Een Noordwoldenaar voelt zich natuurlijk snel senang op Bali. Als je opgegroeid bent tussen riet- en rotanvlechters, voelt een eiland vol rotan en bamboe automatisch als een tweede thuis. Dat kan niet anders. Als je vroeger op de Rietvlechtschool zat, de school waar de jongens uit het dorp ooit leerden rietvlechten, is er als vanzelf een band met Indonesië. Het is dus totaal geen wonder dat Johnny Jansen nadat hij PEC Zwolle deze zomer verliet is terechtgekomen bij Bali United, als hoofdtrainer.
Zijn kale hoofd is rondom zongebruind. Zijn lachrimpels vormen een lach op zich. Van ver spreidt hij zijn armen al, „Indomilk” staat er op zijn zwarte shirt. Dit is zijn terrein: drie voetbalvelden, alle drie retestrak en groen, geen grassprietje ligt verkeerd. Achter hem worden de goals en ballen opgeruimd, de laatste training voor de wedstrijd tegen Dewa United is net voorbij. Er waait een briesje vanuit de zee waaraan de trainingsvelden schilderachtig liggen. Zou er wel eens een te hard geschoten bal de zee in plonzen? En wie haalt hem dan op? Ik vergeet het te vragen, zo word ik in beslag genomen door wat ik zie.
Zou Johnny nog de kleine cultuurshock ervaren zoals ik nu, als hij de poorten van zijn trainingscomplex door rijdt? Binnen een paar dagen op Bali gewend geraakt aan de drukte, het lawaai, de chaos en de rommel van Denpasar kom ik hier in een andere wereld. Strak, schoon, georganiseerd. De voetballers verplaatsen zich naar de gym, voor stretchen, massage, oefeningen. Mooi hè, grijnst Johnny. Goed voor mekaar. Kom mee, zegt hij. We gaan rondkijken.
De grote kuipstoelen in het kantoor zijn voor de hoofdtrainer en zijn uit Nederland meegenomen assistenten Ronnie Pander en Jeffrey Talan. Ze staan rond de tafel, en daar achter staat een rij stoelen voor de rest van de staf. Hij begint meteen aan de stoelen te trekken. Waarom staan ze nu opnieuw zo, zo wil hij het niet. Hij wil geen mensen op de tweede rij, hij wil iedereen rond de tafel. Toen ik dit voor het eerst deed, zei hij, begrepen ze er niks van. Jij bent toch de baas, jij neemt de beslissingen. Moeten we nu allemaal om de tafel, en overleggen? Johnny schatert.
Dat was wel even wennen, dat iedereen mocht – of beter: moest meepraten. Had hij een planning gemaakt, en vroeg hij: is dit goed zo? Knikten ze allemaal: ja ja, is goed. Bleek pas een dag van tevoren dat hij een training had gepland op een feestdag die hij niet kende, bijvoorbeeld. Dat was natuurlijk een probleem. Maar wist hij veel. Vertel me dat, vroeg hij. Help me, ik ken jullie land niet. Hij lacht weer, zijn gezicht breekt open.
Na een half jaar al krijgt hij het advies en de tegengas waar hij zo naar verlangt. Zo snel, in een cultuur waarin dat allesbehalve gewoon is. Ik snap het wel. Ook op Bali moet Johnny’s vrolijke hoofd binnen no time ijs breken. Spreekwoordelijk dan, want voor ijs is het hier veel te heet.
Of zijn het toch de roots die ze hier op Bali voelen. De link tussen Indonesië en Noordwolde. In de hoogtijdagen van de rotan werden er in het dorpje in de kont van Friesland wel tweehonderdzeventigduizend rotanstoelen gevlochten. Rotan uit dit land. Dat schept ontegenzeggelijk een band.
Volgende week meer over Johnny op Bali
Source: NRC