In de jaren tachtig koos hij voor de fotografie, inmiddels is Kadir van Lohuizen ook onderzoeksjournalist en maker van documentaires, tentoonstellingen en boeken. Twijfels zijn er altijd. ‘Ik vraag me vaak af: waarom ben ik weer aan zoiets groots begonnen?’
schrijft voor de Volkskrant over zingeving.
Voor dit jaar staan een tentoonstelling in het Rijksmuseum, een VPRO-serie en een boek, alle gewijd aan de energietransitie, op het programma. Zijn vorige project over de mondiale voedselindustrie leidde eveneens tot zo’n drieslag. Op de bijbehorende tentoonstelling Food for Thought in het Scheepvaartmuseum kwamen tweehonderdduizend bezoekers af.
Het is maar om te zeggen: als zestiger is fotograaf en filmmaker Kadir van Lohuizen aan het oogsten. Zijn naam is inmiddels zo gevestigd dat hij zijn projecten ruim voor hun afronding weet te verkopen – een wereld van verschil met voorgaande decennia, toen hij zijn foto’s maakte in de hoop ze later te kunnen slijten. Zo’n zes à zeven maanden per jaar was hij daarvoor overal ter wereld op pad, ver van zijn woonplaats Amsterdam.
Het Ideaal
In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.
Zijn positie mag dan zijn veranderd, de druk is er voor de 62-jarige Van Lohuizen, winnaar van vele fotografieprijzen, niet minder op geworden: ‘Ik vraag me vaak af: waarom ben ik weer aan zoiets groots begonnen? Heb ik niet te veel zitten bluffen, zijn de verhalen die ik wil vertellen wel goed genoeg? Daar kan ik soms wakker van liggen. Je kunt diep vallen.’
Onderzoeksjournalist, activist, avonturier en kunstenaar zijn enkele van de etiketten die worden gebruikt om hem te duiden. Vraag hem naar zijn diepste beweegredenen en hij komt uit op zijn hoop op een betere wereld, al koestert hij minder grote illusies dan voorheen: ‘Vroeger dacht ik dat ik met mijn beelden de wereld zou gaan veranderen. Al vrij snel kwam ik erachter dat dat niet ging gebeuren. Tegenwoordig hoop ik vooral mensen tot nadenken aan te zetten over ons gedrag. Hopelijk heeft dat vervolgens een politiek effect.’
Zijn idealisme brengt hij in verband met zijn opvoeding. Zijn vader, een planoloog die eerst bij de NS werkte en later hoogleraar werd, en zijn moeder, een kunsthistoricus en museumconservator, maakten deel uit van de soefibeweging; een mystieke stroming binnen de islam die in het Westen is gericht op het verbinden van oosterse en westerse religies.
Voor de jonge Kadir betekende dat ‘langdradige diensten’ in de soefitempel in Katwijk, ‘waar werd voorgelezen uit alle zeven heilige geschriften van de wereldgodsdiensten. Die passages kende ik bijna uit mijn hoofd.’
Als links-geëngageerde jongere in de jaren zeventig hekelt hij het apolitieke karakter van het soefisme: ‘Mijn ouders waren in mijn ogen veel te veel losgekoppeld van de politiek. Ze vonden dat ze op vakantie konden gaan naar Griekenland, terwijl daar het kolonelsregime aan de macht was, en naar het Spanje van Franco. Ik ben me hevig gaan verzetten.’
Twintig jaar later krijgt hij wel weer waardering voor het soefisme, wanneer hij zijn ouders in een arme soefiwijk in New Delhi opzoekt: ‘Zij woonden daar een deel van het jaar om er sociale projecten te doen.’ Zijn opvoeding heeft hem ‘ruimdenkendheid’ en ‘nieuwsgierigheid naar de wereld’ bijgebracht, meent hij. Zijn ouders zijn inmiddels overleden, evenals zijn twee jaar jongere broer Hamid, het enige andere gezinslid. Die was kapitein op Greenpeace-boten en sloeg in 2001 overboord, op 35-jarige leeftijd: ‘Op dat moment verloor ik mijn onschuld.’
Ziet u zichzelf als onderzoeksjournalist of als activist?
‘Ik heb nooit geloofd in objectieve journalistiek. Fotografie en journalistiek zijn per definitie subjectief, ik bepaal welke kant ik op kijk wanneer ik dat knopje indruk. Dan kan ik nog wel proberen een neutrale rol in te nemen, maar daarmee wordt het niet objectief. Met het etiket ‘activist’ heb ik lang geen problemen gehad, maar ik vind het lastig dat het tegenwoordig in rechtse kringen wordt gebruikt om mijn werk in diskrediet te brengen.
‘Bij opnamen van Buitenhof ontmoette ik een keer Thierry Baudet, die vroeg: ‘Jij bent toch die fotograaf van klimaatverhalen?’ Waarna hij tegen iemand anders riep: ‘Dat is die radicale klimaatfundamentalist.’ Wanneer activisme als diskwalificatie wordt gebruikt, staat dat me tegen. Boven alles voel ik me onderzoeksjournalist. In het uitzoeken van de feiten gaat veruit de meeste tijd van mijn projecten zitten, of het nu gaat om de stijging van de zeespiegel, bloeddiamanten in Afrika of de voedselindustrie.’
Hoe bent u tot die vorm van onderzoeksjournalistiek gekomen?
‘Ik kwam er snel achter dat ik niet een nieuwsfotograaf ben. Een van mijn eerste ervaringen was op de Filipijnen, toen daar in 1987 een volksopstand uitbrak tegen president Marcos. Op dat moment zat ik op een eiland, terwijl het in de hoofdstad gebeurde. De journalist in mij werd wakker, ik ben halsoverkop met mijn camera naar Manilla gegaan. Daar ontmoette ik journalisten en fotografen met perskaarten, met hen kon ik door de politielinies heen. Dat leverde mijn eerste nieuwsfoto’s op die ik aan De Waarheid (het communistische dagblad, red.) voor 15 gulden (7 euro, red.) per foto verkocht.
‘Toen al realiseerde ik me dat nieuwsfotografie niet iets voor mij was. Je staan verdringen tussen twintig collega’s past niet bij mij – ik ben een einzelgänger die zijn eigen verhalen wil vertellen. Later is daar mijn weerzin tegen nieuws als waan van de dag bij gekomen. Als iets de krant niet haalt, lijkt het ter plekke goed te zijn, terwijl dat allesbehalve het geval is, kijk maar naar Soedan. Van die nieuwsgolven ben ik afkerig, ze leerden me dat ik het over een volkomen andere boeg moet gooien.’
Uw project over bloeddiamanten is daarvan een voorbeeld. U toont daarin de hele handelsketen, van de winning in een Afrikaanse mijn tot de verkoop aan de westerse consument. Wat dreef u om dat omvangrijke, meerjarige project te gaan doen en hoe financierde u dat?
‘Ik ontdekte dat in landen als Angola, Congo en Sierra Leone diamanten werden gebruikt om oorlogen mee te financieren. De opbrengsten gingen direct naar de strijdende partijen, terwijl de mijnwerkers nauwelijks betaald kregen en de westerse consument nergens weet van heeft, maar ondertussen wel medeverantwoordelijkheid draagt; hij vormt een cruciale schakel.
‘Daarom wilde ik het verhaal van de gehele handelsketen vertellen. Tegenwoordig is die meer in beeld, maar destijds, meer dan twintig jaar geleden, was dat nog niet het geval. De term ‘bloeddiamant’ moest nog worden bedacht en het oorzakelijke verband tussen diamanten en conflicten werd nog niet gezien. Dus kreeg ik glazige blikken bij redacties van kranten en tijdschriften toen ik dit kwam pitchen, er volgde geen enkele opdracht.
‘Ik besloot het maar zelf te gaan financieren, ook al is reizen door Afrika bepaald niet goedkoop. Ik geloofde erg in het belang van het verhaal. Die gok pakte goed uit. Paris Match (Frans weekblad, red.) wilde mijn werk hebben, waarna nog vijftig publicaties wereldwijd volgden. Uiteindelijk is het mijn bestverkochte productie ooit geworden.’
In Sierra Leone werd u door een rebellenleider bijna vermoord, in Kasjmir en Colombia bent u bijna gekidnapt. Is uw werk het nemen van zulke risico’s waard?
‘In de loop van de jaren ben ik daar anders tegenaan gaan kijken. Ik heb diverse malen een engeltje op mijn schouder gehad. In Colombia ben ik op het nippertje gered, toen ik samen met een Amerikaanse collega een afspraak had bij de guerrillabeweging Farc. Er leek niet zoveel mis te kunnen gaan, ik had goede contacten met ze. Maar vlak voor onze afspraak kwam er een Farc-decreet: iedere buitenlander moest worden gekidnapt. We hadden het grote geluk dat een lid van een andere guerrillabeweging ons ’s nachts heeft gewaarschuwd dat we direct moesten vertrekken.
‘Toen ik jong was, voelde ik me onschendbaar, maar gaandeweg realiseerde ik me dat dat engeltje op mijn schouder er niet eeuwig zou zitten. Er waren collega’s gewond geraakt en ook omgekomen. Het drong tot me door dat als er iets mis zou gaan, er niet alleen gevolgen voor mij zouden zijn, maar ook voor mijn familie en vrienden. Zou ik aan het front het leven laten, dan is dat niet alleen jammer voor mezelf.’
Had het overlijden van uw broer daarmee te maken?
‘Zeker. Daardoor ervoer ik wat voor ongelooflijke impact dat op mijn ouders en onze vrienden heeft gehad, dat had ik me van tevoren niet zo gerealiseerd. Sindsdien ben ik me er zeer van bewust dat dingen plots kunnen veranderen, je leven hangt aan een draadje.
‘Na de dood van Hamid heb ik nog wel riskante projecten ondernomen, maar op den duur ben ik toch voorzichtiger geworden. Hij overleed op 15 juni 2001. Enkele maanden later was het 9/11. Hoewel ik geen nieuwsfotograaf ben, voelde ik een enorme aandrang erheen te gaan. Mijn vrienden dachten dat ik aan het ontsporen was toen ik op de allereerste vlucht naar New York zat.
‘Ik ben gaan vastleggen wat het met de New Yorkers deed, het verlies van een geliefde vader of moeder, broer of zus. Al die duizenden mensen die in ongeloof waren, omdat ze van de ene op de andere dag iemand waren kwijtgeraakt. Ik denk dat het onbedoeld therapeutisch voor me was, na het verlies van mijn broer. Ik dacht dat het uniek was wat me was overkomen, dat werd toen enorm gerelativeerd.’
Roept uw werk ook weerstand op?
‘Ja. Mijn moeilijkste project was dat over de voedselindustrie, omdat het enorm lastig bleek in Nederland toegang te krijgen tot een Nederlandse slachterij en een distributiecentrum. Het is gemakkelijker om in een Angolese diamantmijn te komen.
‘Het journalistieke adagium luidt dat je nooit met ‘nee’ genoegen nemen, maar ik bleef daar maar op stuiten. Uiteindelijk gaf iemand van de communicatie van zo’n bedrijf me als tip: ‘Wij van communicatie zijn er om ervoor te zorgen dat jij niet binnenkomt. Maar als je een groot netwerk opbouwt met lijntjes naar de directie, gaat het je wel lukken.’ Dat bleek te kloppen, maar dat heeft me veel tijd gekost.
‘Een vorm van weerstand die ik vaak heb ondervonden, kwam van media die mijn ideeën niet zagen zitten. Dat was niet alleen het geval bij de bloeddiamanten, maar bijvoorbeeld ook bij mijn project over de stijgende zeespiegel. Redacties gingen ervan uit dat dat een probleem van de verre toekomst was, maar ik had in Panama en Bangladesh gezien hoe mensen nu al hun landbouwgrond verliezen aan de zee. Uiteindelijk is het me bij The New York Times gelukt om er groen licht voor te krijgen.
‘Bij mijn project over de voedselindustrie heb ik als kritiek gekregen dat ik onvoldoende stelling neem. Dat vinden sommige mensen ingewikkeld: waarom spreek je je niet uit, loop je dan niet aan de leiband van de industrie? Mensen vroegen ook wat ze ervan moesten vinden. Alsof ze dat zelf niet meer kunnen bedenken!
‘Ik heb juist bewust geen stelling genomen, ik wilde niet het etiket van dierenactivist opgeplakt krijgen. Zo ben ik ook niet aan dit project begonnen, het kwam voort uit pure nieuwsgierigheid naar het antwoord op de vraag: waar komt wat er op mijn bord ligt eigenlijk vandaan? Daarom heb ik ervoor gekozen te registreren, alleen te laten zien wat er aan de hand is. Uiteindelijk ben ik in die rol denk ik het effectiefst.’
Boektip: More and More and More van Jean-Baptiste Fressoz
‘Historisch bezien verbruikt de mens altijd maar meer energie, zo betoogt deze Franse geschiedkundige. Toen gas en olie als energiebronnen erbij kwamen, ging dat niet ten koste van het kolenverbruik. De radicale omslag die in het licht van de opwarming van de aarde nodig is, is dat we minder gaan verbruiken.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant