Criminaliteit Vier keer per dag gaat ergens in Nederland een explosief af, meestal gemaakt van illegaal vuurwerk. De schade van dat geweld is groter dan we denken, stelt hoofdofficier van justitie René de Beukelaer. „Het is een taai probleem, al boeken we ook vooruitgang.”
Politie doet onderzoek bij een woning waar voor de tweede keer in een week tijd een explosief is afgegaan.
Wat zo’n tien jaar geleden in Amsterdam begon met handgranaten om eigenaren van coffeeshops te intimideren, is razendsnel uitgegroeid tot een veelgebruikte geweldsmethode: de explosie aan huis. De handgranaat van toen is nu een vuurwerkbom. In 2025 was sprake van een hausse aan explosies die het gevoel van veiligheid onder burgers ernstig aantastte. Gemiddeld werd vier keer per dag een aanslag met een vuurwerkbom gepleegd of een poging daartoe gedaan.
„De opkomst van de vuurwerkbom laat zien hoe snel criminaliteit vernieuwt”, stelt de Amsterdamse hoofdofficier van justitie René de Beukelaer. Dat geldt voor het gebruikte materiaal: het zeer explosieve flitspoeder uit zwaar vuurwerk als de Cobra, al dan niet in combinatie met benzine. En ook voor de manier waarop vaak minderjarige aanslagplegers worden geworven: via sociale media als Snapchat of Instagram. „De opdrachtgevers kennen ze niet, hun slachtoffers evenmin”, zegt De Beukelaer.
„Het blijkt heel lastig om dit probleem op korte termijn op te lossen”, aldus De Beukelaer die namens het Openbaar Ministerie betrokken is bij het Offensief tegen explosies, een werkgroep onder leiding van de Rotterdamse burgemeester Carola Schouten die nu een jaar bezig is.
Hoeveel mensen van al dat geweld slachtoffer zijn geworden, weet niemand precies, omdat deze vorm van criminaliteit onder verschillende categorieën wordt geregistreerd. Bovendien worden omwonenden die geen directe materiële schade hebben maar wel zijn getraumatiseerd door een explosie, nog niet geregistreerd als slachtoffer.
Slachtofferhulp Nederland vermoedt dat het om enkele duizenden slachtoffers per jaar gaat. Ook dat zijn geen precieze cijfers maar de hulpvraag is de afgelopen jaren sterk gestegen, vertelt Rika Koning. Zij voerde in het verleden zelf gesprekken met slachtoffers en adviseert nu medewerkers van Slachtofferhulp bij complexe zaken.
Het trauma bij slachtoffers zit diep en bij de verwerking ervan krijgen ze allemaal te maken met wantrouwen en bureaucratie, blijkt uit gesprekken met vier slachtoffers in verschillende delen van Nederland. Koning herkent die verhalen, die hier in algemene termen zijn beschreven vanwege de gevoeligheid van de situatie waarin de getroffen mensen zich bevinden.
Inzage in verklaringen van slachtoffers in een groot strafrechtelijk onderzoek bevestigen dit beeld, net als een aantal gerechtelijke uitspraken. Het gerechtshof in Amsterdam stelde dit voorjaar dat de golf aan vuurwerkbommen het vertrouwen van burgers in de opsporing ondermijnt omdat „explosies aan de orde van de dag zijn en maar niet gestopt lijken te kunnen worden”.
Na de knal reageren mensen allemaal anders op de paniek die opkomt bij het zien van kapotgeslagen glas, uit hun kozijn gerukte deuren of de geur van brand, vertelt Koning van Slachtofferhulp Nederland. De een belt 112, de ander rent de straat op. Sommigen bevriezen, anderen zoeken een brandblusser.
„Toen ik zag dat er brand was uitgebroken ben ik naar binnen gerend om mijn twee katten te zoeken”, vertelt een slachtoffer. „Dat duurde zo lang dat ik bijna flauw viel door zuurstofgebrek. Met het zwart voor mijn ogen heb ik op het raam geslagen om hulp. Die angst, die paniek, die vergeet ik nooit.”
Daarna vechten ongeloof en vertwijfeling bij vrijwel iedereen om voorrang. Is dit een ongeluk? Of ben ik het slachtoffer van een aanslag? Als sprake blijkt van opzet, volgt de tweede klap. En dat is een die niemand hoort, maar eentje die slachtoffers voelen. Door hun hele lijf.
Het leidt tot een diep gevoel van onveiligheid en angst. Wie heeft het op mij gemunt? En: komen ze nog een keer terug? „Toen we begrepen dat de bom voor een criminele buurman bedoeld was, zeiden wij meteen: dat betekent dat ze terugkomen”, vertelt een echtpaar. „Niemand geloofde ons, tot er een dag later weer een bom afging, nu niet bij ons maar bij die buurman. We hadden geen schade en toch kwam die klap nóg harder aan. Sindsdien durven wij onze kinderen niet meer alleen thuis te laten.”
De Beukelaer is verbaasd over de lankmoedige houding jegens vuurwerk in Nederland. „Een doos Cobra’s is qua explosieve kracht te vergelijken met een emmer handgranaten”, aldus De Beukelaer. „Het is héél gevaarlijk. En toch schrikt zo’n Cobra totaal niet af. Het is extreem laagdrempelig en heel veel mensen onderschatten de risico’s.”
Het verklaart volgens hem waarom die dozen haast argeloos op grote schaal per post worden verstuurd of het land binnen gebracht met bestelbusjes. „Ter illustratie van het gevaar hebben we voor het Offensief tegen explosies een busje met 1.800 cobra’s verpakt in dozen laten ontploffen. Op de beelden zie je dat van dat busje en twee daarbij geparkeerde auto’s helemaal niets overblijft.”
Het experiment was zo gevaarlijk dat het in Duitsland is uitgevoerd omdat er in Nederland geen veilige locatie gevonden kon worden. „Maar in de laatste maanden van het jaar rijden er auto’s en busjes af en aan met dit soort dozen vuurwerk”, zegt De Beukelaer. „Dat gaat een keer heel erg mis maar ik vraag me af of iedereen zich bewust is van dat gevaar.”
Omdat daders en opdrachtgevers zelden meteen worden gevonden, onderzoekt de politie meerdere scenario’s. En dat leidt tot moeilijke vragen, ook aan de slachtoffers. Hebben ze vijanden? Zijn ze actief in het criminele milieu? Is sprake van een ruzie in de relationele of zakelijke sfeer? Of was de bom echt bedoeld voor een ander?
„Je bent beroofd van je gevoel van veiligheid in je eigen huis en leeft in angst”, vertelt een slachtoffer. „En dan komt de vraag of je niet zelf aanleiding hebt gegeven voor die aanslag. Rationeel begrijp je dat de politie die vragen moet stellen maar twijfel en wantrouwen leiden op zo’n moment tot extra stress.”
Het idee dat mensen aanleiding hebben gegeven voor het geweld, voelt als een ontkenning van hun slachtofferschap, vertelt Rika Koning van Slachtofferhulp. „Voor mensen die hun veilige basis kwijt zijn en rust zoeken komt dat wantrouwen hard aan. Het leidt tot schaamte: wat zullen mensen wel niet denken?”
In de Meidoornstraat in Rotterdam werd een huis in acht dagen driemaal getroffen door een explosief.
Als hoofdofficier van justitie in Amsterdam wordt René de Beukelaer bijna dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van zware criminaliteit als grootschalige drugshandel, afpersing, moord. Vuurwerkexplosies omschrijft hij als een „taai probleem” waarvoor „geen simpele oplossingen” bestaan.
„Ik maakt me grote zorgen over het gemak waarmee jonge uitvoerders worden geronseld voor deze vorm van criminele dienstverlening”, zegt De Beukelaer. „Voor hen is het net gamen. De klus is een challenge. Dit tekent de digitale leefwereld van jongeren. In die wereld is er sneller contact met mensen in de misdaad. De drempel is laag, contact met opdrachtgever niet fysiek. Het gaat niet zelden om uitbuiting van jongens die ook worden ingezet voor overvallen en ander zwaar geweld.
„Deze daders, er zijn voorbeelden van 12-jarigen, overzien de gevolgen van hun handelen niet. We zien nu dat jongeren die ja zeggen op de vraag of ze een paar honderd euro willen verdienen, binnen een half uur worden opgehaald. Dan kúnnen ze niet meer terug.”
In 2024 en 2025 zijn ongeveer 700 uitvoerders van explosies aangehouden. Een aanzienlijk aantal, aldus De Beukelaer. „Maar het vinden van de tussenpersonen en de opdrachtgevers, is prioriteit. We zijn door strakke afspraken met de politie over een uniforme werkwijze in staat om patronen te herkennen en hoofdrolspelers aan te wijzen. Maar zij gebruiken op sociale media allemaal een bijnaam. Daarom is het moeilijk om deze verdachten te identificeren.”
De Beukelaer merkt wel dat bedrijven achter socialemediaplatformen meer oog krijgen voor hun rol bij dit probleem. „Begin dit jaar merkte ik bij hen nog veel weerstand. Inmiddels denken ook zij na over de manier waarop jongeren worden geworven via hun platformen. Ze onderzoeken bijvoorbeeld of algoritmes zo kunnen worden aanpast dat het contact tussen opdrachtgevers en uitvoerders kan worden geblokkeerd.”
Sommige bewoners van huizen die zijn getroffen door een vuurwerkbom zijn alles kwijt door brand of kunnen – soms langere tijd – niet in hun huis en dus ook niet bij hun spullen. Ze krijgen te maken met tal van instanties: de verzekering, de wooncorporatie, de gemeente, de schadetaxateur. „Ik stond op straat zonder spullen en had niks. De eerste nacht sliep ik bij familie, daarna ben ik ondergebracht in een hotel”, vertelt een slachtoffer.
„Ik kreeg voor die eerste dagen een paar honderd euro, daarna moest ik het zelf uitzoeken. Maar ik sliep slecht, had nachtmerries en moest uiteindelijk aan de slaapmedicatie om tot rust te komen. Dan is het heel moeilijk om voor jezelf op te komen. Bovendien krijg je op heel veel vragen geen antwoord. Ik ben gestopt met studeren vanwege concentratieproblemen. En ik ben ook nog eens blijven zitten met 8.000 euro schade.”
Zelfs mensen die goed verzekerd zijn blijven weleens achter met financiële restschade, aldus Rika Koning van Slachtofferhulp. En voor wie onverzekerd is, kan dat bedrag oplopen. „Wat als je niet meer terug kunt naar je huis, wie draagt de kosten van verhuizing en inrichting van een nieuwe woning? Wat als je door fysiek of emotioneel letsel langdurig bent uitgeschakeld en niet kunt werken?”
Slachtoffers worden wel op weg geholpen maar zijn daarna vaak afhankelijk van een strafzaak tegen een verdachte, aldus Koning. „Pas dan kunnen ze een schadeclaim indienen.” Die zaken duren vaak lang en als een claim al wordt toegewezen, betekent dat nog niet dat alle schade wordt vergoed, zegt ze.
Als een verdachte bijvoorbeeld alleen wordt veroordeeld voor brandstichting, schiet de staat maximaal 5.000 euro van een toegewezen schadeclaim voor. Er wordt gewerkt aan een betere regeling, maar op dit moment moet een slachtoffer dat zelf zien te innen. Als de verdachten heel jong zijn, moet een slachtoffer soms zelf ouders aansprakelijke stellen. Koning: „Die nasleep is onzeker, ingewikkeld en wordt door slachtoffers ervaren als een dubbele straf.”
