Gebundelde columns Sylvia Witteman schrijft over het dagelijks leven in columns die ze steevast aanduidt als ‘stukjes’. De associatieve uitweiding is haar fort, ze kent de geheimen van de onverwachte woordkeuze en zet bij de zelfspot graag even de turbo aan. Haar zelfportret in mozaïekvorm krijgt gaandeweg steeds meer diepte.
Sylvia Witteman: Léés dat boek! Stukjes over boeken, van de smakelijkste romans tot de smerigste pulp. Nijgh & Van Ditmar, 384 blz. €17,50
Sylvia Witteman: Maar dan heb je ook wat. De beste columns, gekozen door Mensje van Keulen. Nijgh & Van Ditmar, 544 blz. € 25,-
Simon Carmiggelt krijgen we nooit meer terug, maar gelukkig hebben we Sylvia Witteman nog. De columniste verhuisde begin vorig jaar na 25 jaar de Volkskrant, naar Het Parool – de Amsterdamse krant waar de 38 jaar geleden gestorven (ja, we worden oud) Carmiggelt sindsdien onvervangbaar is gebleven. Die overstap is prettig voor de lezers van Het Parool, maar ook voor de rest van Nederland, want een en ander is voor haar uitgeverij aanleiding geweest om kort na elkaar twee boeken uit te brengen: Léés dat boek (met stukjes over boeken) en Maar dan heb je ook wat, een keuze uit de ‘gewone’ columns door Mensje van Keulen. Samen negenhonderd pagina’s Witteman, schoon aan de haak; ongeveer de omvang van de door haar hevig bewonderde roman Anna Karenina van Tolstoj.
Niet dat Witteman, die haar werk met ijzeren consequentie aanduidt als ‘stukjes’, zich een Tolstoj waant. „Columns, zoals u weet, en dan zeker columns over alledaagsheden, gelden als een minderwaardig genre,” schrijft ze over een bundel van Martine Bijl. „Ze tellen niet mee in de literatuur. Maar dit bundeltje is een van de fijnste boeken die ik in maanden gelezen heb. Slechts een vakkundige enkeling kan zó schrijven dat je pas doorhebt dat je aan het lezen was als je het boek uit hebt.”
Voor Bijl kun je hier best Witteman lezen, zeker door dat terloopse ‘vakkundige’: Witteman gelooft niet in een heilige roeping tot het schrijverschap; en op het oog ook niet in heilige roepingen van enige andere orde. De lezer Witteman toont zich in de bundel een gretige omnivoor, die moeiteloos schakelt van een strenge bespreking van het Donald Duck Vakantieboek (‘driedubbele WTF nog aan toe: die Zware Jongens hebben opeens een zus!’) naar Tsjechov, Couperus of Knut Hamsun. Zoals een van haar leesvrezende zoons opmerkt, alsof hij zijn moeder heeft ontmaskerd als perfide valsspeelster: „Jij leest gewoon voor je pleziér.”
Zo ook de Wittemanlezer. Wat dat betreft kun je in Maar dan heb je ook wat meteen je hart ophalen aan het allereerste stukje. ‘Lunchen’ gaat over ‘het onderhouden van zakelijke betrekkingen’, dat altijd maar weer in de horeca moet gebeuren, met iets wat ze ‘zo’n man’ noemt. Zo komt terstond de dreiging van een onprofessionele belaging boven de zakenlunch te hangen.
Het werkelijke gevaar is de maaltijdsalade: „Een omvangrijk kreupelhout van uiteenlopend rauw gebladerte met als dieptepunt een vezelige prop alfalfa, dat schandelijk gewas met het mondgevoel van schaamhaar, bij uitstek geschikt voor het vullen van matrassen of de aanleg van een brandvrij plafond. Uiteraard een schalks op de bordrand gelegen Kaaps besje, zo’n schrompelig perkamenten lampionnetje met een oranje bolletje erin, wat op zich geen kwaad doet maar toch verdrietig maakt door zijn totale zinloosheid.”
Hier had ik ook de passage over de eendenborst (‘omgekomen in de kruitdamp van steranijs, koriander of dergelijke misplaatste kruiderij’) of de ‘bijtende groothandelsbalsamico’ even willen aanhalen, maar dan moet u dat boek zelf maar kopen. Witteman eindigt met een waarschuwing voor de zakelijke afspraak rond borreltijd: „Over het algemeen word je de volgende morgen naakt, geboeid en geblinddoekt gevonden door een vroege wandelaar achter een struik in een troosteloze buitenwijk.” Alternatief: „Een nauwelijks minder noodlottige variant is dat je wakker wordt naast de zakenrelatie in kwestie. Die zichtbaar schrikt, want in het vale ochtendlicht valt zo’n oud wijf nog niet mee.”
De associatieve uitweiding is Wittemans fort. Ze kent de geheimen van de onverwachte woordkeuze (‘schalks’) en zet bij de zelfspot graag even de turbo aan (‘oud wijf’): Ook herinnert dit vroege stukje ons eraan dat Witteman is begonnen als eetschrijver, die zich in de loop der jaren aan levende have is gaan wijden. Dieren, familieleden en passanten op straat mogen zich in de meeste aandacht verheugen.
In dat laatste openbaart zich overigens een verschil tussen Witteman en haar grote voorganger. Waar Carmiggelt de overgrote meerderheid van de mensen die hij in zijn Kronkels opvoerde met grote mildheid portretteerde, is Witteman stellig geen mensenmens. Er sijpelt geregeld weerzin door haar beschrijvingen, zeker wanneer het gaat om jonge welgestelde Amsterdammers. En al helemaal wanneer deze zich te buiten gaan aan tuttig conformisme. Of het nu ouders zijn die hun zoontje dwarszitten bij het uitkiezen van een zinloze zwarte steen bij een marktkraampje, een jonge man die een dakloze belerend toespreekt of zeurende mensen in het algemeen – de columniste moet er niets van hebben. („Ik zei niets, maar dácht van alles, waarin onder andere het woord ‘kutwijf ’ voorkwam.”)
Vertrouwde kost voor de Wittemanlezer, die al jaren een stuk of drie van die ‘stukjes’ uit de krant kan knippen. Het grote voordeel van de achthonderd pagina’s die er nu liggen, is dat ze ook de mogelijkheid bieden om ze eens als geheel te lezen. Samen vormen ze in de eerste plaats een kruistocht tegen de ordelijkheid, waar zeker ook morele ordelijkheid onder valt. Met grote regelmaat keert Witteman zich tegen wat zij beschouwt als zinloos goed-foutdenken.
Je kunt de boeken ook lezen als een over vijfentwintig jaar uitgesmeerde autobiografie of als Wittemans eigen Anna Karenina. Die roman is niet alleen een van haar eeuwige favorieten, maar ook de klassieker die begint met het omineuze ‘Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, maar elk ongelukkig gezin is op geheel eigen wijze ongelukkig.’ En het gezinsleven is een van Wittemans hoofdthema’s.
Voor u allerlei overspelige wanordelijkheden vermoedt: het gezin van Witteman maakt op mij een rommelige, maar overwegend gelukkige indruk. Van een graaf Wronski die de hoofdpersoon het hoofd op hol brengt, is dan ook geen sprake. Wel beschrijft de hoofdpersoon een „amourette […] met een indertijd nogal spraakmakende Amsterdamse wethouder, bij welke gelegenheid ik de ambtsketen van de burgemeester om mijn nek had”, maar of dit een voorhuwelijkse scène is, wordt niet duidelijk.
Het gezin bestaat uit een man (‘huisgenoot P.’) een dochter en twee zoons, waarbij er de moeder veel aan gelegen is om zoetsappigheden te vermijden. Dat geldt ook voor de beschrijving van andere familieleden, zoals haar „oude vader”, een principieel recalcitrante man die een reeks kinderen verwekte bij verschillende vrouwen, tot op zeer hoge leeftijd aan toe – een van de laatste columns in Maar dan heb je ook wat gaat over zijn overlijden, of eigenlijk over het regelgedoe dat onherroepelijk volgt op de dood.
In de loop der jaren trekt het gezin naar Berlijn, Den Haag, de Verenigde Staten en Amsterdam. Vooral tijdens haar verblijf in de VS lijkt de auteur vol weemoed terug te denken aan de jaren die ze in Moskou doorbracht, de stad die verbeeldt hoe het leven in al zijn onvolmaaktheid geleefd zou moeten worden: „In Moskou, jaren eerder, placht een bevriende veearts kleine operaties aan mijn katten bij mij thuis op de keukentafel uit te voeren.”
Sylvia Witteman.
In Amerika verwondert Witteman zich over de alomtegenwoordige politieke correctheid in haar kringen en in de columns die ze schrijft als ze eenmaal is teruggekeerd in Nederland, slaat die verwondering geregeld om in ergernis – waarbij het ook niet helpt dat ze het op Twitter regelmatig aan de stok krijgt met mensen die zich opwinden over door Witteman opgeworpen vragen als: hoe komt het dat er zoveel Marokkaanse vrouwen werken als apothekersassistente? Het levert niet de beste stukjes op; Mensje van Keulen heeft er net wat te veel van uitverkoren in Maar dan heb je ook wat. Dan lees je in de eerste alinea over een bezoek aan het Rijksmuseum en betrap je je op de gedachte: als ze maar niet wéér gaat mokken over de betuttelende teksten op de bordjes.
Maar goed, de recensent moet niet zelf gaan zitten mokken. Want waar vind je nog een boek waarin je de eerste lelijke zin pas op pagina 397 staat: „Mijn zoon weet wat een weerzin ik heb jegens snorren.” Een weeszinnetje, want verder is er niets mis met het relaas over de „vieze grote pornosnor midden op het gezicht van mijn kind”. We zijn dan – zie de opgroeiende kinderen – in het laatste deel van het boek, waarin elementen opduiken die eerder niet aan de orde kwamen, maar die Wittemans zelfportret in mozaïekvorm steeds meer diepte geven.
Want hoe verder je doorleest in Maar dan heb je ook wat, hoe vaker de auteur melding maakt van aanvallen van somberheid en andere klachten die te maken hebben met wat ze ergens „haar sores” noemt. Dan gaat het over „een grote schoonmaak van mijn ziel, bijvoorbeeld. Die sleep ik dag en nacht met mij mee, dus die kan wel een sopje gebruiken.” Ook is er een beklemmend stukje over hyperventilatie.
Eenmaal beschrijft Witteman hoe ze „vervuld van tobberijen” in de Pijp belandt, alwaar een kat voor een dichte cafédeur zit. Ze haalt het diertje aan en begint het te vertellen over gezinsleden die haar niet begrijpen, iets met een tandimplantaat, het eindexamen van een zoon, een verzakkend huis. „Maar ik heb nog wel méér, hoor. Dat moet overigens onder ons blijven.” Waarna ze de kat „een en ander in het oortje” fluistert, tot ze rugpijn krijgt van het hurken. „Om een lang verhaal kort te houden, ik ben vijfenvijftig en weet niet helemaal hoe het verder moet.”
Het plaatst eerdere, immer vrolijk getoonzette opmerkingen van de schrijfster over sociaal ongemak en eenzelvigheid in perspectief: niet alleen is elk gezin op geheel eigen wijze ongelukkig, ieder mens toont zijn ongeluk op andere wijze. In het laatste deel van het boek is het of Witteman nu pas heeft ontdekt dat haar sores ook zonder een mantel van hilarische overdrijving de straat op mogen. Dat maakt dat de achthonderd pagina’s Witteman niet meteen tot een Anna Karenina, maar het loont om dóór te lezen tot langzaam verschijnt wat tussen de regels staat.
Bovendien ontdek je dan dat het een voorspellende waarde heeft als de schrijfster een stukje begint met een verwijzing naar treurnis of neerslachtigheid. Het zijn de mooiste stukjes. Zo drijft een dag waarop ze zich „moedelozer dan gewoonlijk” voelt Witteman naar een filiaal van McDonalds – hoe wanhopig moet een mens zijn, maar allá – alwaar zij een truffelburger bestelt, die tegenvalt. Dan verschijnt er een oudere man aan haar tafeltje die het oog laat vallen op haar half verorberde burger. Hij wil er wel wat van. Volgt een prachtig relaas over hoe hij bij zijn dochter Miranda woont, die twee tienerzonen heeft en die gek wordt van haar inwonende vader. „Dan ga ik de straat op, een beetje rondlopen. Maar ja, ik heb geen geld. Zij geeft me ook niks, Miranda. Ze zegt: ‘Je koopt er toch maar wiet van.’ En dat ís ook zo.” Er volgen nog een aantal even mooie alinea’s, met als afsluiting: „Het is een lieve meid.”
Zo’n stukje, dat had de oude Carmiggelt haar niet verbeterd.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC