Jules Schelvis, overlevende van vernietigingskamp Sobibor, interviewde in de jaren tachtig lotgenoten over de opstand uit 1943. Piet de Blaauw en Jan Pieter Tuinstra maakten daar eerder al De Sobibor Tapes over. In Echo’s van Sobibor onderzoeken ze de verstrekkende gevolgen van die geschiedenis, voor nazaten en voor de oorlogen van nu.
is kunstredacteur van de Volkskrant en schrijft over fotografie.
Wie de indrukwekkende documentaire De Sobibor Tapes – De vergeten interviews van Jules Schelvis (2021) heeft gezien, bleef achter met minstens één prangende vraag. De film behandelt de opstand van Joden in het vernietigingskamp Sobibor op 14 oktober 1943, waarbij enkele honderden gevangenen ontsnapten aan de verstikkingsdood in de gaskamer. De meesten vonden de dood alsnog tijdens hun vlucht, een vijftigtal overleefde de Tweede Wereldoorlog.
Een van de overlevenden, de Joodse Nederlander Jules Schelvis, interviewde in de jaren tachtig twaalf lotgenoten en registreerde hun getuigenissen op videotape. Een documentaire op basis van die hartverscheurende verhalen die smeekte om een vervolg. Want hoe is het deze mensen na die gruwelijke gevangenschap en bloedige bevrijding vergaan?
Het antwoord op die vraag geven de documentairemakers Piet de Blaauw (56) en Jan Pieter Tuinstra (54) in het vervolg van hun eerste film over het kamp, de driedelige documentairereeks Echo’s van Sobibor. Ze reisden naar Californië en Israël, naar Brazilië, Oekraïne, Polen en Duitsland om nabestaanden te spreken en te zoeken naar de sporen van de bij de opstand in Polen betrokken Joodse gevangenen.
De conclusie van de filmers stemt somber: de overlevenden stierven vaak jong, of leden tot hun levenseinde zwaar onder de opgelopen trauma’s en ontkwamen er meestal niet aan die over te dragen op hun nazaten en partners. ‘Elke avond begon Shlomo te vertellen en kwam hij met nieuwe details’, vertelt een weduwe over haar man. ‘Voor iedereen was Thom vriendelijk, voor mij was hij verschrikkelijk’, vertelt een andere. ‘Hij kon van niemand houden.’ De overlevenden hadden het na de oorlog zwaar, zegt ze, ‘maar wie vraagt de doden naar hun verhalen over wat zij hebben meegemaakt?’
De Blaauw werkt al jaren voor de publieke omoep, hij heeft gewerkt voor programma’s als Brandpunt en Nieuwsuur en als regisseur bij Medialogica. Tuinstra, afgestudeerd aan de Academie voor Beeldende Kunsten St. Joost in Breda en gespecialiseerd in camerawerk, maakte talrijke maatschappelijk betrokken documentaires. Samen wonnen zij in 2021 een Tegel voor De Sobibor Tapes in de categorie Achtergrond.
De Blaauw en Tuinstra hebben meer dan een jaar gewerkt aan de montage van de Echo’s van Sobibor. Een complexe klus. Niet alleen vanwege de zwaarte van het onderwerp, waardoor er volgens Tuinstra bij de opnamen weleens tranen vloeiden. ‘Je bent niet de hele tijd met het leed bezig, je wilt de verhalen zo goed mogelijk vertellen, dat is ons ambacht. Zo houd je het vol.’
De docu tot een goed einde brengen voelde als een opdracht, aldus De Blaauw: ‘Dit moet worden verteld, het was Schelvis’ persoonlijke drive om de geschiedenis van Sobibor aan de wereld te vertellen. Dat hebben wij deels overgenomen.’
Hoe recht te doen aan de diversiteit van verhalen van de uitgezwermde overlevenden? Hoe consequent hun stijlfiguur vast te houden – zonder voice-over of vragen door de interviewer – om de betrokkenen zélf hun verhaal te laten vertellen, zodat ze rechtstreeks tot de kijker lijken te spreken? En hoe de verhalen van de Holocaust te verweven met de onontkoombare actualiteit: de inval van Rusland in Oekraïne, de terreuraanval van Hamas op 7 oktober 2023 en het genocidale geweld door Israël in Gaza?
Hedendaagse drama’s, die nog moesten aanvangen toen het tweetal, vijf jaar geleden al, met filmen begon, maar die onmogelijk konden worden genegeerd in een film die als thema zogenoemd intergenerationeel trauma heeft: de langetermijngevolgen, van ouder op kind en kleinkind van doorstane gruwelen. Al die vragen wilden De Blaauw en Tuinstra beantwoorden. Een uitdaging die heeft geresulteerd in een glasheldere en aangrijpende docu.
Deel één bevat een recapitulatie van de gruwelen van Sobibor, een geschiedenis die zonder de onvermoeibare Schelvis nooit ten volle wereldkundig was geworden. Anders dan andere concentratiekampen van de nazi’s, zoals Auschwitz, was Sobibor uitsluitend een vernietigingskamp voor Joden. In andere kampen werden gedeporteerden soms tewerkgesteld tot ze door uitputting stierven, in Sobibor werden mannen, vrouwen en kinderen, nadat ze van elkaar waren gescheiden, meteen vermoord.
Slechts een enkele gevangene werd wél aan het werk gezet, om de machinerie van het vernietigingskamp draaiende te houden. Bijvoorbeeld om hout te hakken, nodig voor de open vuren waarop de doden werden verbrand. Om het verblijf van de SS’ers te veraangenamen met maaltijden, of door hun schoenen te poetsen. Door meegebrachte sieraden voor SS’ers veilig te stellen en gouden tanden te verwijderen uit de gebitten van de slachtoffers. Shlomo – over wie later meer – vertelt dat hij de hel overleefde door als edelsmid van dat goud sieraden te vervaardigen voor de SS’ers.
Zeker 170 duizend Joden werden in Sobibor vermoord, slechts vijftig wisten na de opstand te ontsnappen en konden, voornamelijk dankzij Schelvis’ inspanningen, van de gruwelen getuigen. De ervaren Joods-Russische officier Sasha Pechersky, krijgsgevangene in het kamp, gaf leiding aan die opstand. Gevangenen doodden SS’ers met bijlen en vervolgens trokken ze, beschoten met mitrailleurs vanaf de wachttorens, met honderden door de mijnenvelden.
Na de voor hen vernederende opstand – nota bene door ‘Untermenschen’ – ontmantelden de nazi’s Sobibor. Ze plantten er een dennenbos om de restanten van het kamp aan het zicht te onttrekken. Daar slaagden ze slechts ten dele in. In de docu komen opnamen voor van de Pool Thomas Blatt, na de oorlog naar Californië geëmigreerd en sindsdien als de eerder genoemde Thom door het leven gegaan, die toont hoe menselijke botten en afgesneden haardossen voor het oprapen lagen. Eén vlecht nam hij mee, die later zou dienen als bewijsmateriaal in een strafzaak tegen een kampcommandant.
Schelvis had in de jaren tachtig, toen niemand daar nog aan dacht, de tegenwoordigheid van geest om de getuigenissen uit de eerste hand met een amateurcamera vast te leggen. Aangrijpende beelden zijn het, dertig uur in totaal, van mensen die terwijl ze vertellen lijken terug te keren naar de gruwelen. Kwetsbare mensen: de getuige Chaskiel Menche stierf al een jaar na de opname aan hartfalen, de naar Israël geëmigreerde Hella Weiss enkele jaren later, toen ze pas 62 was.
Inmiddels zijn alle directe getuigen overleden. Blatt werd, ondanks zijn martelende nachtmerries, 82; Schelvis stierf in 2016, 95 jaar oud. De eerste docu van De Blaauw en Tuinstra bood veel nabestaanden toegang tot een geschiedenis waarover sommige overlevenden nog nooit hadden gesproken.
‘Schelvis’ opnamen waren wel bekend, omdat het Niod (Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, red.) ze online had gezet’, vertelt De Blaauw, ‘maar de meesten spraken Duits met Schelvis, de enige taal, naast Nederlands en Jiddisch, die hij beheerste. De nabestaanden wisten dus vaak niet wat hun vader of moeder in het Duits, die voor hen vreemde taal, had gezegd.’ Bij de gesprekken met Russen werd Schelvis bijgestaan door de Nederlandse tolk Dunya Breur. Hijzelf wist lange tijd niet wat de getuigen precies hadden verteld.
Hella Weiss is een van de getuigen die met haar familie nooit over haar kampervaringen heeft gepraat. Na de oorlog trouwde ze, nog in Tsjechië, en verhuisde met haar man naar Palestina. Op trouwfoto’s oogt het paar gelukkig en ontspannen, alsof ze uit een prachtig verleden komen, zegt hun dochter Miriam. Zij voelt zich voor altijd schuldig dat ze nooit heeft doorgevraagd naar Sobibor bij haar moeder, alsof het haar niet interesseerde.
De Blaauw en Tuinstra waren erbij toen de familie, inclusief achterkleinkinderen, de honderdste geboortedag van Hella memoreerden, en de aanwezigen door de video-opnamen voor het eerst vernamen van haar heldhaftige verleden, dat ze aan Schelvis had toevertrouwd. Dat ze in het kamp de magazijnen had gezien met kleren, schoenen, goederen, gouden tanden – honderdduizenden voorwerpen. Dat ze nadat ze aan Sobibor was ontsnapt in de bossen partizanen had ontmoet, bij wie ze zich had aangesloten.
Ze leerde een geweer te hanteren, ging ‘Terror machen’ tegen de nazi’s en sloot zich aan bij het Rode Leger. Ze woog toen ze in 1947 in Palestina arriveerde nog maar 47 kilo en zou altijd met eetstoornissen blijven kampen. ‘Ze at niet koosjer’, vertelt kleinzoon Eran. ‘Een bewust keuze, want, zei ze: ‘Ik eet terwijl ik dat niet mag.’ Ze wilde laten zien: God was er niet voor haar.’
De nabestaanden gedenken haar op de plek waar Miriam woont, vlak bij de grens met Gaza. De filmopnamen werden gemaakt drie maanden na de terreuraanslagen van Hamas op 7 oktober 2023, een kwestie die uitgebreid aan de orde komt. Miriam vertelt haar verhaal deels vanuit een saferoom, ingericht ter bescherming tegen terreur, en concludeert somber dat het ideaal van de veilige Joodse staat is vervlogen.
De derde generatie put inspiratie uit Hella’s geschiedenis. Terwijl Israëlische bommenwerpers overvliegen, op weg naar Gaza, stelt kleinzoon Eran dat zijn grootmoeders strijdvaardigheid juist heldhaftig was omdat zij de wapens opnam tegen de nazi’s. ‘‘Nooit meer’ betekent niet dat we als Joden nooit meer worden aangevallen. Het betekent dat we ons altijd zullen verdedigen’, zegt hij.
Andere kleinkinderen van Weiss dienen voor het Israëlische leger in Gaza, als tankcommandant en parachutist. ‘Het zou niet moeilijk zijn geweest om hun – zeker zo kort na de aanslagen – soms heftige uitspraken op te nemen in de film’, zegt De Blaauw, ‘maar we wilden dat hun verhaal altijd een verband met Sobibor zou hebben. Het thema is immers niet de strijd tussen Israël en de Palestijnen. Tegelijk moesten we het wel over Gaza hebben, omdat de genocide aldaar ook grote invloed heeft op de manier waarop Joden wereldwijd de Holocaust gedenken.’
Dat blijkt overduidelijk uit de scènes gefilmd in Nederland, als Jetje Manheim, dochter van een ondergedoken Jood die zijn ouders in het vernietigingskamp verloor, de jaarlijkse Sobibor-herdenking bij het Vondelpark in Amsterdam bijwoont. Daar klinkt volop kritiek op Israël. En later, als verre, pas onlangs hervonden familieleden met Manheim in Rotterdam struikelstenen plaatsen voor vermoorde familieleden, neemt een nicht in verband met Gaza de term genocide in de mond. Manheim: ‘Het Beloofde Land heeft op deze manier geen toekomst. Het ideaal Israël bestaat niet meer. Israëliërs hebben recht op leven, de Palestijnen net zo goed.’
Zo raken hedendaagse gewelddaden en de Holocaust met elkaar vervlochten. In de Oekraïense hoofdstad Kyiv bezoeken de filmers de zoons van Arkady Wajspapir, de Joodse krijgsgevangen Sovjetsoldaat. Hij overleefde niet alleen de opstand in Sobibor, zijn leven is minstens zo zwaar getekend door Stalins terreur en de Sovjet-Unie waarvan Oekraïne deel uitmaakte.
Wajspapirs vader werd vermoord door de KGB omdat hij Joods was. Een van de zonen mocht nog in de jaren tachtig niet op de prestigieuze universiteit van Moskou studeren. De reden: ‘We hebben hier al genoeg Joden.’ De Sovjet-Unie verzweeg de Jodenvervolging door de nazi’s weliswaar niet, maar wel dat Joden in het Rode Leger de opstand in Sobibor hadden geleid. Na de oorlog hadden overlevenden het zwaar omdat krijgsgevangenen die zich aan de nazi’s hadden overgegeven volgens Sovjet-opvattingen hun land te schande hadden gemaakt.
Het heeft, een uitzonderlijk lichtpuntje in Schelvis’ opnamen, de blijmoedigheid van Arkady niet aangetast. Nuchter en bescheiden vertelt hij over zijn heldenrol bij de opstand. ‘Ik volgde de bevelen, ik was soldaat.’ Zijn zoons, die hun zeer oud geworden vader in de documentaire met een maaltijd gedenken, zien zich in hun aan puin geschoten stad geconfronteerd met wat Poetin nu aanricht. ‘Misschien beter dat vader dit niet meer meemaakt’, zegt zoon Vadym.
Thom Blatt verkeerde na de oorlog in Californië, wonend in Santa Barbara, in materiële welstand. Daarom kon hij jaarlijks terugkeren naar Polen. Daar zwierf hij rond in zijn geboortedorp en in Sobibor, hij huurde een filmploeg voor de reconstructies. Hij filmt, in de vroege jaren tachtig, een stoomlocomotief op het doodlopende traject naar Sobibor: denkbaar dat die bij Jodentransporten is ingezet.
Blatt spreekt in een bos een bejaarde bewoner van zijn dorp aan: zij wijst de plek aan waar Joden werden geëxecuteerd. Wat verderop zijn de restanten van een Joodse begraafplaats. De graven zijn geschonden ‘door politiemannen, die schoften denken dat de Joden hun rijkdommen in de kist hebben meegenomen’, zegt de vrouw. Gebroken grafzerken zijn op een berg gegooid.
In zijn dorp keert Blatt terug naar zijn ouderlijke woning. Hij treft de nieuwe bewoner aan, die ontkent dat sommige huisraad heeft toebehoord aan zijn voorgangers, de familie Blatt. Maar Thomas herkent een stoel, draait die om en ziet op de onderkant zijn familienaam. Blatts bezoek maakt in de bewoner, zo blijkt later, een ongekende hebzucht wakker. In de overtuiging dat de familie Blatt schatrijk was – die was vast teruggekomen om de verstopte kostbaarheden op te halen – begint hij muren en veronderstelde bergplaatsen open te breken, net zolang tot het huis in enkele jaren verandert in een bouwval.
Als De Blaauw en Tuinstra jaren later met Blatts dochter Rena terugkeren, is het huis verdwenen. Het is niet het enige schokkende voorbeeld van hedendaags antisemitisme in Polen. De filmers stuiten op het verhaal van de Joodse Josef Kopf, die Sobibor overleefde en na de oorlog terugkeerde naar zijn vrienden die zijn bezittingen ‘in bewaring’ hadden genomen. Er werd nooit meer iets van hem vernomen. Zijn veronderstelde vrienden zouden hem met een hoofdschot hebben vermoord en begraven in een akker.
Een dronken zoon heeft die toedracht bekend, maar de laatste nog levende dorpsgenoot van destijds weigert de filmers te ontvangen. Wel is zijn stem te horen: ‘Gaat het over Joden? Ja, Kopf had een winkel. Hij was een rijke Jood.’ Er klinkt geen mededogen: ‘Mijn hart bloedde. De Joden hebben fortuin gemaakt in ons land. En wij hebben niets.’
Het was zulk virulent antisemitisme dat Sobibor-overlevende eerder genoemde Stanislaw ‘Shlomo’ Szmajzner deed besluiten in 1947 naar Brazilië te emigreren. Rusteloos rookt hij, in opnamen uit de jaren tachtig uit een andere bron, en vertelt hij hoe hij door kampcommandant Gustav Wagner bij aankomst in Sobibor uit de rij werd gepikt omdat hij edelsmid was. Tot de opstand overleefde hij door voor Wagner sieraden te maken.
In de jaren tachtig komt Szmajzner erachter dat Wagner in Brazilië verblijft. ‘We ademen dezelfde lucht’, realiseert Smajzner zich en hij verklaart zich bereid Wagner te vermoorden. ‘Maar de Joodse gemeenschap wilde dat niet.’
Aanvankelijk lijkt de nazi te worden veroordeeld, maar het Braziliaanse hooggerechtshof, aangestuurd door de rechtse junta, laat hem vrij. Niet veel later wordt Wagner dood aangetroffen in zijn huis. Zelfmoord met een mes, luidt de officiële doodsoorzaak. De foto’s van het toegetakelde lijk doen echter een gewelddadige dood vermoeden.
En ook het raadselachtige glimlachje van Szmajzner als hij het over Wagners zelfmoord heeft, doet een zekere betrokkenheid vermoeden. Het doet een catharsis vermoeden, alsof Wagners dood een bevrijdende vorm van gerechtigheid was. Maar zijn weduwe zegt dat Szmajzner niet opgelucht was, en het verleden hem parten bleef spelen.
Nee, het maken van de documentaire heeft De Blaauw en Tuinstra niet hoopvol gestemd. Het antisemitisme in Polen, de ontmenselijking van de Palestijnen en de genocide in Gaza, ‘nota bene door Joden’, zegt De Blaauw: het zijn dezelfde symptomen – racisme, uitsluiting, vreemdelingenhaat – die zich overal, ook in Nederland, manifesteren. ‘Het zit in de mens’, zegt Tuinstra.
De driedelige documentaire Echo’s van Sobibor, vanaf 7/1 wekelijks om 20.25 uur bij BNNVara op NPO2.
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant