Wat zijn dit voor vragen? Zeven dilemma’s voor Sjinkie Knegt (36), de markante shorttracker die onlangs zijn topsportcarrière beëindigde. ‘Wat ik nu wil, weet ik nog niet. Misschien kom ik op een bepaalde manier weer terug in de sport. We zullen zien.’
is sportverslaggever voor de Volkskrant en schrijft vooral over schaatsen, zwemmen en tennis.
Pensionado of topsporter?
‘Liever was ik op dit moment nog topsporter geweest. Ik vond topsport fantastisch. Ik wilde met het relayteam de Spelen van Milaan halen. Dit zou mijn laatste seizoen zijn. Maar sinds afgelopen zomer kreeg ik tijdens het schaatsen last van mijn heup en bil.
‘In de eerste maanden dacht ik nog: er is voldoende tijd. Als ik eenmaal op het ijs kan staan, kan het snel gaan. Ik ben verder fit. Maar die blessure werd maar niet beter. Zo’n twee weken geleden heb ik gemeld dat ik stop met topsport. Ik wil niet meedoen aan een NK en dan tiende worden. Daar heb ik niks aan.
‘Wat ik nu wil doen weet ik nog niet zo goed. Ik had een andere planning voor deze maanden. Misschien kom ik op een bepaalde manier weer terug in de sport. Misschien niet. We zullen zien.’
Cola of koffie?
‘Vroeger dronk ik de hele dag alleen maar cola. Mijn vader zegt: ‘Je was gewoon een alcoholist, maar dan met cola.’ Ik kluste als tiener al tussen trainingen in de garage bij mijn ouders aan auto’s en machines. Overal, bij elke machine, stonden dan flessen cola. Het boeide me niet als zo’n fles halfleeg was en er al drie dagen stond. Was ik bij die machine bezig, nam ik gewoon een slokje. Ik nam ook cola mee naar school, echt niet gezond natuurlijk.
‘Dat bleef zeker tot mijn 20ste. Jeroen Otter werd bondscoach, hij kwam erachter en zei: ‘Dat kan zo niet.’ De knop ging om. Inmiddels drink ik bijna alleen maar koffie. Ook veel te veel waarschijnlijk: dubbele espresso’s, de hele dag door.’
In principe iets gedaan, of wél iets gedaan?
‘Als ik vroeger zei: ‘Dat heb ik in principe gedaan’, had ik het in principe niet gedaan. Jaren geleden ging mijn hele ploeg op trainingskamp en mocht ik van de atletenbegeleider van de KNSB niet mee. Ik had het niet goed gedaan op school. Mijn toenmalige trainer bedacht: dan moet hij maar een paar keer per week op de fiets naar school in Drachten, om toch te trainen. 50 kilometer heen en 50 kilometer terug.
‘Ik heb ‘ja’ gezegd. Maar toen puntje bij paaltje kwam, heb ik het toch niet gedaan. De rest kwam terug van trainingskamp. De trainer zag dat ik zwaarder was geworden en vroeg of ik gefietst had. ‘Ja’, zei ik. ‘In principe heb ik wel gefietst.’
‘Die zin kwam nog vaak terug in de ploeg: ‘Hé, Sjinkie, heb je in principe gefietst?’ Ik ben niet lui. Maar ik heb een lange periode echt een hekel gehad aan fietsen. Voor sommige topsporters is dat onbegrijpelijk, maar zij woonden hun hele leven lang op vijf minuten van school. Ik fietste vanaf mijn 11de tot mijn 16de elke dag naar Heerenveen en terug: 22 kilometer heen, 44 in totaal. Ik kreeg echt een schijthekel aan fietsen.
‘Toen ik op mijn 16de een brommer mocht, ging ik echt niet meer op die fiets zitten. De afgelopen jaren fietste ik wel. Ik wist dat het nodig was, en ik vond het wel gewoon leuk. In principe.’
110 kilometer per uur op een brommer, of autocrossen?
‘Het is geen hogere wiskunde hoor, om 110 kilometer per uur te halen op een brommer. Ik kocht gewoon een zwaardere motor. Die motor ging wel om de drie maanden stuk. Dat brommertje was niet gemaakt om elke dag zo’n 130 kilometer te rijden. Van huis in Bantega, naar Drachten waar ik de opleiding machinebankwerker volgde, naar de ijsbaan in Heerenveen en weer terug. Dat ging allemaal vol gas. Continu. Altijd.
‘De route ging deels door een bos. Officieel moest ik op het fietspad, maar dat slingerde erg. Vaak ging ik dus over de 80-kilometerweg, tussen de auto’s. Kon ook prima, ik ging net zo hard. Maar op een dag was er slecht weer. De auto’s reden maar 60 kilometer per uur. Ik die auto’s inhalen op de rechte weg – niks aan de hand dus. Tot ik halverwege een politieagent inhaalde. Ik heb de training die dag niet gehaald.
‘Ik moest mee naar het bureau, mijn brommer werd op de rollerbank gezet om de maximale snelheid te meten, al dat soort gezeik. Uiteindelijk moest ik mijn kenteken inleveren. Ik zou ’m pas terugkrijgen als die brommer weer normaal was. Thuis heb ik dat ding teruggevoerd, op het politiebureau liet ik ’m keuren, en toen ben ik doorgereden naar school. In de werkplaats daar heb ik de motor opnieuw opgebouwd en kon ik gewoon weer 110 kilometer per uur. Zo deden we dat.
‘Nu hou ik van autocrossen. Het gaat niet om het racen zelf, maar het sfeertje bij zo’n wedstrijd en om het uitvinden van de auto: het bouwen, de techniek. Mijn kinderen vinden het ook leuk. Gelukkig, want mijn zoontje Melle kan ook de hele dag achter zijn Playstation zitten – daar heb ik echt een schurfthekel aan. Maar als ik tegen hem zeg: wil je zaterdag naar een crosswedstrijd of voetballen, kiest hij de crosswedstrijd. Dat heb ik gelukkig wel voor elkaar. Ook voetbal vind ik écht verschrikkelijk.’
Dimsum of oranjekoek?
‘Oranjekoek met slagroom, niet met crème. Mijn oma is in Nederland geboren, maar heeft twee Chinese ouders. Ik ben dus voor een kwart Chinees, maar ik merk niks van Chinese invloeden in de familie, ook niet in de keuken, want mijn moeder kookte altijd.
‘Mijn moeder is Fries. Ik vind mezelf een echte Fries. Ik praat Fries. Toen de hele ploeg na het WK van 2014 in Montréal doorreisde voor drie dagen New York, zei ik: ik ben al lang genoeg weggeweest, ik wil gewoon naar huis. China vind ik ook fantastisch, ik ben daar vaak geweest voor het shorttrack, maar ik denk nooit: hier liggen mijn roots.
‘Ik ben vernoemd naar mijn oom die op zijn 18de overleed bij een brommerongeluk – die brommer was niet opgevoerd, hoor. Hij heette Ching-Ting, maar dat was blijkbaar te ingewikkeld, dus in het dorp noemde iedereen hem Sjinkie. Ik vind het wel mooi. Sjinkie kan altijd, het is een unieke naam. Je hoeft niet na te denken als je bijvoorbeeld een nieuw e-mailadres wilt aanmaken.’
Olympisch zilver, of individueel wereldkampioen?
‘Ik vind beide medailles hartstikke mooi. Maar toen ik zilver won in Pyeongchang was ik daar minstens een week en misschien wel langer, niet blij mee. Bij mijn eerste wereldtitel in 2014 was ik wel blij. Dat duurde korter dan een week, want zo ben ik dan ook wel weer: als het is gebeurd, gaan we weer door naar het volgende.
‘Eigenlijk ben ik in principe nog steeds niet blij met olympisch zilver. Het is een mooie medaille, maar ja, het is geen goud.’
Houtkachel of vloerverwarming?
‘Dan sowieso een houtkachel, want vloerverwarming is echt sfeerloos. Vroeger kon het me niet gek genoeg, maar sinds mijn brandongeluk zes jaar geleden ben ik wel wat voorzichtiger met vuur. In de garage hebben we een gasbrander die we gebruiken bij het solderen. Die heeft soms wat mankementjes; dat het vuur niet op de juiste manier uit het pistool komt bijvoorbeeld. Als dat gebeurt, zegt mijn vader: ‘Doe niet zo paniekerig.’ Voorheen bleef ik rustig.
‘Ik weet wat er kan gebeuren als het misgaat, ja. Maar dat duurt maar kort. Ik weet vooral wat er dáárna gebeurt. Dan moet je weer helemaal vanaf nul beginnen. Ik ben graag bezig, maar na dat ongeluk kon ik niks. Na twee maanden mocht ik het ziekenhuis verlaten en kon ik nog steeds niks; je kon het geen lopen noemen, wat ik deed.
‘Vanaf het begin maakten mijn ploeggenoten grappen over het ongeluk. Dat ging de hele dag door. Ze wisten dat ze dat konden maken. Je ziet dat de verbrande huid bij mijn handen, armen en benen anders is dan de rest, maar dat boeit me helemaal niks. Ik heb er geen last van, daar gaat het om. Ik heb er ook geen nachtmerries aan overgehouden, zo werkt het bij mij niet. Dat ongeluk was niet handig, maar het is wat het is, ik kan er niks anders van maken.
‘Ik weet niet of ik het afgelopen jaar nog had geschaatst als ik dat ongeluk niet had gehad. Zonder die blessures was ik in 2022 waarschijnlijk veel fitter naar de Olympische Spelen van Beijing gegaan. Dan had ik daar misschien wel gewoon kunnen winnen. Of hadden we gewonnen met het relayteam. Nu voelde ik in 2022 dat ik nog niet écht klaar was met schaatsen.
‘Het is niet zo dat mijn hele carrière nu mislukt is, doordat ik de Spelen van Milaan niet heb gehaald. Ik vind het jammer dat ik nooit olympisch goud heb gewonnen, maar dat is wat het is. Er zijn wel meer sporters die nooit olympisch kampioen werden.’
1989 Geboren in Bantega.
2010 Olympisch debuut in Vancouver.
2012 Eerste Europese titel.
2014 Olympisch brons 1.000 meter in Sotsji (de eerste Nederlandse olympische shorttrackmedaille ooit), wereldkampioen met aflossingsploeg.
2015 Individuele wereldtitel allround, sportman van het jaar.
2018 Olympisch zilver op de 1.500 meter in Pyeongchang.
2019 Liep zware brandwonden op bij het aansteken van de kachel.
2021 Zilver op de 1.500 meter bij een wereldbekerwedstrijd in Dordrecht (zijn eerste internationale succes sinds zijn brandongeluk).
2025 Beëindiging sportcarrière door een heup- en bilblessure.
Knegt won in totaal vier wereldtitels en twaalf Europese titels in het shorttrack. Hij woont in Heerenveen en heeft drie kinderen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant