De kabinetsformatie is sinds deze week weer in volle gang. Steeds wordt steeds enigszins verlangend uitgekeken naar een minderheidskabinet. Maar gezien de geschiedenis, en recente ontwikkelingen, is dat volgens Wim Voermans een vorm van wensdenken.
Het nieuwe jaar begint met hoofdbrekens. Hoe de formatiepuzzel te leggen? De brede coalitie waarin zowel rechts als links (lees PvdA-Groen Links) samen zouden gaan werken werd al eerder afgeserveerd. Een rechtse combinatie waarbij ook JA21 aan boord zou klimmen (een optie die overigens niet optelt tot een meerderheid van 76 zetels) ligt moeilijk bij verkiezingswinnaar D66. Dus wat dan?
Steeds nadrukkelijker wordt er de afgelopen tijd tegen die achtergrond gekeken naar de optie van een minderheidskabinet; een coalitie van D66, VVD en CDA, samen goed voor 66 zetels in de Tweede Kamer (44 procent van de zetels) en 22 in de Eerste Kamer (29 procent van de zetels daar). Dat is natuurlijk een hachelijk avontuur – een coalitie die in beide Kamers geen meerderheid heeft, kent wel een heel wankele basis.
Maar de rekenkundige bezwaren worden de laatste tijd vaak weggewuifd: er moet nu eens worden doorgepakt, het land moet eindelijk eens bestuurd worden na jaren stilstand. En veel van de kabinetten-Rutte hadden ook geen meerderheid in de Eerste Kamer. Natuurlijk, zo’n constructie vergt dan wel veel overleg, maar dat is juist goed voor de democratie en het dualisme? En hé, we zijn nu eenmaal van oudsher een polderend coalitieland. De oppositiepartijen zullen (moeten) hun verantwoordelijkheid heus wel gaan nemen. En als het kan in Denemarken en Zweden, waarom zou het hier dan niet kunnen?
Diegenen die er maar op blijven hameren dat het niet kan, zijn volgens die logica somberaars en kniesoren die maar blijven hangen in het oude denken, dan wel onverantwoordelijke politieke tegenstanders die maar niet uit de schuttersputjes van de verkiezingscampagne wensen te klimmen. Het is tijd dat er eindelijk eens een frisse wind gaat waaien.
Wim Voermans is hoogleraar staatsrecht Universiteit Leiden.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Zeker, maar begin niet aan een minderheidskabinet als je niet weer de zoveelste kabinetsval en Tweede Kamerverkiezingen in korte tijd wil.
We zijn dan in polderland Nederland misschien wel van oudsher van het brede overleg en politieke compromissen, maar hebben wel buitengewoon slechte ervaringen met minderheidskabinetten. Van de Nederlandse kabinetten die aantraden sinds de introductie van het algemeen kiesrecht (1917-1919) waren er weliswaar acht een minderheidskabinet. Maar als je daar de ‘rompkabinetten’ van af haalt – de kabinetten waar een of enkele partijen uitstapten, die dan even door mochten om op de winkel te passen en verkiezingen voor te bereiden, sinds 1982 noemen we dat ‘demissionaire’ kabinetten – dan houd je er nog maar vier over.
Eigenlijk nog minder. Het kabinet-Ruijs-de Beerenbrouck I (1918-1922), steunde weliswaar op een coalitie van precies 50 procent van de zetels, maar had de vaste gedoogsteun van een aantal christelijke partijen in de oppositie achter zich. Ook was de Kamer nog lang niet zo in partijen en fracties georganiseerd als nu. Het kabinet-De Geer I (1926-1929) zou je ook met enige welwillendheid kunnen zien als een minderheidskabinet, omdat er niet zoiets als een coalitieafspraak was gemaakt tussen partijen die ministers leverden aan het kabinet. Maar als je naar de zetels van de partijen die ministers leverden kijkt, dan telde dat op tot een solide meerderheid van 54 procent.
Ook het kabinet-Rutte I (2010-2012) rustte op het eerste oog niet op een Kamermeerderheid – twee partijen (VVD en CDA), immers, hadden slechts een coalitieakkoord gesloten. Maar doordat er een gedoogakkoord was afgesproken met de PVV van Geert Wilders, wist ook Rutte I een vaste Kamermeerderheid van net iets meer dan 50 procent achter zich.
En dan blijft er eigenlijk maar een écht, zo gevormd en geformeerd, missionair minderheidskabinet over in onze recente parlementaire geschiedenis: het kabinet-Colijn V (1939). Na de val van kabinet-Colijn IV (1937-1939), was koningin Wilhelmina het politieke gekissebis, de fragmentatie en de bestuurlijke instabiliteit van de om de haverklap vallende kabinetten zó zat, dat ze Colijn zowat verordonneerde een minderheidskabinet samen te stellen. Dat deed die.
Het minderheidskabinet werd beëdigd in juli 1939 en kon, na het voorlezen van de regeringsverklaring in de Kamer, twee dagen later alweer zijn biezen pakken toen de motie-Deckers, die uitsprak geen vertrouwen te hebben in deze club, werd aangenomen.
Zou dat nu anders liggen, anders kunnen werken? Net als in Denemarken of Zweden? Ik denk het niet. In Denemarken en Zweden hebben ze een heel ander politiek landschap. Daar waren, tot voor kort, net als bij ons veel partijen. Maar die waren wel verdeeld over duidelijke linkse en rechtse blokken. Werd er een minderheidscoalitie gevormd tussen rechtse partijen, dan kon die door de bank genomen gedurende de rit rekenen op de stille gedoogsteun van de rechtse oppositie. In het omgekeerde, linkse, geval werkte dat meestal ook zo.
Het Nederlandse politieke landschap steekt heel anders in elkaar. Bij ons houdt het met de links-rechts-verdeling niet op. Wij hebben ook nog groen, christelijk, dieren en partijen die cultureel conservatief, maar economisch links zijn.
Toch proberen, en maar vertrouwen op de constructieve houding en verantwoordelijkheid van oppositiepartijen in het midden? Een slecht plan. De kansen voor een stabiel minderheidskabinet zijn klein. Veel kleiner zelfs dan in het verleden. Dat heeft vooral te maken de gegroeide populariteit van tussentijdse verkiezingen.
Zo tot de jaren zeventig van de vorige eeuw bestond er een grote huiver voor niet-reguliere Tweede Kamerverkiezingen. Er werd indertijd voor verkiezingsmoeheid en onbestuurbaarheid gevreesd. Tegenwoordig zijn tussentijdse verkiezingen juist heel erg in trek: de helft van Kamerverkiezingen na 1982 was ‘vervroegd’. De laatste vier jaar kenden we zelfs drie Tweede Kamerverkiezingen, waarvan twee vroegtijdige. Dat leidt tot een zelfversterkend effect, waarbij fracties nieuwe verkiezingen omarmen als een middel om de peilingen te kunnen verzilveren. De wisselende en slecht voorspelbare uitslagen, en de steeds verdere versplintering, versterken dat effect van electorale, politieke avontuurlijkheid nog verder.
Tegen die achtergrond erop hopen dat er wel een coöperatieve oppositie te vinden zal zijn die een minderheidskabinet zal willen steunen, is bijna naïef. De kansen van een in dit klimaat aantredend minderheidskabinet zijn uiterst gering. De regeringsverklaring gaat zo’n kabinet misschien nog wel overleven. Maar een eerste begroting dit najaar, met daarin een paar broodnodige, forse keuzes, zeer waarschijnlijk niet.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant