schrijft voor de Volkskrant over literatuur, non-fictie en onderwijs.
Voor het eerst de column herlezen waarmee ik deze rubriek begon, volgende week op de kop af twintig jaar geleden. Het stukje ging over een Oud- en Nieuwfeest met vrienden, waarbij enkele 16-, 17-jarige jongens uit ons gezelschap tijdens het vuurwerk afsteken slaags waren geraakt met leeftijdgenoten die schreeuwend en vernielend door de Amsterdamse straten trokken. Wij depten hun wonden, waaruit het bloed flink stroomde, want ze waren stomdronken. Net als hun agressors.
Ik somberde over de groeiende kloof tussen jongens en meisjes – die in onze kamer waren onverstoorbaar doorgegaan met hun eindeloze gesprekken over het leven – en de moeizame toekomst die jonge mannen wachtte. Imponeergedrag en agressie zouden loze relicten van hun soort worden. ‘Van vmbo tot universiteit zijn de drop-outs voornamelijk jongens. (…) De universiteiten stoten straks golven competente meisjes uit, bloedmooi bovendien, want beauty en brains gaan samen. Die elite feminiseert met gemak iedere werkvloer, waar tact en communicatief vermogen de wrede selectiecriteria zullen zijn.’
Hoezeer had ik ongelijk. Meisjes deden het inderdaad gestaag beter in het onderwijs, ondanks dat ze (weer) systematisch worden onderschat bij de schooladviezen in groep 8. Maar hun schoolsucces zet vaak niet door op het werk, waar vrouwen nog altijd minder betaald krijgen. In de top van het bedrijfsleven en de wetenschap domineren mannen hardnekkig. In de internationale politiek is het hengstenbal, een doorlopend vertoon van macht, ego’s, hebzucht en agressie.
De tijdgeest zorgde intussen voor kleine gunstige wendingen. Drinken onder de 18 is al jaren verboden en vuurwerk afsteken in mijn stad ook. Twintig jaar geleden had ik die ingrepen ‘betuttelend’ gevonden, nu ben ik er blij mee. Voor mijn kleinkinderen geen vermaak dat hun hersenen, ogen en handen schaadt.
Kort voordat ik die eerste onderwijscolumn schreef, had ik mijzelf – in een rubriek over generaties – vergeleken met mijn luie, vadsige kat, die huichelde dat hij vogels ving. Ik zou die maand 50 worden, stokoud, en vond dat ik eindelijk eens in beweging moest komen. Afgelopen moest het zijn met smoezen en doen alsof ik enorm hard werkte. Uit die hangmat!
Ik veranderde geen spat, natuurlijk niet, maar een onverbiddelijke deadline, naast projecten van langere adem, hielp wel.
Een week geleden werd ik 70. Een onwaarschijnlijke leeftijd, meer iets voor mijn ouders, toch is het zo. Geen reden om definitief in de hangmat te gaan liggen. Wel om met deze column te stoppen. Het is mooi geweest. Ik heb het met plezier gedaan, meestal, en ik heb er veel van opgestoken.
Het onderwijs bleek een veilige niche in een steeds grimmiger wereld. Er
voltrokken zich grote en kleine onderwijsrampen, maar doden vielen er niet en verbetering en vruchtbaarder samenwerking zijn niet uitgesloten.
Nu weet ik pas, door schade en schande, welke raad ik mijzelf als beginnende columnist zou geven. Om eens wat te noemen. Beweeg niet mee met collectieve verontwaardiging of woede, zoek uit hoe het zit. Wees je bewust van eigen vooroordelen of irrationele afkeer. