Geschiedenis De mens probeert al eeuwen paal en perk te stellen aan het recht van de sterkste. Dat valt niet mee.
Hitler, Cicero, Thucydides en Nietzsche.
Internationaal recht? Hou toch op. Het enige recht dat ertoe doet, is het recht van de sterkste. Nu de Verenigde Staten van Donald Trump de president van Venezuela hebben ontvoerd en Groenland in het vizier hebben – terwijl Rusland Oekraïne tracht te veroveren en China weer eens militaire oefeningen hield rondom Taiwan – klinkt in steeds meer commentaren bovenstaand geluid. De tijd van de rules-based order, als die er ooit al was, lijkt voorbij. En Europa kan zich hier beter als de wiedeweerga op instellen.
Dat het recht van de sterkste meestal triomfeert boven meer verheven noties van wat rechtmatig is, valt analisten van de geopolitiek al langer op. De eerste historicus die dit op papyrus zette was de Griekse generaal Thucydides (ca. 460-400 v.Chr.) in zijn boeken over de Peloponnesische Oorlog tussen Athene en Sparta (431-404 v.Chr.). Athene was indertijd het machtigste land van de Delische Bond (een soort NAVO) en het eiland Melos had geweigerd zich daarbij te voegen, tot grote ergernis van Athene. In 416 kwam het tot een crisis: het democratische Athene eiste dat Melos zich onderwierp, of anders…
In een passage die bekendstaat als de Melische dialoog beschrijft Thucydides hoe de ‘onderhandelingen’ verliepen. De Meliërs beweerden dat zij het recht aan hun zijde hadden en ze weigerden zich door Athene als slaven te laten behandelen. De Atheense onderhandelaars barstten nog net niet in lachen uit, lezen we tussen de regels door. Ze zeiden tegen de Meliërs dat ze geen moeite gingen doen om met fraaie voorwendsels een juridisch sluitende reden voor hun invasie te geven. „Jullie weten net zo goed als wij dat het recht er alleen toe doet tussen hen die even machtig zijn. Verder geldt dat de sterken doen wat ze willen en de zwakken lijden wat ze moeten.”
De Meliërs hielden hun poot stijf, waarna de Atheners hun vloot ontscheepten en het eiland zonder veel moeite onderwierpen. Ze doodden alle volwassen mannen, maakten de vrouwen en kinderen tot slaaf en vestigden vijfhonderd Atheense kolonisten op Melos.
Het idee dat de sterken kunnen doen wat ze willen, gaat in de Griekse schriftelijke cultuur terug tot vóór de ‘uitvinding’ van de geschiedschrijving door Herodotus en Thucydides. De dichter Hesiodos bijvoorbeeld zette al in de zevende eeuw voor Christus ‘De fabel van de nachtegaal en de havik’ op schrift. De havik vangt hierin de nachtegaal, die piept dat hij bereid is om mooi te zingen voor zijn vrijheid. De havik antwoordt dat de nachtegaal zijn snavel moet houden: hij is gevangen door een machtiger vogel, die met hem kan doe wat hij wil. En de havik heeft een lege maag, geen lege oren, laat hij weten.
Griekse denkers bleven ook na de Peloponnesische Oorlog geboeid door de notie dat het enige recht dat ertoe doet het recht van sterkste is. In De Staat van Plato (ca. 427-347 v.Chr.) zegt de sofist Thrasymachos dat rechtvaardigheid niets anders is dan datgene waaruit de sterkste het meeste voordeel kan halen. Socrates sputtert tegen dat waarheid en deugd belangrijker zijn, maar zijn eigen lot (hij werd gedwongen de gifbeker te drinken) suggereert anders. (Bijna 2.500 jaar na Thucydides gaf de Griekse minister van Financiën Yanis Varoufakis zijn boek over de Eurocrisis de titel And the Weak Suffer What They Must?, waarin hij concludeerde dat er sinds de klassieke Oudheid weinig veranderd is.)
Zoals veel Griekse noties kwam ook het idee van het recht van de sterkste bij de Romeinen terecht. Vae victis, wee de overwonnenen, zei een zegevierende krijgsheer volgens de historicus Livius (59 v.Chr.-17 n.Chr.) tegen zo’n overwonnene, toen die klaagde dat hij oneerlijk werd behandeld. Tegelijkertijd waren er ook denkers als Cicero (106-43 v.Chr.), die oorlog wilde koppelen aan het natuurrecht – en dan niet het gedeelte van de natuur waar haviken nachtegalen opaten, maar het gedeelte waarin iedereen bijdraagt om het goede, orde, rust en vrede te bereiken. Zonder een iusta causa mocht een leider niet ten oorlog trekken, schreef hij in De Officiis. Gebiedshonger gold niet als zo’n gerechtvaardigde grond.
