijven dan komt het neer op het voortdurend afstemmen van elkaars emoties. Onze bordercollie laat haar tanden niet zien omdat ze wil aanvallen, maar omdat ze het menselijk met-de-tanden-bloot-glimlachen imiteert. Ook de pony die zijn oren plat in zijn nek legt geeft ons een duidelijk signaal: oppassen en wegwezen.
„Gedomesticeerde dieren moeten om te kunnen functioneren zowel de taal van hun soortgenoten leren, als die van mensen en die van andere dieren in het huishouden of in het dorp„, verklaart Eva Meijer in haar boek Dierentalen. Door elkaars lichaamstaal te lezen, die deels bewust en deels onbewust plaatsvindt, raken we steeds beter op elkaar afgestemd.
Undercover gaan in het dierenrijk komt in beste geval neer op imitatie. De onlangs overleden primatoloog en milieuactivist Jane Goodall, die voor onderzoek jarenlang tussen de chimpansees in de jungle leefde, wist hoe ze zich in de buurt van wilde dieren moest gedragen. Toen ze op een dag werd achtervolgd door een jonge mannetjesleeuw liep ze rustig weg, en bij een zwarte neushoorn bleef ze gewoon staan, zo vertelt ze in Het boek van hoop, in de wetenschap dat neushoorns slechte ogen hebben en de wind van hen af stond, zodat haar geur hem niet zou bereiken. „Het gevaarlijkste wat je kon doen was tussen een moeder en haar jong komen, en een gewond dier of een dier dat had geleerd mensen te haten te confronteren.” In de documentaire Jane loopt ze op gympen en in korte broek onbevreesd door de jungle en zoekt behoedzaam haar weg tussen de varens en lianen terwijl ze voortdurend om zich heen kijkt, luistert, wacht, met zachte hand aan takken voelt. Ze maakt contact met de chimpansees die ze vriendschappelijk ‘vlooit’ en ze kan perfect een chimpanseebaby die zijn moeder kwijt is imiteren. Ze is één van hen, weet hoe ze ‘chimpansees’ spreekt. Ze weet hoe ze haar zintuigen tot op het hoogste niveau kan aanwenden en daarmee het dierenrijk binnentreedt.
In zijn boek Being a Beast (2016) doet schrijver en filosoof Charles Foster dit in overtreffende trap. Hij vraagt zich niet alleen af hoe de mens kan samenleven met een wild dier, maar of je een dier kunt zíjn. In een soort sjamanistische transformatie probeert hij als een dier te leven en scherpt hij zijn zintuigen aan. Zodoende struint hij als een hert de Schotse hooglanden af, zwemt als een otter in de rivieren van Devon en wroet tussen de andere vossen in de Londense afvalbakken. Om erachter te komen hoe ver hij in de huid van een das kan kruipen leeft hij zelfs wekenlang met zijn zoon in een hol en begraaft zichzelf letterlijk in de aarde. De wormen die hij eet voelt hij spartelen tegen zijn tanden en gehemelte.
Tijdens zijn transformatie tot das valt het hem op dat het landschap van de mens vooral visueel van aard is. Terwijl het voor de das in essentie een geurenlandschap is. „Vergeleken met dassen zijn mensen vooral geurblind.” Want stel je nu eens voor wat het bos inhoudt als je niet alleen acht slaat op wat er via je ogen binnenkomt, maar ook op wat zich via je oren, je neus en je huid aandient, beredeneert Foster. Het vergt enorm veel verwerkingsvermogen waardoor de dassen veel slapen, „en wij dus ook”. Of hij zich nu verplaatst in het hert, de otter of de vos; telkens doet hij een beroep op andere aspecten van zijn waarneming – een prisma aan zintuigelijke ervaringen breekt voor hem open.
We kunnen de natuur buiten wel laten verwilderen, maar kan de mens diep in zichzelf ook de verwildering toestaan? Dan volstaat de scherpe scheidslijn tussen natuur en cultuur niet langer, maar zullen die twee uitersten als eb en vloed steeds meer in elkaar overlopen. Dat vraagt om menselijke flexibiliteit, aanpassingsvermogen en opofferingen, stelt ook wildernisfilosoof Linde de Vroey: „Rewilding vraagt om compromissen, die des te scherper worden in een samenleving die zich al lang niet meer op de wilde natuur heeft georganiseerd.” Dat betekent dat we soms op onze hoede moeten zijn. Onze voelsprieten aanzetten als we onze omgeving delen met andere levende wezens. Niet achteloos hardlopen met oordoppen in – doof en blind voor onze omgeving – maar gewaar zijn van de omgeving. Te gast in het territorium van de ander, kruisen de paden van de mens en de wolf elkaar, en zullen we elkaar vaker in de ogen kijken.
Op de vijfde dag van onze roadtrip door Canada bezoeken we Head-Smashed-In-Buffalo Jump, een Unesco werelderfgoed, aan de uitlopers van de Rocky Mountains. Vanaf de hoge kliffen kijk ik uit over de steppen, de uitgestrekte, winderige grasvlakten. De kliffen waarop ik sta vormen de buffalo jump: een rotsformatie die door de inheemse bevolking, de Blackfoot, meer dan vijfduizend jaar lang traditioneel gebruikt werd tijdens de bizonjacht. De bizons werden in de richting van zo’n klif gedreven en door de vaart van de kudde waren ze genoodzaakt te springen en braken dan hun poten.
De jacht begon met een visioen van het opperhoofd, zo zien we tijdens een film in het Buffalo Jump-bezoekerscentrum, waarin de bizonjacht door acteurs tot in detail wordt nagespeeld. Zo’n visioen vertelde de leider dat de kudde zich in de buurt van het kamp bevond. Een bizonjager vermomde zich als wolf, omdat de wolf de bizons niet angstig maakte (wolven hielden zich altijd op in de buurt van bizonkuddes). Een andere jager verkleedde zich als bizonkalf en manoeuvreerde zich tussen de kudde. Het was belangrijk dat dit ‘kalf’ uit de wind bleef staan (zodat de kudde hem niet rook), laag bij de grond bleef en bewoog als een bizonjong. Hij maakte een angstig geluid waardoor de hele kudde in beweging kwam. Op die manier werden de bizons door de buffeljagers in volle galop naar de rand van de klif gedirigeerd om zich daar te pletter te lopen.
Nu wil ik het over de klif jagen van duizenden bizons niet goedpraten. Wel is het belangrijk om dit in perspectief te plaatsen: de inheemse volkeren waren sterk afhankelijk van het vlees van de bizons en aten hier het hele jaar door van, gebruikten hart tot lever en maakten tipi’s van de huiden. Wat de Buffalo Jump toont is de kracht van de menselijke waarneming. Tijdens de jacht maakte de inheemse bevolking tot het uiterste aan toe gebruik van hun zintuigen. Door observatie wisten ze zich moeiteloos te transformeren tot de prairiedieren: mens en omgeving liepen direct in elkaar over. Ze wisten wanneer de kudde naderde, hoe slecht het zicht van de bizon was, hoe sterk hun eigen menselijke geur. Met hun scherp afgestelde waarneming waren de jagers in staat de enorme bizons om de tuin te leiden. Net als Charles Foster kropen ze moeiteloos in de huid van een ander levend wezen, er was geen onderscheid. Ze zijn de wolf. Ze zijn de bizon. Ze zijn de beer.
Source: NRC