Ze was nog geen 9 jaar oud toen ze vluchtte uit Vietnam, maar Tiffany Pham kan zich er nog veel van herinneren. Eenmaal in Nederland had ze jaren nodig om zich veilig te voelen. ‘De tocht is slechts het begin.’
Tiffany Pham (53) is geboren in Vietnam. In 1982 kwam ze als bootvluchteling via Manilla in Nederland terecht. Getraumatiseerd door de helse tocht, die tientallen opvarenden het leven kostte, begon ze aan een nieuw bestaan in een vreemd en koud land. Hoe is het haar vergaan?
Wat waren voor u redenen om te vluchten?
‘Het werd voor mij beslist. Ik was een kind van bijna 9 jaar en werd overspoeld door de gebeurtenissen. Later begreep ik pas waarom we waren gevlucht. Nadat de communisten uit Noord-Vietnam in 1975, na twintig jaar oorlog, het kapitalistische zuiden hadden ingenomen, werden anticommunisten en mannen die in het Zuid-Vietnamese leger hadden gevochten opgepakt en in heropvoedingskampen opgesloten. Ook hun familieleden waren niet veilig.
‘Mijn schoonvader is in zo’n kamp omgekomen. Mijn ouders waren anticommunist, om die reden waren ze in 1954 van Noord- naar Zuid-Vietnam verhuisd. Mijn drie broers hadden in het leger gediend, mijn ouders hadden dus genoeg redenen om bang te zijn. We zijn in groepjes gevlucht.
‘In de zomer van 1981 lieten mijn ouders mij logeren bij mijn oudere zus, die doelbewust met haar man en twee jonge kinderen in een dorp vlak bij zee was gaan wonen. Midden in de nacht van 11 juli maakte mijn zus mij wakker en zei: ‘Kom, we moeten gaan.’ Ik had geen idee waarom.
In Nederland wonen volgens het CBS op dit moment mensen met 196 verschillende nationaliteiten, van Afghaans tot Zwitsers, van wie de meesten migranten zijn. Het zijn mensen die naar Nederland zijn gekomen voor werk of liefde, of zijn gevlucht voor armoede of oorlog. Het zijn mensen over wie veelvuldig wordt geschreven en gedebatteerd, maar er wordt minder vaak mét ze gesproken.
In de nieuwe serie ‘Eerste generatie’ laat de Volkskrant mensen aan het woord die als eersten van hun familie de stap zetten om alles achter te laten wat hun vertrouwd was. Welke redenen hadden ze om hun land te verruilen voor Nederland? Welk leven lieten ze achter, en wat hebben ze hier opgebouwd?
‘We liepen met zijn vijven door het donker, over een smal pad langs rijstvelden, totdat we bij een houten rivierboot aankwamen. Er stonden veel mensen. We moesten allemaal stil zijn. Er mochten honderd mensen op de boot, maar het werden er 140; op het laatste moment sprongen er nog een paar mensen op. Er was voor drie dagen water en voedsel aan boord gehesen.
‘De kapitein zei dat we over de Zuid-Chinese Zee naar het dichtstbijzijnde Maleisische eiland zouden varen, en dat de overtocht hooguit drie dagen was. De persoon die de zeekaart en het kompas zou meenemen, bleek opgepakt. De kapitein besloot zonder hem te vertrekken. Dat hebben veel overlevenden en nabestaanden hem later verweten.’
Welke gebeurtenissen tijdens de vlucht zijn u bijgebleven?
‘De meeste indruk maakte wat mensen in doodsnood doen. Ik sloeg alle beelden op. Onze boot raakte uit koers. Benzine, water en eten waren na drie dagen op. We dobberden stuurloos op zee, uiteindelijk 21 dagen lang. We raakten uitgehongerd en ernstig verzwakt.
‘De een na de ander stierf en werd overboord gegooid – 46 in totaal. Ook een baby die op de boot was geboren. We telden 42 schepen die voorbijvoeren zonder ons te hulp te schieten. Een paar mannen aan boord haalden planken uit de zijkanten van onze boot om er vlotten van te maken. Ze dachten dat een paar mensen op een vlot meer kans maakten om te worden gered dan een volgepakte boot. Twee vlotten vertrokken, met elk acht à negen mensen erop, vooral mannen. Eén vlot keerde terug, met één overlevende, de rest was verdronken.
‘Iemand maakte van een stuk hout een vuurtje om zout zeewater op te koken. De druppels op het deksel van de pan werden opgevangen. Eén man ruilde zijn trouwring voor een druppel water, voor zichzelf, terwijl zijn vrouw op sterven lag – zij overleefde de tocht niet. Op een gegeven moment wilde iemand mensenvlees eten. De kapitein verbood dat, er ontstond ruzie, er werd gevochten, uiteindelijk is het niet gebeurd. Ik herinner me ook dat op een avond een storm opstak. Onze boot ging heen en weer op de hoge golven. Eén persoon riep: ‘En nu allemaal naar links, en nu allemaal naar rechts.’ Er werd gehuild en geschreeuwd. Een engel moet de boot overeind hebben gehouden.
‘De ingrijpendste gebeurtenis voor mij was dat het 4-jarige zoontje van mijn zus stierf van honger en dorst. Ik stond ernaast toen mijn zwager hem over de rand van de boot in zee legde. Dat verdriet voel ik nog steeds.’
Hoe zijn jullie uiteindelijk gered?
‘Op zaterdag 1 augustus, door een Nederlandse gastanker, de Antilla Bay. De kapitein, Geo Visser, was een man met een groot hart. (Tiffany Pham laat een foto zien die vanaf de tanker is genomen, met biddende, uitgemergelde vluchtelingen op een smalle, gehavende houten boot.)
‘Hoewel we op sterven na dood waren, leefde iedereen op bij deze laatste strohalm. Enkelen konden over de uitgegooide trap het schip opklimmen, maar de meesten moesten door de bemanning worden gedragen, ik ook. We werden naast elkaar op het dek gelegd en kregen druppeltjes water. De vrouw van de kapitein zorgde vol overgave voor ons.
‘Ik sliep veel, bij het ontwaken kostte het mij grote moeite om mijn ogen te openen. Ik moest ze lospeuteren, het was alsof ze dichtgeplakt zaten met lijm – dat schijnt normaal te zijn bij mensen die bijna dood zijn. Onderweg naar de dichtstbijzijnde haven, van Manilla, stierven nog tien van ons, onder wie de man van mijn zus.
‘Op 2 augustus bereikte het schip de haven. Die bleek gesloten omdat het zondag was. Omdat er sprake was van een noodsituatie, zocht de kapitein contact met een journalist van persbureau Reuters, die een artikel publiceerde dat de wereld rondging. Met effect: we mochten aanmeren en van het schip af, om aan te sterken in een vluchtelingenkamp van de VN. Uit de intercom in het kamp klonk elke dag de 40ste symfonie van Mozart.’
Hoe waren de eerste jaren in Nederland?
‘Op 1 maart 1982 kwamen we aan op Schiphol. Het was een koude dag, de kleren die we van het Rode Kruis hadden gekregen, waren veel te luchtig. In een bus werden we naar Steenwijkerwold gebracht. Iedereen was stil en keek naar buiten. Ik voelde verdriet, heimwee én verwondering over de sneeuw die ik voor het eerst zag. We werden ondergebracht in een klooster, waar ik Nederlandse woordjes leerde van juf Jolanthe: Miep, bloem, Kees, schaap. Negen maanden later kregen we een huis in Zwolle, voor mijn zus, haar dochter van negen maanden oud en mij.
‘Ik was heel timide. Elke avond lag ik in bed te huilen. Ik ging naar een katholieke basisschool, waar ik mij een vreemde eend in de bijt voelde en werd gepest door een paar jongens; ik was stil, dus een makkelijke prooi. Jaren later heb ik hen op een reünie geconfronteerd met hun pesterijen. ‘Je praatte niet’, zei de een. ‘Weten jullie wel wat voor bagage ik met mij meedroeg, dat ik gevlucht was?’, zei ik. Ze boden hun excuses aan.
‘Die eerste jaren voelde ik mij niet veilig. Het was een te grote wereld voor me. Ik observeerde vooral om erachter te komen hoe alles werkte. Mijn zus gaf mij opdrachten die ik gehoorzaam uitvoerde, zoals het bellen van instanties over kwesties waarvan ik niets begreep. Ze droeg mij ook op een katholieke kerk te zoeken – we waren katholiek opgevoed. Elke zondag zat ik in mijn eentje in die kerk, mijn zus bleef thuis met haar baby. Hetzelfde oudere stel kwam telkens naast mij zitten. Zij gaven mij een gevoel van veiligheid.
‘Na drie jaar kwamen mijn ouders met behulp van gezinshereniging naar Duitsland. Met mijn zus spraken ze af dat ik bij haar bleef wonen. Over onze ervaringen tijdens de vlucht is nooit met één woord gesproken.’
Welke persoon is voor u belangrijk geweest bij het verwerken van uw vlucht?
‘De studentenpsycholoog van de hbo-opleiding bedrijfskader, die ik volgde in Utrecht. Eenmaal op mijzelf wonend bleef ik in angst leven. Ik had geen netwerk, geen vrienden en zwierf van kamer naar kamer in onderhuur. Het eerste jaar van de studie haalde ik maar twee van de tien vakken, ik had last van faalangst. Ik stond op het punt om op te geven, totdat de decaan mij doorverwees naar een studentenpsycholoog. Bij de eerste afspraak vroeg ze meteen naar mijn verhaal. Tot dan had ik nooit met iemand over Vietnam en de vlucht gesproken. Ik had nooit hulp gehad en leefde op de automatische piloot.
‘Bij de studentenpsycholoog werd voor het eerst benoemd dat ik getraumatiseerd was. Ze adviseerde mij iemand in mijn omgeving in vertrouwen te nemen. Dat deed ik, bij een medestudent die naast mij in de kantine kwam zitten. Hij sleepte mij door de studie heen. Ik kreeg meer vrienden en vond een kamer op mijn naam – vanaf dat moment begon ik te leven. Ik ging naar salsa-les, dansen werd mijn uitlaatklep. Ik ontmoette er twee vriendinnen voor het leven.
‘De ouders van die medestudent uit de kantine werden als een vader en moeder voor mij, en later als een opa en oma voor mijn twee kinderen. Ze hebben mijn man en mij ook gesteund bij de opvoeding volgens Nederlandse tradities, zoals Sinterklaas en verjaardagen vieren, trakteren op school, naar sport-, zwem- en muziekles gaan. Ik wilde dat mijn kinderen zich in geen enkel opzicht achtergesteld zouden voelen.
‘Dat de juiste mensen op je pad komen om je verder te helpen, zie ik als onzichtbare krachten in het leven – ik ben er spiritueel door geworden.’
Hoe heeft u uw leven vormgegeven?
‘Ik ben altijd aan het pionieren geweest, heb alles zelf moeten uitzoeken. Na mijn hbo-opleiding vond ik snel een baan. Zodra ik moeder werd, ben ik gestopt met werken omdat ik wilde dat mijn kinderen niets tekort zouden komen, overal aan konden meedoen en een netwerk leerden opbouwen om een succesvol leven te kunnen leiden in Nederland. Ze volgen nu allebei een hbo-opleiding en zijn op hoog niveau actief in sport en muziek.
‘Toen mijn kinderen wat groter waren, zocht ik een parttimebaan. Ik haalde een diploma als coach, met als doel vluchtelingen te helpen. Na een jaar stopte ik met mijn coachingsbureau, om me volledig te richten op mijn toen ernstig zieke zoon. Daarna ben ik bij gebrek aan betaald werk vrijwilligerswerk gaan doen, op school, voor Vluchtelingenwerk, de kerk en de Volksuniversiteit. Ik verdiepte mij in de Vietnamese keuken en ben kookworkshops gaan geven. Ik heb altijd alles aangepakt, in een behoefte aan structuur, persoonlijke ontwikkeling en om een bijdrage te leveren aan de maatschappij.
‘Mijn trauma van de vlucht heb ik nooit weggestopt, in tegenstelling tot veel Vietnamezen. Ik ben hun stem geworden. Nadat het tv-programma Andere Tijden in 2015 een uitzending had gemaakt over onze redders op zee, besloot ik er een boek over te maken en een reünie te organiseren met de overlevenden, hun nazaten en de bemanning van de Antilla Bay. Er waren honderd mensen. De Vietnamese kapitein van onze boot kwam over uit Amerika. De Nederlandse kapitein van de Antilla Bay bleek helaas overleden, zijn vrouw en twee zoons waren er wel. Gezamenlijk herdenken is belangrijk, ook voor de redders.
‘Ik praat alleen nog over mijn verleden als vluchteling als het een doel heeft, zoals nu, nu de mildheid jegens asielzoekers lijkt te verdwijnen. De mens in de vluchteling zien is belangrijker dan ooit. Natuurlijk zijn er in elke groep mensen die problemen veroorzaken, dat geldt ook voor autochtone Nederlanders. De meeste vluchtelingen zijn dankbaar en willen met hard werken iets terugdoen voor Nederland.’
‘Als ik hoor of lees hoe sommige Nederlanders over deze mensen praten, denk ik: jullie weten niet wat het betekent om alles wat vertrouwd is achter je te laten. Dat doe je niet zomaar. Ik durf mij steeds vaker uit te spreken, zoals tijdens een vakantie in Egypte, waar ik Nederlanders hoorde klagen over asielzoekers: ‘Zij krijgen alles en wij krijgen niks’, zei iemand. Ze hadden niet door dat ik ook Nederlands was en schrokken toen ik opmerkte: ‘Weet u hoeveel deze mensen hebben verloren? Hun land, hun familie, hun huis, hun werk, alles – ze komen hier met lege handen. U bezit veel meer.’
Net zoals u, 45 jaar geleden, proberen ook nu vluchtelingen en migranten in vaak gammele boten een veiliger en beter bestaan te vinden in Europa. Wat doen deze beelden met u?
‘Ik herbeleef mijn eigen ervaringen als bootvluchteling. Ik heb het zó met ze te doen. Voordat ze op zee terechtkomen, hebben ze al veel meegemaakt. Die tocht is nog maar het begin van heel veel moeilijkheden die de overlevenden zullen moeten overwinnen.’
Tiffany Pham is een van de twee miljoen Vietnamezen die hun land ontvluchtten na de Vietnamoorlog. Die strijd had een complexe voorgeschiedenis. Vanaf 1880 werd het huidige Vietnam een Frans protectoraat, Frans-Indochina. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen Vietnamezen uit verschillende hoeken in opstand tegen de koloniale overheersing en uitbuiting, met als doel onafhankelijkheid. Een belangrijke figuur in deze strijd was de communistische leider Ho Chi Minh, die steun kreeg van de Sovjet-Unie.
Na de overwinning op de Fransen in 1954 werd het land verdeeld in het communistische Noorden en het niet-communistische Zuiden. Deze ideologische scheiding vormde de basis voor de Vietnamoorlog, die een jaar later uitbrak. Vanaf 1965 stuurden de Verenigde Staten grootschalig troepen naar Vietnam, waardoor de oorlog een internationaal karakter kreeg. De Koude Oorlog voedde het conflict, met miljoenen doden en groot leed onder de bevolking tot gevolg, ook door toedoen van Amerikaanse troepen.
In 1975 kwam er een einde aan het conflict en werden Noord- en Zuid-Vietnam herenigd onder een communistisch bestuur. Uit angst voor vervolging en economische instabiliteit ontvluchtten veel Zuid-Vietnamezen hun land in gammele bootjes. Nederland ving ongeveer zestienduizend van hen op.
Renée Meershoek
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant