Geschiedenis Ook in 2026 kwamen met Openbaarheidsdag tienduizenden stukken vrij in het Nationaal Archief. „Vooral de meisjes”, signaleerde de geheime dienst, „schijnen gevoelig te zijn voor de jazzmuziek”.
Honderd Nederlanders die vrijwillig voor de nazi's aan het Oostfront hadden gevochten, keren in 1950 per trein via Berlijn terug van vijf jaar krijgsgevangenschap in de Sovjet-Unie.
Traditiegetrouw was de eerste werkdag van 2026 bij het Nationaal Archief in Den Haag weer Openbaarheidsdag, het moment waarop tienduizenden dossiers vrijkomen die tot dan toe geheim waren. Professionele onderzoekers hebben belangrijk materiaal al eerder mogen inzien, maar vanaf deze vrijdag zijn de stukken te bekijken voor elke Nederlander. De oogst van een dagje grasduinen.
Tocci’s Milkbar in Den Haag in 1940.
„Swing-nozems van de ergste soort”, zo werden de klanten van Tocci’s Milkbar aan de Hofsingel 8A in Den Haag genoemd. Naar aanleiding van artikelen in het Haagsch Dagblad en een gewapende overval besloot de Binnenlandse Veiligheidsdienst (de voorloper van de AIVD) in 1949 poolshoogte te gaan nemen tussen de milshakedrinkende jazzliefhebbers die in deze zaak van de familie Tokkie hun tijd verwijlden.
De aandacht van de dienst was extra geprikkeld toen uit het eerste onderzoek naar het personeel van de bar bleek dat Dik Smith – chauffeur, bokser en sportmasseur – tijdens de oorlog bij de NSB had gezeten en nu een relatie had met de getrouwde eigenaresse Martha Tokkie-Schmidt.
De agent van dienst noteerde na zijn barbezoek dat de jongens en meisjes „wat zitten te ginnegappen en elkaar het hoofd op hol brengen”. Als er een jazzplaat wordt opgezet „ziet men als het ware een siddering door het publiek varen”. De jongelui leken wel in trance te raken. „Vooral de meisjes, van wie het sommigen is aan te zien dat ze geen gezond leven leiden, schijnen gevoelig te zijn voor de jazzmuziek.”
Het flirten nam reeds in de bar een aanvang, aldus de rapporteur, maar werd elders voortgezet. Een jongeman met de naam Eddy Karelsen „of iets wat daarop lijkt” riep door de bar dat hij twee dagen met een meisje op een kamer wenste door te brengen. „Een andere barbezoeker bracht dat telefonisch in orde.”
Onder de bezoekers van Tocci’s Bar bevonden zich veel scholieren, maar ook jongeren die van plan leken „om zonder werken door het leven te komen”. De agent noteerde dat de bezoekers de milkshakes „van slechte kwaliteit” vonden, maar dat de bar in het afgelopen boekjaar desalniettemin fl. 1.697,68 winst had gemaakt bij een omzet van fl. 7.336,15.
Dat „dit niets-nutten en bij elkaar hokken in Tocci’s Bar” niet alleen leidde tot onzedelijk gedrag en een afkeurenswaardige muzieksmaak, bleek wel uit het feit dat een overval die in augustus 1949 had plaatsgevonden hier was voorbereid. De overvallers waren gepakt en zaten inmiddels in de cel, maar de agent van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) was er niet gerust op. Na wat hij allemaal gehoord en gezien had, achtte hij het niet uitgesloten dat ook in de toekomst „voorvallen als boven omschreven van het Tocci-publiek verwacht mogen worden”.
Ook al was je tijdens de Tweede Wereldoorlog bij de Waffen SS gegaan en had je gevochten aan het Oostfront, de Nederlandse overheid liet je niet aan je lot over. Dat blijkt uit de dikke mappen met stukken van medewerkers van de ministeries van Sociale Zaken en Buitenlandse Zaken en de ambassade in Moskou. Zij bewogen hemel en aarde om de Nederlanders vrij te krijgen die onder zeer slechte omstandigheden zaten opgesloten in krijgsgevangenkampen in de Sovjet-Unie.
Deze landverraders konden via het Rode Kruis met het thuisfront communiceren, in tegenstelling tot Nederlandse dwangarbeiders die zich in 1945 in Duitsland bevonden en daar door de Sovjets waren ‘bevrijd’. Zij waren naar precies dezelfde kampen gestuurd, maar hadden tot grote verontwaardiging van de Nederlandse autoriteiten minder rechten.
Vanuit een kamp in Sighet (Roemenië) konden deze onschuldigen aanvankelijk met hulp van de plaatselijke bevolking briefjes naar buiten smokkelen, maar sinds ze naar een kamp bij Odessa waren verplaatst, bleef het stil. Minister van Buitenlandse Zaken Pim baron van Boetzelaer van Oosterhout schreef daarom in 1948 aan de ambassadeur in Moskou: „Het lijkt gewenst bij passende gelegenheden steeds weer onder de aandacht der bevoegde Sovjet instanties te brengen, dat van Nederlandse zijde met een dergelijke minder gunstige behandeling van Nederlandse burgers, die tegen hun wil in de Sovjet Unie worden vastgehouden, geen genoegen kan worden genomen.”
Met de plaatselijke gezagsdragers was het echter kwaad kersen eten. De Sovjets wilden namelijk burgers terug die zich in Nederland bevonden, maar meenden dat de Nederlandse overheid hun repatriëring naar het moederland saboteerde.
Het werd een slepende kwestie. Ambassadeur baron van Pallandt schreef in september 1950 vanuit Moskou dat onderminister Andrej Gromyko zijn nota „amper een blik waardig keurde en begon met te zeggen dat het door mij genoemde getal van 750 Nederlanders schromelijk overdreven was”.
Hierna hield Gromyko een tirade over de vermeende gijzeling van zijn landgenoten in Nederland. Van Pallandt ontkende ten stelligste, maar daarmee nam de Sovjet-politicus geen genoegen. „De heer Gromyko weigerde verder op de zaak in te gaan, raapte de papieren welke ik hem had gegeven bij elkaar en verklaarde het gesprek voor beëindigd.”
Toch bleken Van Pallandts inspanningen niet voor niets, want op 3 november 1950 leverden de Sovjets een groep van honderd Nederlanders af aan de Duitse grens. Bij hun aankomst op de Schlesischer Bahnhof in Berlijn werden zij door de Nederlandse consul-generaal begroet. Na controle van hun papieren bleek dat veertien mannen Duitsers waren die zich voor Nederlanders hadden uitgegeven in de hoop eerder vrij te komen.
De Nederlandse SS’ers waren volgestopt met Sovjet-propaganda, maar bij hun ritje door Berlijn vielen hen meteen de schellen van de ogen, noteerde een tevreden ambassademedewerker. „In de Oostzône van Berlijn zag alles er treurig uit; geen licht en het puin niet opgeruimd. De Westzône maakte daarentegen een belangrijk betere indruk, precies tegengesteld aan hetgeen zij volgens jarenlange propaganda hadden verwacht.”
Vergadering van Surinaamse creolen in een schooltje in 1975.
Wat was hier voor iets raars aan de hand? Willy de Gaay Fortman, minister voor Surinaamse en Nederlands-Antilliaanse Zaken, stuurde op 24 juli 1975 een telegram naar de Nederlandse gouverneur in Paramaribo. Hem was ter ore gekomen dat de ‘Indiaanse Raad’, een Surinaamse indiaanse groepering, koningin Juliana had gedagvaard. Zij eisten van de majesteit 223 miljard gulden schadevergoeding voor „eeuwenlange koloniale onderdrukking”.
Dit was heel wat meer dan de 3,5 miljard gulden die Nederland van plan was over te maken zodra Suriname op 25 november onafhankelijk werd. De Indiaanse Raad was bereid zich door het hoofd van het huis van Oranje in aandelen te laten betalen, liet ze weten. Gouverneur Johan Ferrier antwoordde dat het verzoek was gedaan door ene Sewsahai, een voormalig kleermaker die geen advocaat was en vaker „merkwaardige verzoekschriften” indiende.
Medio augustus berichtte Ferrier dat Sewsahai ze niet „alle vijf op een rijtje” had en zich „voor het karretje van de indianen had laten spannen”. Helaas was zijn klacht formeel in orde, dus de kantonrechter moest hem wel op de rol laten staan. Naast Juliana was ook premier Joop den Uyl (PvdA) gedagvaard. Hun werd verweten: schending van de rechten van de mens, eeuwenlange onderdrukking van de indianen van Suriname en de verachting van het erfrecht van de oorspronkelijke bewoners van Suriname.
De eisers waren er ook niet over te spreken dat hun land zonder hun instemming met slaven en contractarbeiders was bevolkt, en dat aan een „bepaald groepje, voornamelijk afstammelingen van slaven” nu het gezag werd overgedragen.
De klagers gingen ertoe over een deurwaarder op Ferrier af te sturen om beslag te laten leggen op Nederlands eigendom in Suriname. Die maakte zich weinig zorgen. „De laatste Surinamer heeft [tegen die tijd] het licht op Zanderij al uitgedraaid, als het een Creool is. Als het een Hindoestaan is heeft hij het peertje mee naar Nederland genomen.”
Premier Den Uyl ging te rade bij kenners van de Rijksuniversiteit Leiden, die hem verzekerden dat de Indiaanse Raad helemaal niet sprak namens alle indianen in Suriname, en als gedesavoueerd beschouwd kon worden. Dat indianen weinig vertrouwen hadden in de Surinaamse overheid, vond de Leidse cultureel antropoloog overigens begrijpelijk.
Ambtenaren op het ministerie van Justitie achtten het „ondenkbaar” dat de rechter de eis zou toewijzen, en daar kregen ze op 26 september gelijk in. De kantonrechter in Paramaribo verklaarde de eisers niet ontvankelijk. Hij tekende er ten overvloede bij aan dat als ze wel ontvankelijk waren geweest, ze ook niet geslaagd waren, omdat hun klacht „een obscuur libel” betrof.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin
Source: NRC