Home

Mensje van Keulen is van alles vergeten, maar deze gebeurtenis niet. En dat komt niet alleen door haar dagboeken

Het verleden is omgeslagen, maar niet vergeten. Omdat schrijver Mensje van Keulen decennialang een dagboek bijhield, waarvan nu deel 4 verschijnt, komt een ‘grote akelige gebeurtenis’ ook weer omhoog. ‘Mannen kunnen ontzettend stom zijn; je moet nooit een schrijver pakken die een dagboek bijhoudt.’

‘Lees het maar niet!’, dat zegt schrijver Mensje van Keulen steevast tegen haar zoon en andere mensen in haar omgeving als het gaat over de publicatie van haar dagboeken.

Komende week, op 8 januari, verschijnt het langverwachte vierde deel van haar dagboeken, Omgeslagen dagen, dat gaat over de periode van 1983 tot 1987. Het is het deel waar ze het meest tegenop zag om uit te werken. Vanwege een akelige gebeurtenis uit het verleden die ze nooit vergeten is en die daarin beschreven staat. Daarover later meer.

Waarom wil je niet dat je omgeving het leest?

‘Natuurlijk kan ik het niet verbieden, desondanks zeg ik ‘lees het maar niet’ omdat het leven nú ertoe doet en ik tegen vragen, oordelen, uitleggen opzie.’

Heeft je zoon het ook echt niet gelezen, denk je?

‘Nee, al kan ik dat natuurlijk niet zeker weten, maar hij las wel in een recensie hoe in een nachttrein, toen ik met een vriendin richting Spanje ging, een Franse conducteur ons eerst een betere coupé gaf, maar daarna, tja, probeerde zijn miezerige piemel in mijn mond te steken. Dus toen zei mijn zoon ontdaan: jeetje, wat lees ik nou?’

In juridische zin was dat verkrachting. Hoe kijk je erop terug?

‘Ik heb het ooit mee laten spelen in een verhaal, laconiek met een knauw. Nu op het voorval terugkijkend zie ik de kerel niet alleen als een smeerlap maar ook als een zielig geval, je zal maar zo in elkaar zitten.’

Mensje van Keulen (79), geboren in 1946, als Mensje Francina van der Steen, roepnaam Mennie, debuteerde in 1972 met Bleekers zomer. De roman zette haar naam als 25-jarige in één klap op de literaire kaart. Ze werd vergeleken met Willem Elsschot, Gerard Reve en Nescio.

Ze was redacteur van het roemruchte studentenblad Propria Cures waarvoor ze verhalen schreef en politieke cartoons tekende. Ze heeft ruim dertig titels op haar naam staan, waaronder romans, talloze korte verhalen, kinderboeken en gedichten. Haar uiteenlopende werk, dat inmiddels vijfenvijftig jaar omspant, werd in 2014 bekroond met de Constantijn Huygensprijs.

Maar ze schreef niet alleen fictie. Van Keulen hield vanaf 1976 dagboeknotities bij in doodgewone schoolschriften. De eerste drie delen – Alle dagen laat, Neerslag van een huwelijk en Moeder en Pen over de periode 1976 tot 1983 – vonden gretig aftrek. Ze schetst daarin haast terloops een ontluisterend beeld van het seksisme en de seksuele moraal in de jaren zeventig en tachtig, die vooral voor veel vrouwen (en huwelijken) helemaal niet zo geweldig blijkt.

In haar eerdere drie dagboeken beschrijft Van Keulen openhartig hoe haar huwelijk met jeugdliefde en fotograaf Lon van Keulen langzaam maar zeker stukloopt door zijn jarenlange overspel. Ook na de geboorte van hun zoontje Aldo in 1979 blijft hij vreemdgaan. Als hij haar verwijt dat hij eigenlijk kinderloos had willen blijven, zijn de laatste dagen van hun huwelijk definitief geteld. Ze vertrekt.

In het nieuwste, vierde, dagboekdeel Omgeslagen dagen is Van Keulen alleenstaande moeder, haar zoontje is inmiddels 5 jaar, en schippert ze tussen werk, moederschap, avonden uit en wel/niet gaan voor nieuwe liefde Roel.

Je ex-man komt er niet al te best uit in je dagboeken. Heeft hij ze gelezen?

‘Ik denk het niet. Hij woont in Frankrijk. Ik spreek hem niet meer. Mijn zoon spreekt hem incidenteel aan de telefoon, maar hij woont als kluizenaar met zijn hond. Ik hoop dat het hem goed gaat.’

‘O nee Bosie, niet op haar nek springen. En niet likken!, roept Van Keulen plotseling naar haar kastanjebruine kater. Te laat. Bosie is al gesprongen en zit prinsheerlijk op de schouder van de interviewer. ‘Doe maar niks, beweeg niet, ik geef hem iets lekkers. Dit doet-ie altijd’, zegt Van Keulen terwijl ze Bosie liefdevol op tafel zet en kattensnoepjes aan hem voert.

Hoeveel schriften met dagboeknotities heb je volgeschreven?

‘In totaal 94. Van 1976 tot 2000. Ik ben nu bij schrift 57 met uitwerken.’

‘Er staat zoveel meer in dan ik me kan herinneren, tot in detail. En Jezus, die boeken die ik toen allemaal las. Wat weet ik daar nog van?’, zegt Van Keulen, terwijl ze door haar kenmerkende lange krullen strijkt.

Hoe kijk je op jezelf terug?

‘Als iemand anders, maar ik zie ook dat ik in een heleboel zaken niet ben veranderd. Zoals de liefde voor dieren. Als dieren iets overkomt, ben ik ogenblikkelijk in tranen. Dat heb ik ook bij kinderen, ik kan niet tegen dat soort onrecht. Tegelijkertijd zie ik dat de afschuw voor mensen daardoor vaak toeneemt. Niet voor alle mensen natuurlijk. Soms vallen ze goddank mee.’

Waarom ben je een dagboek bij gaan houden?

‘Ik was het nooit van plan. Maar in 1976 zat ik erg vast bij het schrijven van een nieuwe roman. Mijn huwelijk was niet zo best. Er was veel verdriet in huis. Kennelijk heb ik zo geklaagd dat ik van drie kanten kreeg te horen: ga een dagboek bijhouden, dan houd je het schrijven in de vingers. Dat ben ik toen maar gaan doen.’

En was het ook een goede vingeroefening?

‘Misschien moet ik toch wel toegeven dat het heeft geholpen. Of dat het in ieder geval bij de rest van mijn werk hoort. Ik wil altijd graag zeggen dat ik een fictieschrijver ben, dat mijn werk bestaat uit romans en korte verhalen en wat kinderboeken en vrolijke verzen. Maar die dagboeken horen er toch ook bij. Een groot verschil is dat je ineens zelf tevoorschijn komt als je ze publiceert. Dat is iets waar ik soms veel moeite mee heb.’

Maar daar kies je toch zelf voor als je die dagboekfragmenten publiceert?

‘Dat eerste dagboek tikte ik uit omdat de uitgeverij graag iets wilde doen voor mijn 60ste verjaardag. En ik heb nooit werk liggen. Dus ja, toen zei ik: nou, ik heb dagboekschriften, zal ik daar eens inkijken? Helemaal niet denkend aan wat ik allemaal zou kunnen tegenkomen. Ik was al weg uit het huwelijk dat daarin veelvuldig beschreven staat, dat komt dan allemaal terug. Het is ook ineens weer heel rauw als je erover terugleest.

Dus wat ik elke keer heb gepoogd: doen alsof het wel fictie is, het met distantie proberen over te tikken: Klopt die datum? Klopt deze zin? Alleen dat soort kleine wijzigingen heb ik aangebracht.’

Je hebt jezelf niet gecensureerd?

‘Nee. Ik heb sommige mensen een initiaal gegeven. En hier en daar heb ik het wat verzacht. Dan schrijf ik bijvoorbeeld als een algemene constatering hoe vrouwen jaloers kunnen zijn’. Begint te grinniken. ‘Maar dan dacht ik toch wel aan twee specifieke vriendinnen.’

Je ex deed bijna niks in de opvoeding, lezen we in je nieuwste dagboekdeel.

‘Nee, af en toe paste hij op maar dat was niet altijd gunstig voor het kind. Verder deed mijn moeder veel. Die kwam elke keer helemaal uit Den Haag om mijn zoontje op te halen voor een weekend, of ze paste op bij mij thuis en maakte dan ondertussen mijn huis schoon.’

Je moeder maakte ook kantoren schoon.

‘Ja, en toen ze plotseling overleed in 1995 weet ik nog dat ik in huis alles wat ze kort daarvoor nog aangeraakt had, dwangmatig ging aanraken. De leuning, de tafel, het strijkijzer en ook de kat. Dan ging ik mijn Bobbie aaien zoals zij hem altijd aaide.’

Had je een hechte band met je moeder?

‘Zeker, maar in dit laatste dagboekdeel zag ik dat ik ook geërgerd door haar kon zijn. Ze was toen, in 1986, net ingestort. Mijn geduld raakte op. Op een gegeven moment weet je gewoon niet meer hoe je met iemand moet omgaan die psychotisch is geworden. Het was de tweede keer.

‘Toen mijn vader haar in 1970 na 25 jaar huwelijk verliet en er met een raar wijf vandoor ging, zat ze op de wc haar polsen door te snijden en moest ze opgenomen worden. Dat was vreselijk. Een vrouw die ik alleen maar als sterk kende. Die ’s morgens om 5.30 uur opstond en ons allemaal eerst brood en thee op bed bracht en dan uit werken ging. En ’s middags, na haar schoonmaakbaan, zorgde ze dat ze er weer was als wij uit school kwamen.

‘Toen ik op middelbare school zat en de kleine behuizing en mijn leuke zusje hinderden als ik wilde schrijven of tekenen, huurde mijn moeder van haar weinige geld een kamertje speciaal voor mij zodat ik daar in stilte kon werken.’

Ze had dus oog voor jouw talent?

‘Ze zal iets hebben herkend. Ze was slim maar in die tijd zei dat niks en hing alles samen met het milieu waarin je opgroeide. Zij was 12 jaar toen ze van school werd gehaald en als dienstmeisje moest werken. Haar geluk was dat ze bij een gegoede Haagse familie kwam, waardoor ze keurig Nederlands leerde spreken. Van die mensen hield ze veel. Dat waren mede-ouders voor haar en die hielpen haar later de oorlog door met eten en alles. Toen de mevrouw bij wie ze als 12-jarige in huis kwam overleed, was ze kapot van verdriet. Dat heeft waarschijnlijk ook bijgedragen aan die tweede psychose waarover ik in het dagboek schrijf. Ze sliep wekenlang niet meer. Dan gebeurt zoiets.

‘Haar generatie uitte zich amper, ze klaagden niet, ze deden gewoon hun werk.

‘Ik weet nog toen ik als redacteur begin jaren zeventig bij Propria Cures zat, en de golf van feminisme opkwam – terecht natuurlijk, alles is waar wat betreft onderdrukking en achterstelling van vrouwen – ik wel vaak dacht: maar die vrouwen die jullie huizen schoonmaken dan? Wie zijn dat? Moeten die zich niet ontwikkelen? Denken jullie daar weleens over na?’

Je was lang een van de weinige vrouwen in de literaire wereld.

‘Er waren in de jaren zeventig weinig schrijvende vrouwen. In de jaren tachtig kwamen er natuurlijk wel wat bij, zoals Renate Dorrestein, Doeschka Meijsing en Nelleke Noordervliet. Maar lang kende ik geen schrijvende vrouwen. Heel gek. Nu is dat compleet anders.’

Maar was je ook one of the guys?

‘Nou ja, dat kon niet anders. Ik zat bij PC met alleen mannelijke redacteuren. Ik had er nooit moeite mee. Het waren wel speciale mannen, Koen Koch, Tim Krabbé, Guus Luijters, Henk Spaan, noem maar op.

‘Bij de redactie van het literaire tijdschrift Maatstaf, waar ik van 1973 tot 1981 in de redactie zat, was dat eveneens het geval. Gerrit Komrij, Theo Sontrop, Martin Ros, William Kuik, een goede tekenaar die ook wel schreef. William werd een vrouw, Dirkje, liet zich opereren. Eerst zat ik tegenover een sigaren rokende man in een driedelig pak, vaak onder de as, mopperend op van alles in de wereld. Na de operatie zat ze er, duidelijk meer op haar gemak, met gelakte nagels, een knot en een jurk. Ze was meer vrouw dan ik, zei ze, want ik moest maar eens naar haar nagels kijken. Ze zei ook dat de operatie van man naar vrouw gelijk is aan de pijn bij een vrouw die baart en weeën heeft.’

En wat antwoordde jij dan?

‘Ik zei: Nou, dat is pittig dan!’

Er werd in die jaren, lezen we in je dagboek, flink gerookt, gedronken en drugs gebruikt.

‘Ik ben nu al bijna veertig jaar van het roken af, drinken doe ik nog weinig. En coke nam ik in die jaren een enkele keer als het me werd aangeboden. Ik herinner me hoe wakker ik ervan bleef, nachtbraakte, niet naar bed ging, maar ging schrijven, ook in mijn dagboek. Er staat dan ook weleens een passage in die ik met een loep moest ontcijferen.’

Misschien hing het samen met het genotmiddelengebruik, maar er waren toen meer relletjes tussen schrijvers dan nu.

‘Ik had er niet het meeste last van, maar ik vond het wel hinderlijk, zoals Jeroen Brouwers schrijvers aanviel. Hij attaqueerde de zogenoemde ‘jongetjesliteratuur’ van Propria Cures, waar ik dus ook bijhoorde, hij vond het onzin waarover wij schreven.

‘Ik dacht altijd bij Brouwers, hij woont telkens in een dorp, hij kan gewoon niet tegen Amsterdam, had er daardoor een hekel aan. Hou toch op, iedereen is van vlees en bloed, dingen die in Amsterdam gebeuren kunnen mensen elders ook overkomen. Hij sprak met dedain over ‘de grachtengordel’. Alsof al die schrijvers genoeg geld hadden om binnen de grachtengordel te wonen. Toen al niet en nu nog niet.

‘Later, veel later, toen hij al vrij oud was, begon hij ineens de loftrompet over mijn werk te steken. Maar ik heb hem nooit ontmoet.’

Is het jammer dat er nu minder schrijverspolemieken zijn?

‘Lezers zullen het leuk vinden, maar als je er onderdeel van bent, is het minder. Ik heb daar geen zin meer in. Ik kan sowieso niet tegen ruzie. Woede kan ik in fictie kwijt, en ook in die dagboeken.

‘Nu ik zelf op leeftijd ben, zoals dat heet, zie ik hoe achterlijk het is om bagger over ouderen te storten. Wist je dat het de meest gediscrimineerde groep in Nederland is?’

Is dat zo?

‘Ja, dat is zo. Ze worden oudjes genoemd, dor hout, een last voor de zorg, en verwijtend wordt beweerd dat ze te ruim wonen en rijk zouden zijn. Als ze worden afgebeeld, lopen ze achter een rollator of met een stok, zitten ze in tehuizen met oubollige meubels, smyrnakleedjes, muziek. Laatst stond in NRC een terechte boze brief naar aanleiding van een artikel over een groep ouderen die zich inzette tegen de klimaatverandering. In het artikel werd daar een beetje lachwekkend over geschreven, dat ze bij hun actie ook dansjes maakten. Terwijl die mensen bloedserieus zijn, en zich inzetten voor hun kinderen en kleinkinderen. Maar ze worden neergezet alsof ze niet meer geheel over hun verstandelijke vermogens beschikken.’

Je bent toch nog niet van de Partij voor de Dieren overgestapt naar 50plus?

‘Haha, nee, maar ik vind wel dat hij het goed doet, die oud-agent, Jan Struijs. Hij had een leuke opmerking toen het ging om de indeling van de zitplaatsen in de Kamer en wel: ‘Als de Kamerleden van 50plus maar dicht bij de wc’s zitten.’

‘Ik stem altijd op de Partij voor de Dieren. Al die koeien die nooit meer buiten komen. Al die hoorns die worden weggebrand. Al die stierkalfjes die na een paar weken op transport gaan naar de slachthuizen. Sowieso de transporten en slachthuizen. Als ik aan het dierenleed in de bio-industrie en aan dierproeven denk, word ik even ongelukkig als woedend.’

Van Keulen kijkt naar haar kat Bosie die inmiddels midden op tafel zit. Deze keer statig op de laptophoes van de interviewer. ‘Kijk naar hoe schattig hij zit. Mooi hè, die kleur?’

Ja.

‘Het is toch prachtig, die pootjes en die schoonheid? Zo'n schoonheid hebben mensen niet. Ik kijk vaak met verwondering naar die miljoenen haartjes, die drie kleurtjes die ieder afzonderlijk haartje heeft. Die teentjes bij elkaar, die prachtige oortjes, die snorharen. Ik heb hem Bosie genoemd naar Lord Alfred Douglas, de minnaar van Oscar Wilde, maar mijn Bosie is geen schavuit. Hij is niet zo ontrouw en hij werkt me niet de diepte in. Nee, het is een schat van een kat. Maar, ik dwaal af.’

In je dagboek schrijf je in 1986 dat je het ‘een idiote actie’ vindt van de CPNB dat ze Tessa de Loo, of Tineke zoals je haar bij haar roepnaam noemt, ‘die pas drie jaar in het circus meedraait’, hebben gevraagd het Boekenweekgeschenk te schrijven. Vind je het jammer dat jij, toch een beetje de koningin van het korte verhaal, nooit bent gevraagd dat te schrijven?

‘Nee, nee, daar ging het niet om. Het was raar dat zij uit het niets werd gevraagd. Het was eervol als iemand voor het Boekenweekgeschenk werd gevraagd. Er waren toen genoeg andere schrijvers die al ouder waren en aan de beurt zouden kunnen zijn. Dus wat was daar aan de hand? Het bleek dat ze dat mocht doen vanwege één ontmoeting met de toenmalige voorzitter van de CPNB. Ik weet niet of die hele teneur van de CPNB om vooral op bestsellerauteurs te richten toen is ontstaan; dat literair als elitair wordt gezien. Dat is gebeurd. Nou so be it.’

In je dagboek schrijf je ook dat veel literaire prijzen doorgaans naar mannen gaan ‘en bij uitstek naar de grootste praatjesmakers’. Is dat nog steeds zo?

‘Dat is veranderd.’

Welke mannen vond je praatjesmakers?

Lachend: ‘Bijna allemaal. Snoeven. Altijd dat snoeven. Ook richting elkaar. Ik ben daar allergisch voor. Nog steeds, als ik weer een schrijver ernstig hoor praten over zijn schrijverschap.’

‘Maarten (’t Hart, red.) is dus iemand die geen pretenties heeft. Dat is waarom ik van hem houd. Zijn kritieken zijn niet mals als iets of iemand hem ergert, maar ik heb hem nooit neerbuigend naar wie dan ook meegemaakt. Ik herinner me hoe hij een lintje kreeg en in een pak werd gehesen, hij wist er niks van. Ik zat naast hem en hij zei alleen maar: ‘Dit had niet ik, maar mijn vader moeten krijgen, die van alles deed voor de vrijwillige brandweer.’’

In je dagboeken komt het seksisme van jouw generatie mannen naar voren. Hoe kijk je daarop terug?

‘Soms was het onhandigheid. En als je jong bent jagen de hormonen. Het woord ‘metoo’ was er gewoon niet hè. En flirten, dat werd normaal gevonden. Een hand op je achterwerk was niet normaal hoor, maar die duwde je weg en was geen reden tot aanklacht. Als iemand dat nu op kantoor doet, wordt het een hele affaire. Maar toen zei je: ‘rot op’. Dat ligt nu gevoeliger, ik vind soms te gevoelig.

‘Het gevaar is dat er labiele of leugenachtige vrouwen zijn die er misbruik van kunnen maken. Maar zeker zijn er mannen die nog steeds niet snappen waarom iets niet mag. Dat deugt ook niet. Er zitten zoveel nuances aan.’

Je doet het soms bijna achteloos maar in je dagboeken schrijf je wel over het geweld van mannen tegen hun vriendinnen of bedpartners. Bijvoorbeeld over S., als een vriendin vertelt dat ze met hem afspreekt. ‘Ja, ik ken S. wel. Niet lang geleden ging hij met vriendin M. mee en naaide haar zo wreed dat ze nog dagen pijn had.’

‘Ja, dat gebeurde en dat zal nog steeds gebeuren. Maar als je daar het slachtoffer van was, dan vertelde je dat aan een vriendin en ging je door met je leven. Je ging niet naar de politie en die man aanklagen.’

In een eerder dagboekdeel schrijf je over Ischa Meijer ‘dat hij zijn vriendin Els T. zulke trappen heeft verkocht dat haar pink is gebroken en ze misschien ook iets heeft aan haar nieren of een wervel'. Je schrijft het sec op, maar veroordeelde je het nou ook?

‘Nou ja, je keek wel anders naar iemand. Zeker bij Ischa zag ik zijn kwaliteiten maar ik zag ook de andere kant. Hij was ontzettend geestig, maar kon ook heel vervelend zijn. En enerzijds ja, kun je dat verfoeien en ik keur het af natuurlijk. Maar er zullen ook altijd verzachtende omstandigheden zijn. Tegenwoordig zou dat gedrag harder worden aangepakt.

‘Maar er staat natuurlijk een andere affaire in dit dagboek en daar werk je nu waarschijnlijk naar toe?’

Van Keulen staat op. ‘Wacht, ik moet even de poes eten geven.’

Er staat inderdaad een grote akelige gebeurtenis in dit dagboek.

‘Ja, daar heb ik veel moeite mee.

‘Ik wist al toen ik met mijn vorige dagboek bezig was: o, mijn god, in het volgende dagboek zal dit staan. Ik dacht ook: was ik maar nooit een dagboek begonnen, dan had ik dat ook nooit genoteerd. Het was dus moeilijk, bijna als destijds, vooral omdat het ook anderen raakt. Maar wie verwacht nou thuis te worden gepakt?’

In haar dagboek beschrijft Van Keulen hoe ze ’s avonds de stad in gaat met dichter en uitgever Theo Sontrop. Ze hebben een liederlijke avond die eindigt in sociëteit De Kring. Na sluitingstijd brengt tekenaar Peter van Straaten haar en Theo naar huis. Wat ze niet merkt, is dat een kennis uit de literaire wereld, hen is gevolgd en ook meekomt. Theo en Peter gaan naar huis maar de kennis blijft hangen en zegt dat hij niet naar huis kan omdat zijn vrouw de deur op het nachtslot heeft gedaan. Van Keulen wil slapen en loodst hem naar het bed van haar zoontje, die uit logeren is. Dan wordt ze wakker uit een diepe slaap omdat hij haar verkracht.

‘De titel van dit dagboek is niet voor niets Omgeslagen dagen. Voor mij is het weg, afgesloten. Je leven bestaat uit heel veel hoofdstukken en dit is er één van. Het is als het ware opgeborgen. En dat zou net als andere voorvallen opgeborgen kunnen blijven. Maar het punt is dat het – hoewel ik vind dat ik zelf geen schade of trauma heb, want zo erg is het niet in het licht van een wereld waarin mensen gewoon om niets vermoord worden, honger lijden of een rotleven hebben – toch is blijven hangen. Terwijl ik zoveel andere dingen ben vergeten. Het is nooit verdwenen, dat is het punt. Na die nacht wilde ik hem ontlopen, terwijl hij ook actief was in de literaire wereld. Vrij rondlopen of ergens naartoe gaan kon vanaf toen lastig zijn. Maar voor zijn vrouw vond ik het eigenlijk nog erger dan voor mezelf.’

Want je was bevriend met haar?

‘Ja, maar die vriendschap was daarna stuk. We onderhielden anderszins nog enig contact en ik heb haar af en toe ook gezien. Ik ben zelfs nog met haar naar Portugal geweest toen Gerrit (Komrij, red.) en Charles (Hofman, red.) daar woonden. Maar het onderwerp is altijd vermeden, we kwamen niet meer bij elkaar over de vloer.’

Waarom noem je hem X en niet bij zijn naam?

‘Ik wil zijn naam niet noemen, ik wil dat zijn vrouw niet aandoen.

‘Zoals ook in mijn dagboek staat, dacht ik het wel aan te kunnen. Het leven gaat door. De dagen zijn gewoon. Maar toen hij me opbelde en deed alsof het niks was, ontstak ik echt in toorn. En dat had ik opnieuw toen ik het las en uitwerkte. Tegenwoordig zou het waarschijnlijk als iets zwaarders worden gezien. Waar ik mee worstelde: waarom voel je je medeschuldig hoewel je niet schuldig bent? Dat is het vervelende. Je bént er alleen toevallig die avond.’

Hij was een bekende in de uitgeverswereld. Heeft het jouw carrière geschaad?

‘Nee.’

En die van hem?

‘Dat weet ik niet. Maar het verhaal ging wel rond in de cafés omdat ik het aan Sontrop en Spaan had verteld die doorhadden dat er iets mis was en woedend werden.’

Je beschrijft de verkrachting in je dagboek tot in detail, en ook hoe je daarna nog antibioticum moet nemen omdat je ook nog iets hebt opgelopen. Maar de dagen en weken daarna schrijf en praat je er niet meer over. Is dat jouw manier van verwerken?

‘Ik ben nog nooit in therapie geweest. Hoera. Ik geloof er niet zo in.’

Ook niet bij deze affaire?

‘Het is zelfs niet bij me opgekomen. Zoals ik nooit iemand laat meelezen als ik nog aan het schrijven ben, zo moet ik er niet aan denken dat ik in therapie zou moeten, omdat ik ergens last van heb.’

Ben je dan nooit bang geweest om in te storten?

‘Jawel. Verdriet kan moordend zijn en angsten zijn ellendige plaaggeesten. Als je echt instort, zoals bij mijn moeder gebeurde, dan is er medicatie. Zij heeft aan gesprekken niks gehad.

‘Nou, wat heb ik allemaal gezegd? Ik dacht van tevoren: als je ernaar gaat vragen, zeg ik: ja, dat ligt achter me. Volgende vraag. Het dagboek heet Omgeslagen dagen en dat is het.’

‘Maar het blijft je toch achtervolgen. Mannen kunnen ontzettend stom zijn; je moet nooit een schrijver pakken die een dagboek bijhoudt.’

Komt er nog een vijfde deel?

‘Ik wil nu eerst fictie schrijven. Hierna worden die schriften misschien saaier. Ik denk dat het veelal gaat over mijn opgroeiende kind, dus ik weet niet of ik ze nog ga uittikken. En of de heer of mevrouw in de hemel mij ook de jaren geeft om dat nog te doen.’

Wat ga je doen met de schriften die je niet meer uitwerkt?

‘Ik gooi ze in de prullenbak. Hupsakee, alleen de kaft bewaar ik. Het Letterkundig Museum heeft me ooit een brief gestuurd of ik ze wilde geven maar geen denken aan.’ Lachend: ‘Mensen zijn toch haaien, je kunt het maar beter een beetje in eigen hand houden.

‘O kijk, daar zie ik mijn man buiten lopen, ik had hem de deur uitgestuurd om vogelvoer te kopen. Dan komen die ook de winter door. Bosie heeft in de tuin altijd een bandje met twee belletjes om zijn nek, ik snap niet waarom niet iedereen dat bij z’n kat doet. Bosie heeft nog nooit een vogel gepakt, hoewel hij lange poten heeft en enorm kan springen.’

Maar je bent dus wel met Roel geëindigd? In Omgeslagen dagen is dat nog niet helemaal zeker.

‘Geëindigd, wat een droevig woord. Maar ja, we zijn jaren verder en ik zit met een man die 82 jaar is.’ Grinnikend: ‘Terwijl ik toen echt, echt van zins was om het alleen te doen. En gewoon een oudere, langzaam kaal wordende schrijfster te worden, haha.’

Cv Mensje van Keulen

10 juni 1946 Geboren in Den Haag als Mensje Francina van der Steen, roepnaam, Mennie.
1970-1972 Redacteur Propria Cures.
1972 Romandebuut Bleekers zomer.
1991 Nienke van Hichtumprijs voor haar jeugdboek Vrienden van de maan.
1992 Geheime dame, over Maarten ’t Hart.
2003 Annie Romeinprijs.
2006 Alle dagen laat – Dagboek 1976.
2011 Charlotte Köhlerprijs.
2006 en 2017 Lijstduwer op de kandidatenlijst voor de Partij voor de Dieren.
2014 Constantijn Huygens-prijs.
2016 Roman Schoppenvrouw.
2018 Neerslag van een huwelijk, dagboek 1977-1979.
2021 J.M.A. Biesheuvelprijs voor haar verhalenbundel Ik moet u echt iets zeggen.
2021 Het Kattentheater, een verzamelbundel, ter ere van vijftig jaar schrijverschap van Van Keulen.
2023 Moeder en Pen, dagboek 1979–1983.
2023 Alles raak, keuze uit haar korte verhalen en gedichten.
2026 Omgeslagen dagen, dagboek 1983-1987. Verschijnt op 8 januari bij Atlas Contact.

Mensje van Keulen heeft een zoon en een kleinzoon. Ze woont samen in Amsterdam met Roel Hazewindus.

Cv Mensje van Keulen

10 juni 1946 Geboren in Den Haag als Mensje Francina van der Steen, roepnaam, Mennie.

1970-1972 Redacteur Propria Cures.

1972 Romandebuut Bleekers zomer.

1991 Nienke van Hichtumprijs voor haar jeugdboek Vrienden van de maan.

1992 Geheime dame, over Maarten ’t Hart.

2003 Annie Romeinprijs.

2006 Alle dagen laat – Dagboek 1976.

2011 Charlotte Köhlerprijs.

2006 en 2017 Lijstduwer op de kandidatenlijst voor de Partij voor de Dieren.

2014 Constantijn Huygens-prijs.

2016 Roman Schoppenvrouw.

2018 Neerslag van een huwelijk, dagboek 1977-1979.

2021 J.M.A. Biesheuvelprijs voor haar verhalenbundel Ik moet u echt iets zeggen.

2021 Het Kattentheater, een verzamelbundel, ter ere van vijftig jaar schrijverschap van Van Keulen.

2023 Moeder en Pen, dagboek 1979–1983.

2023 Alles raak, keuze uit haar korte verhalen en gedichten.

2026 Omgeslagen dagen, dagboek 1983-1987. Verschijnt op 8 januari bij Atlas Contact.

Mensje van Keulen heeft een zoon en een kleinzoon. Ze woont samen in Amsterdam met Roel Hazewindus.

Meer magazine

Dit is een interview uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next