Home

Schrijver Levi Jacobs wil zijn davidster met trots dragen. Zijn opa maakte ooit een andere keuze

De opa van schrijver Levi Jacobs zei altijd dat hij de systematische vernietiging van de Joden zag aankomen en zwoer zijn joods-zijn ooit af. Jacobs zelf wil het juist weer oppakken – niet om Israël te steunen, maar omdat de Joodse gemeenschap onder druk staat.

Op een Haarlemse begraafplaats, aan de Amsterdamsevaart, staat een zerk voor de familie Bendix. Op de zerk staat één sterfplaats en één sterfdatum vermeld: Zandvoort, 15 mei 1940. De dag daarvoor werd tussen 13.27 en 13.40 uur Rotterdam gebombardeerd. Ook in Zandvoort waren de rookpluimen zichtbaar.

Op het graf staan de namen van Albert Bendix (geb. te Dülmen op 12 augustus 1879), zijn vrouw Bertha Bendix-Loewenberg (geb. te Hoerde op 25 december 1878), hun zoon Hans Jozeph Bendix (geb. te Bonn op 22 juli 1909), en zijn schoonzus Henriëtte Bendix-Loewenberg (geb. te Hoerde op 8 februari 1873). Ze waren vanuit Duitsland, ergens in de buurt van Keulen, naar de Brederodestraat 98 in Zandvoort gevlucht.

Een paar straten verderop woonde mijn latere opa, Karl Heinz Dekker, met zijn ouders. Bendix is de meisjesnaam van zijn moeder.

Opa Karl heeft altijd gezegd dat hij het zag aankomen. De oorlog, de pogroms, de systematische vernietiging van de Joden. Ik heb dat nooit geloofd. Hoe kan een mens zoiets voorspellen?

Misschien bedoelde hij het subtieler, wilde hij zeggen: we moeten de Jodenhaat serieus nemen. Of: niet alleen de religieuze jood wordt bedreigd, maar álle Joden.

Hij was niet de enige die dit voorvoelde. Stefan Zweig (1881-1942) vertrok in 1934 uit Oostenrijk en vestigde zich in Londen, net op tijd. In zijn memoires, De wereld van gisteren (1942), schrijft hij: ‘Ik was vergeten dat ik Jood was, en was het eigenlijk nauwelijks nog – in religieuze of nationale zin – en opeens werd ik het weer.’

Zoiets moet ook opa Karl hebben gedacht, want het verhaal gaat dat hij, ongeveer in de periode waarin Zweig vertrok uit Oostenrijk, zijn familie heeft gewaarschuwd. Hij was 16 jaar oud en op bezoek bij zijn Duits-Joodse oma kocht hij een exemplaar van Mein Kampf. Hij las het en zei: ‘Wat hier staat, gaat echt gebeuren, ze gaan de Joden uitroeien, als parasieten.’

Zijn familie lachte het weg. Ze waren seculiere Joden. En wat wist een 16-jarige?

Een jaar later ging opa Karl opnieuw naar zijn familie in Duitsland en bezocht daar ook de familie van zijn moeders kant, de Bendixen. Hij waarschuwde ze. De Bendixen waren rijk, bankiers, het waren hoge piefen. In zekere zin stonden ze model voor alles wat door de nazi’s werd gehaat: ze bekleedden posities op invloedrijke plekken, waren hoogopgeleid, bezitters van kapitaal.

Ze waren ook naïef: ze weigerden te vluchten, weigerden hun bezittingen en posities op te geven. Volgens mijn moeder noemde opa Karl hen, zelfs na de oorlog, zelfs nadat een groot deel in de concentratiekampen was vergast, zelfs nadat de familie Bendix zichzelf collectief van het leven beroofde, een stel ‘doorgefourneerde rotmaterialisten’.

Tussen 1933 en 1937 was de kans op overleving voor vluchtende Joden relatief hoog, met name als er werd uitgeweken naar landen als de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Brazilië, Argentinië, Palestina en neutrale landen, zoals Zweden. Daarna daalde de kans aanzienlijk.

Pas halverwege 1939 vluchtte een deel van opa Karls familie uit Duitsland. Ook de familie Bendix, die veilig dacht te zijn in Zandvoort. Nederland, dachten ze, zou neutraal blijven.

Mijn vroegste herinnering aan opa Karl is dat we schaakten – of eigenlijk een door hem bedachte variant: ‘Jagertje’. Ik kreeg meer stukken dan hij en moest hem schaakmat zetten, zijn doel was om zo goed te verdedigen dat het op een patstelling zou uitdraaien.

Meestal lukte dat. Hij zat in de rieten stoel in mijn ouderlijk huis en droeg een gekleurd hemd en een beige ribbroek, gesnoerd door een donkere riem. Ik zat op mijn knieën. Tussen ons in stond het schaakspel op een kruk.

Opa Karl was een potige man, klein van stuk, met handen die gemaakt leken voor zwaar werk – zo nam hij ook mijn stukken van het bord wanneer hij ze sloeg, met een grote beweging waarbij zijn vingers balden tot een vuist.

Ook ik heb zulke handen, met grote palmen en nauwelijks nagels aan mijn gezwollen vingers. Net als hij heb ik er nooit mee leren werken.

Na een poos zo gespeeld te hebben, voegde hij iets nieuws toe. Om de paar zetten draaide hij het bord om, zodat ik afwisselend uit mijn en zijn perspectief speelde. Zo leerde ik om niet alleen met mijn eigen spel bezig te zijn. Ik leerde vooruit te denken, te redeneren vanuit de tegenstander, te anticiperen.

Koppig en principieel

Een enkele keer bezocht ik het huis in Zandvoort waar mijn grootouders na de oorlog naar terugkeerden. In het huis was niets wat herinnerde aan het jodendom: geen menora, geen Tenach, sidoer of Talmoed. Niet eens een halfverholen mezoeza op de deurpost. Ze droegen zelfs geen davidster meer.

Na opa Karls overlijden vond mijn moeder twee kettingen in een klein doosje in de dubbele bodem van de kledingkast. Daarnaast lag de revolver die hij bij zich droeg tijdens de oorlog. Hun joods-zijn werd hun ontnomen en nooit meer teruggegeven, ook niet toen de Duitsers allang waren vertrokken.

Volgens mijn moeder was opa Karl koppig en principieel: hij weigerde na de oorlog zijn joodse identiteit weer aan te nemen, omdat hij vond dat hij daarmee niet alleen zichzelf en het jodendom zou verloochenen, maar ook alle joden die zich hadden verzet en wél joods waren gebleven tijdens de oorlog.

In The Voice of Memory (1997) zijn interviews en gesprekken met Primo Levi (1919-1987) gebundeld. Primo Levi werd beroemd door zijn werk Is dit een mens? (1947), waarin hij verslag doet van zijn ervaringen in Auschwitz. In het gesprek met schrijver Edith Bruck in 1976 zegt hij: ‘Als er geen rassenwetten en geen kamp waren geweest, zou ik waarschijnlijk niet langer Jood zijn geweest.’

Net als Stefan Zweig werd Primo Levi tot Jood gemaakt. Niet vanwege religieuze uitingen of culturele worteling, maar omdat zijn afkomst hem in de ogen van de samenleving Joods maakte – los van zijn eigen overtuigingen.

Hitler schrijft in Mein Kampf: ‘De Jood is geen mens van een bepaald geloof, maar de Jood is een ras – en wat voor een! Het geloof is slechts een dekmantel om zijn ras te verbergen.’

Tot een ras behoor je, daar kan je geen afstand van doen.

De Oostenrijkse filosoof en schrijver Jean Améry (1912-1978), geboren als Hans Mayer, keerde zich nog vóór de oorlog af van het jodendom en beschouwde zichzelf als seculier. Anders dan Levi of Zweig liet Améry zijn joodse identiteit na de oorlog niet los.

In zijn essay Über Zwang und Unmöglichkeit, Jude zu sein uit de bundel Jenseits von Schuld und Sühne (1966) schrijft hij: ‘Ik werd mens, niet doordat ik mij innerlijk beriep op mijn abstracte mens-zijn, maar doordat ik mij in de gegeven maatschappelijke realiteit als een rebellerende Jood ontdekte en mij volledig verwezenlijkte.’

De omarming van de joodse identiteit, die Améry was opgelegd door de Duitsers, werd een verzetsdaad. Mens-zijn is de keuze vóór een bepaalde identiteit, de ópgelegde identiteit is een vorm van ontmenselijking.

Opa Karl behield zijn autonomie, zijn mens-zijn, door niet te kiezen voor zijn joodse identiteit. Een keuze waarop hij ook na de oorlog niet terug kon komen.

Over de toedracht van de collectieve zelfmoord van de familie Bendix doen meerdere verhalen de ronde. In een reportage in het Haarlems Dagblad van 3 mei 2019 is te lezen dat de familie Bendix op die bewuste meidag de ramen en deuren heeft gesloten, de gaskraan heeft opengezet en gearmd op de grond van de keukenvloer is gaan zitten.

Bijna tweehonderd Joden zouden in die periode hetzelfde hebben gedaan. In de versie die mijn moeder me al van kinds af aan vertelde, zou de familie de transistorradio in het stopcontact in de badkamer hebben gestoken, het bad hebben laten vollopen, om er vervolgens gezamenlijk, met z’n vieren, in te gaan zitten samen met de transistorradio.

In weer een andere versie, waarvan ik me niet kan herinneren van wie ik die heb gehoord of waar ik die heb gelezen, zou de familie gezamenlijk de Zandvoortse duinen zijn ingetrokken, in een kring zijn gaan staan en één voor één een revolver op de slaap hebben gezet. Zo zouden ze daar dagen hebben gelegen.

Hoe dan ook: de desillusie na het capituleren van Nederland moet zo groot zijn geweest, dat de familie Bendix besloot er een eind aan te maken. Tot op de dag van het bombardement op Rotterdam hebben ze misschien geloofd dat ze op tijd waren gevlucht uit Duitsland. Dat Zandvoort de juiste keuze was.

Ik vraag me af of ze aan de waarschuwing van opa Karl dachten. Of ze beseften dat ze naïef waren geweest, te veel waarde hadden gehecht aan hun verworvenheden, te lang hadden vastgehouden aan hun joodse identiteit. Opa Karl heeft het ze altijd verweten.

Davidster uit het zicht

Op mijn 13de verjaardag kreeg ik van mijn moeder een ketting met een davidster. De ketting was ruwer dan ik had gehoopt, de hanger grover. En zilver. Ik wilde een dun gouden kettinkje met een kleine, gouden ster. Zoals wielrenners kruisjes op hun borst dragen die tevoorschijn komen wanneer het shirt opengaat bij de beklimming van de Alpe d’Huez.

Ik wilde mijn ster net zo dragen. Op het voetbalveld boven mijn shirt, in de klas in het zicht, bij het zwemmen op mijn borst.

Zo makkelijk was dat niet. Voor ik de deur uitging, gaf mijn moeder me een kus en wipte de hanger achter mijn shirt. Een davidster draag je uit het zicht, zei ze. Ging ik zwemmen, dan stond ze erop dat ik ’m afdeed en vertelde ze over mijn neef die vanwege zijn davidster door een groepje jongens twee minuten onder water was geduwd.

Mijn broer werd vanwege zijn ster op straat uitgescholden voor kankerjood. Soms werd hij achterna gezeten. De wijk waar ik opgroeide had een grote islamitisch gemeenschap, de rest van de bewoners was christelijk. Gelovigen van beide religies uitten zich. Wij verborgen de onze.

Als de joodse vrienden van mijn moeder bij ons langs waren geweest, zei mijn moeder: ‘Zie je wel, ze dragen geen keppeltje maar een alpinopet, zodat ze niet opvallen.’

Ik zag het en zag ook hoe de dunne kettinkjes in hun boord verdwenen. Bij de concerten van mijn zus, die Jiddisch-Joodse muziek maakt, was mijn moeder zenuwachtig. Ging er achter in de zaal een deur open, dan greep ze mijn hand.

Ze vond het ‘van de zotte’ dat mijn zus op het podium over haar joodse identiteit vertelde. Je wist nooit wat voor gekken er rondliepen.

Uiteindelijk hebben bijna al mijn familieleden hun davidster afgelegd. Ook nu zie ik dit gebeuren. Ik ken mensen die na 7 oktober 2023 hun davidster weer zijn gaan dragen, niet om Israël te steunen, maar omdat de joodse gemeenschap onder druk staat, omdat ze niet willen dat de geschiedenis zich herhaalt. Maar het is een minderheid die daarvoor kiest – de meesten hebben hun davidster sinds 7 oktober 2023 afgedaan of verborgen.

Nadat opa Karl overleed, kwam er in de woonkamer van mijn ouderlijk huis een houtskoolportret te hangen dat hij maakte tijdens de oorlog. Christus aan het kruis, met het hoofd richting de borst, een doornenkroon met scherpe punten. Christus oogt krachteloos, of eerder berustend, haast vredig.

De houtskoolschets is uit 1942. Als kind keek ik er graag naar. Ik wist niet wie die man met de doornenkroon was, maar de schaduwen trokken me aan, alsof het zwarte houtskool ruimte maakte voor het spaarzame wit.

Later vroeg ik me af waarom opa Karl ervoor had gekozen om tijdens de oorlog juist dit beeld te maken. Ik kwam tot twee mogelijke verklaringen:

Christus was óók een Jood die werd vervolgd. In Marcus 15:26 staat: ‘En het opschrift van zijn beschuldiging was boven Hem geschreven: De Koning der Joden.’ Jezus was Joods en zag zichzelf als de Messias. Ik vind het een treffende gedachte dat juist de omwenteling die hij vertegenwoordigde – het begin van het christendom, een nieuwe identiteit – voor opa Karl tijdens de oorlog symbolisch werd.

Christus zegt in Johannes 10:18: ‘Niemand neemt mijn leven, maar ik geef het uit mijzelf. Ik heb macht het te geven en macht het weer te nemen.’ De familie Bendix beroofde zichzelf van het leven. Zou opa Karl daarin een parallel hebben gezien?

Albert Bendix had veel contact met zijn neef, Julius Stern, die wel op tijd de oversteek maakte naar Amerika. Op 3 mei 1940, een kleine twee weken voor de zelfmoord, schrijft hij aan Julius: ‘Als er een paar slechte berichten komen, dann schwimmen sofort alle Felle weg (dan verlies ik alle hoop). (...) Ik hoop dat we hier over twee maanden vanaf een grote afstand naar kunnen kijken, dat is een stuk beter voor mijn zenuwen.’

Het liep anders.

Op 22 februari 1942 pleegde Stefan Zweig samen met zijn vrouw zelfmoord in Petrópolis, Brazilië. Europa was kapot. Voor de Joden was geen plek meer.

Primo Levi werd op 11 april 1987 gevonden onderaan de trap van het gebouw waar hij woonde. Zelfmoord, volgens de lijkschouw.

Jean Améry nam op 17 oktober 1978 in het hotel Coq d’Or in Salzburg een overdosis. In zijn essay Over de zelfmoord (1976) verdedigde hij de daad als ultieme uiting van autonomie. ‘Wie zich doodt, erkent niet langer het gezag van het bestaan.’

Opa Karl keerde zich af van zijn jodendom, zijn familiegeschiedenis; een deel van zijn identiteit.

Laatste troef

Een paar jaar geleden bezocht ik Marianne van Praag, de rabbijn van de Liberaal Joodse Gemeente in Den Haag. Ik wilde me aansluiten.

Ze liet me weten dat ik daarvoor onderzoek moest laten doen naar mijn achtergrond. Onomstotelijk moest komen vast te staan dat ik joods was. Ik vertelde dat dat lastig was. Dat mijn grootouders het jodendom hadden afgezworen, dat er niet meer over werd gesproken, geen belijdenis in praktijk gebracht. Dat zij het jodendom uit hun huis hadden verbannen.

Ik vertelde dat oma Kiki was gedoopt, waarschijnlijk uit voorzorg, maar dat het lastig te achterhalen was.

Het bracht haar niet op andere gedachten.

Als laatste troef liet ik foto’s zien van mijn grootouders. De rabbi keek naar mij. Ik lijk in de verste verte niet op het stereotype Jood – integendeel, ik zie er eerder Arisch uit.

Ze herhaalde haar standpunt: ik moest bewijzen dat ik joods was. Wat dat ook moge betekenen.

Gelaten verliet ik het huis van de rabbi. Ik bedacht me dat opa Karl aan de vooravond van de oorlog had besloten géén Jood meer te willen zijn. Dat oma Kiki zich had verschanst achter Christus. Ik besefte dat ik wilde uitdragen wat zij hadden moeten afzweren. Even begon ik te twijfelen of ik mezelf wel een jood mocht noemen. Toen herinnerde ik me iets.

De keukendeur in het huis van opa Karl stond op een kier. Hij stond aan de wasbak, zijn potige handen in het sop, de gladde mokken druipend en glinsterend in het vaatrek, en neuriede een lied dat me vaag bekend voorkwam.

Het leek alsof mijn hart openging, alsof ik iets terugvond dat ik was kwijtgeraakt. Pas jaren later, toen mijn moeder dezelfde melodie neuriede en ik haar vroeg wat het was, leerde ik dat het lied een niggoen was, een gezongen gebed.

Even overwoog ik, daar op de stoep van de rabbi, om terug te gaan en haar dit verhaal te vertellen, maar ik besloot toch door te lopen.

Levi Jacobs (1992) debuteerde in 2025 bij Atlas Contact met de roman Wie ik ben. In 2023 ontving hij de Hollands Maandblad Beurs voor proza. Hij is hoofdredacteur van literair tijdschrift Liter.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next