Home

De vrijdag is het kruis waaraan ik hang

Peter Buwalda is schrijver en columnist van de Volkskrant

Wat ik een beetje raar vind, is dat ik altijd op dezelfde plek in de Volkskrant sta. Ergens achterin op vrijdag. Andere columnisten verkassen geregeld. Zo heb ik een vriend, die ook columnist is, die heeft echt al overal gestaan, op elke vierkante centimeter krant, en sinds maandag staat hij zelfs op de voorkant.

Ah, daar heb je mijn vriendin Jet, ze komt even een kijkje nemen.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

‘Wat mot je?’

‘Huh, waarom noem je hem niet gewoon Peter Middendorp?’

‘Volgens mij’, zeg ik, ‘heb je verder niet van die zoutpilaren als ik.’ (Voor het altaar hebben wij elkander beloofd nooit grappen uit te leggen, zeker elkander niet.)

‘Vind je dat goed of slecht?’

‘Drie ballen.’ (Sinds ik weer een boek af heb, en het schorriemorrie erbovenop zit, springen, trekken aan de oren, graffiti, poepen, alles, druk ik mezelf voor de balorigheid ook maar uit in ballen. Mooi hè, die sneeuw? Vier ballen. Was het een aardige kaakchirurg? Drie ballen. Hoe gaat het eigenlijk met je testikels? Vijf ballen.)

Je kunt het namelijk ook negatief uitleggen, dat ik nooit eens verplaatst ben. Ik kom nooit voor in ‘plannen’. Kijk, niemand leest alle columnisten, dat is een feit. Ik lees er zelf bijvoorbeeld maar eentje. (Maar, zeg ik erbij, dan wel meteen een keer of tien, twintig. U weet wel wie ik bedoel, nudge, nudge.) Daarom hebben kranten, is me wel eens uitgelegd, zoveel columnisten, dat er voor ieder wat wils is.

Het is dus mogelijk, heb ik beredeneerd, dat er bij de Volkskrant – behalve ikzelf dus, weliswaar gelieerd, maar los-vast – niemand die van mij leest, waardoor ik in zekere zin op zolder sta, stof te vangen.

‘Kom, kom’, zegt mijn vriendin Jet, ‘niet zo somber. Ze schuiven toch?’

Weer een beetje blij, knik ik, ping-ping.

‘En weet je wie er jarig is vandaag?’

Ik steek mijn vuisten in de lucht. ‘Elvis.’ Maar laat ze toch weer als paardenkeutels op mijn bureautje vallen. ‘Morgen al niet meer – dan was het gisteren.’

Het brengt me op de donderdag, helaas – de eeuwige donderdagen. Donderdag-columndag. Een complete bal die eraf mag. Een bal die uit de fitting is gedraaid van mijn wekelijkse leven. Wat is de donderdag nog voor mij? Een kapotte dag. Op donderdagen ben ik een tot slaaf gemaakte (deeltijd), een koelie op de inktplantage van boss Klok. En dat is nog maar mijn persoontje, de donderdag zelf is groter, die is als Verdun, als Hiroshima, er zal nooit meer iets kunnen bloeien.

‘Weet je’, murmel ik, ‘vroeger was ik een vrolijke verschijning op donderdagen, ik hield ervan. Meer dan van de dinsdag, bijvoorbeeld. Op donderdag kwam Cheers erop, met Norm en Woody, op donderdagen zat met de g’noten in de gaarkeuken...’

Ik stop met praten. Mijn vriendin Jet kijkt naar me alsof ik een tuinkabouter ben met een... (zie je, zelfs mijn metaforen doen het niet meer...) Met een groeiende bobbel in zijn rode broekje. (Toch nog top.)

‘Huil je nou?’

Beetje.

Anderzijds lijkt het me, nu ik er diepgravend over dooremmer, helemaal niks om van de vrijdag af te moeten. Kan ik het ginder wel? Ik heb eens vernomen dat de deadlines er soepeler zijn.

‘Als je jouw deadline versoepelt’, zegt mijn vriendin Jet, ‘lever je nooit meer iets in, echt nooit meer. Zelfs de as voor in je urn niet.’

Ik snuit mijn neus. ‘Dus eigenlijk, wil jij zeggen, zit ik aan de vrijdag vastgeplakt als een pleister die je niet nat moet maken?’

Ze knikt met gesloten ogen.

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next