De strijd tussen het botte recht van de sterkste en het natuurrecht belandde via de Renaissance ook in het vroegmoderne Europa. Niccolò Machiavelli (1469-1527) schreef in zijn De Prins dat mensen door heersers „óf gekoesterd óf vernietigd” moesten worden, omdat ze anders wraak zouden nemen. De filosoof Thomas Hobbes vertaalde in 1628 Thucydides voor het eerst in het Engels. In zijn klassieke werk Leviathan (1651) schreef hij dat de natuurlijke staat van de mens „een oorlog van allen tegen allen” is, die alleen door een sterke vorst kon worden ingetoomd.
De Nederlandse rechtsgeleerde Hugo de Groot keerde zich in zijn De iure belli ac pacis (1625) met een beroep op religie en het natuurrecht juist tegen het idee van het recht van de sterkste. Als staten een oorlog wilden beginnen, moesten ze daar een legitieme reden voor hebben, betoogde hij. Van de argumentatie van de Atheners in hun ‘dialoog’ met de Meliërs was De Groot niet onder de indruk.
Aan het eind van de Dertigjarige Oorlog (die ook het eind van de Tachtigjarige Oorlog was) deden de Europese mogendheden in 1648 een poging om een halt toe te roepen aan het constante bloedvergieten op het continent. Bij de Vrede van Westfalen ontstond het idee dat iedere staat soeverein was over zijn eigen grondgebied. Dat systeem ontwikkelde zich in de decennia erna verder, maar leidde in de praktijk niet tot de uitbanning van veroveringsoorlogen.
De Republiek der Nederlanden bijvoorbeeld, officieel erkend in 1648, moest zich in 1672 alweer verdedigen tegen een gecoördineerde aanval van zowat al haar buurlanden onder leiding van Lodewijk XIV van Frankrijk, het sterkste land van Europa dat geen enkele schroom voelde zijn macht te laten gelden.
Het recht van de sterkste kreeg in de negentiende eeuw een biologisch sausje nadat Charles Darwin (1809-1882) zijn evolutieleer aan de wereld had gepresenteerd. Mensen die hem niet goed begrepen meenden dat Darwin betoogde dat alleen de sterksten konden overleven, terwijl de essentie van zijn evolutietheorie juist was dat organismen die zich het beste konden aanpassen de meeste kans hadden op voortbestaan.
De Duitse filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900) moest van Darwin weinig hebben, maar had wel een grote afkeer van zwakte. Volgens hem draaide alles in het menselijk bestaan om de Wille zur Macht. Adolf Hitler gooide Darwin en Nietzsche in zijn Mein Kampf op een hoop en kwam tot de conclusie dat niet staten maar volkeren al eeuwen om hun voortbestaan vochten. Wie die strijd verloor, „is gewogen en te licht bevonden voor het geluk op deze aardse wereld behouden te blijven. […] De wereld is er niet voor laffe volkeren”.
Tijdens de door Hitler ontketende Tweede Wereldoorlog stelden het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten het Atlantisch Handvest op, waarin ze de contouren schetsten van de naoorlogse rechtsorde. Zij streefden naar een vrede die „alle naties de middelen zal bieden om veilig binnen de eigen grenzen te wonen”. Dat principe werd verder uitgewerkt in het Handvest van de Verenigde Naties uit 1945. Alle deelnemende landen committeerden zich aan de vrede en zegden toe de soevereiniteit van alle lidstaten te respecteren.
Nu lichtten de VS al eerder de hand met dit principe, maar onder Donald Trump vindt Amerika het zelfs niet langer nodig om Cicero en Hugo de Groot indachtig een juridische reden voor hun optreden te geven. Stephen Miller, de plaatsvervangend stafchef van het Witte Huis en een belangrijke adviseur van president Trump, deed de afgelopen dagen uitspraken die wel wat weg hadden van de door Nietzsche en Hitler geuite sentimenten. In een interview met CNN zei hij: „We leven in de echte wereld, die wordt geregeerd door kracht, die wordt geregeerd door macht. Dat zijn de ijzeren wetten van de wereld sinds het begin der tijden.”
Terug naar Thucydides. Welke boodschap wilde hij eigenlijk overbrengen? Classici zijn het erover eens dat de Griekse historicus zijn Melische dialoog niet bedoelde als een handleiding, maar juist als een waarschuwing. Dit was hét moment dat het verval van Athene inzette, niet alleen in morele zin, maar ook in de praktijk. Athene zou de Peloponnesische Oorlog namelijk uiteindelijk verliezen.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin
Source: NRC