Nederland is een land van regeltjes, stelt De Beukelaer vast. „Iemand die niet precies in een hokje past, krijgt al snel last van de bureaucratie. Dat is soms heel moeilijk uit te leggen.” Het Offensief tegen explosies probeert zich hard te maken voor slachtoffers. Het uitgangspunt bij vervolging van verdachten is het veroorzaken van explosie met gevaar voor goederen en personen, vertelt De Beukelaer. „Daar staat vier jaar celstraf op en bij een veroordeling komen slachtoffers in aanmerking voor een volledig voorschot op een toegewezen schadeclaim.”
En als uit de omstandigheden blijkt dat mensen direct gevaar hebben gelopen, komt daar nog een poging tot doodslag of moord bij, aldus De Beukelaer. „Maar dat is soms moeilijk te bewijzen, bijvoorbeeld als mensen boven liggen te slapen als er een Cobra afgaat voor hun deur. Was er wel sprake van direct gevaar, door de afstand tussen voordeur en slaapkamer? Je ziet soms dat de juridische realiteit ver afstaat van wat slachtoffers hebben ervaren.”
Dan is er nog een groep indirecte slachtoffers die geen materiële schade hebben geleden maar in de buurt wonen van een plek waar een vuurwerkbom is afgegaan. Ook zij kunnen een trauma oplopen van een explosie. „Het is heel erg belangrijk om te voorkomen dat mensen het gevoel hebben dat ze er alleen voorstaan.”
Een goed voorbeeld daarvan is het initiatief ‘Na de knal’ waarbij wordt samengewerkt met Slachtofferhulp Nederland. Daarbij kunnen omwonenden van een explosie in gesprek met door Slachtofferhulp getrainde mensen die in het verleden zelf een explosie hebben meegemaakt. „Dat is laagdrempelig en helpt”, aldus Koning van Slachtofferhulp.
Maar De Beukelaer vindt dat zijn eigen organisatie, het Openbaar Ministerie, ook meer moet doen. „Wij moeten de criminele netwerken oprollen die zich bezighouden met de smokkel van vuurwerk. Iedere zending Cobra’s die wij pakken kan geen slachtoffers maken. We doen ons best maar ik had gehoopt op meer concrete resultaten.”
De ironie wil volgens De Beukelaer dat het gebruik van vuurwerkbommen is overgeslagen naar België en Duitsland, waar veel in Nederland illegaal vuurwerk wordt opgeslagen. „Het is niet cynisch bedoeld, maar het feit dat ze ook daar nu last hebben van aanslagen met cobra’s, helpt bij de Europese discussie over strengere wetgeving. Die hebben we nodig om effectief op te kunnen treden tegen de vuurwerkhandel.”
Ook wanneer alles is hersteld en mensen hun leven weer oppakken, ligt de herinnering aan de klap dicht onder het oppervlak. „In het begin schrok ik al van een alarm van een auto of een scooter in de straat, of de sirene van de brandweer”, vertelt een slachtoffer dat in een grote stad woont. „En ook nu nog, ruim een jaar later, schrik ik op bij het eerste vuurwerk rond de feestdagen.”
Een echtpaar dat slachtoffer is geworden van een vuurwerkbom heeft na meer dan een jaar nog altijd moeite om erover te praten, ook met elkaar. „We vermijden het onderwerp liever, ook al weet je dat dat niet per se helpt”, zegt een van hen.
„Het voelt zo machteloos dat je je gezin niet kunt beschermen.” Haar man knikt, vechtend tegen de tranen. „Nu ik hem zie, boos en verdrietig door de onmacht die hij ervaart, begint mijn hele lichaam te trillen. Alsof die bom net is afgegaan.”
Source: NRC