Home

Een economisch eindejaarsverhaal aan de hand van twee gemene vragen (2/2)

is econoom en publicist.

Onze materiële behoeften kunnen we, in Nederland anno 2026, bevredigen met een fractie van de arbeid die hiervoor in 1930 nodig was, het jaar waarin de Britse econoom John Maynard Keynes een essay schreef over de consequenties van voortdurende economische groei.

Een 15-urige werkweek zou vandaag de dag ruim afdoende zijn. Maar naast essentiële materiële behoeften zijn er ook ‘relatieve’ behoeften. Keynes noemt dit consumptie die ons het gevoel geeft superieur te zijn aan de mensen om ons heen. Een mooier huis. Een blinkendere auto. Duurdere wijn. En die consumptie, voorzag hij, kon best eens onverzadigbaar blijken, en dus meer arbeid vereisen dan die
15 uur.

Terwijl Keynes volstond met het aanstippen hiervan, duikt de Britse econoom Richard Layard er in zijn boek Happiness diep in. De twee vragen die ik u vorige week stelde, zijn geïnspireerd op zijn boek.

Vraag 1. Wat heeft u liever?
A) U heeft drie weken vakantie per jaar, anderen een week.
B) U heeft vijf weken vakantie, anderen acht.

Vraag 2. Wat heeft u liever?
A) Uw loon stijgt met 2 procent, het loon van uw collega’s stijgt met 3 procent.
B) Uw loon stijgt 1 procent, het loon van uw collega’s stijgt niet.

De meeste mensen wedijveren niet met anderen om vrije tijd. Dus kiezen de meesten antwoord B op vraag 1. U heeft zelf meer vakantie, en dat anderen nóg meer vrije tijd krijgen dan in antwoord A, doet geen afbreuk aan uw welbevinden.

Met inkomen werkt dat anders. Bij geld speelt sociale vergelijking met het inkomen van familieleden, collega’s, vrienden, buren een grote rol. De meesten van u kiezen voor antwoord B. Uw loonstijging is dan lager dan bij A, maar u verbetert uw inkomenspositie ten opzichte van uw collega’s. Dat weegt zwaar mee.

Layard schrijft, na hierover een paar empirische studies te hebben aangehaald: ‘Een stijging van het inkomen van andere mensen doet afbreuk aan uw geluk.’

Dat mensen zich niet rivaliserend gedragen als het gaat om vrije tijd, maar wél als het gaat om inkomen (en de bijbehorende consumptiemogelijkheden), verstoort een gezonde economische ontwikkeling. Layard schrijft: ‘Als ik meer uren werk en zo mijn inkomen vergroot, maak ik anderen minder gelukkig. Maar bij mijn besluit over het aantal werkuren speelt deze schade aan het geluk van anderen geen rol. Dus werk ik meer uren dan maatschappelijk efficiënt is – en dit doet iedereen.’

Layard legt zo uit hoe het komt dat de voorspelling van Keynes niet is uitgekomen. Niks 15-urige werkweek! De hang naar consumptie om anderen de loef mee af te steken is sterker dan het verlangen naar meer vrije tijd.

Als artificiële intelligentie doet wat de investeerders erin zo vurig hopen – taken van mensen overnemen teneinde goedkoper te kunnen produceren – zal de productiviteit toenemen en het nationaal inkomen groeien. Dat is niet niks.

Maar we moeten dus niet verwachten dat mensen als gevolg hiervan minder tijd zullen besteden aan werk. Het ‘economische probleem’ mag dan zijn opgelost (dixit Keynes), het economische psychologievraagstuk is nog levensgroot. Layard schrijft dat een van de geheimen voor geluk is om jezelf nooit te vergelijken met mensen die succesvoller zijn dan jij. ‘Altijd vergelijken met mensen die het slechter hebben, nooit andersom.’ Probeer het maar eens.

De beste wensen voor 2026!

Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen. Frank Kalshoven is econoom en publicist. Reageren? frank@frankkalshoven.nl.

Source: Volkskrant

Previous

Next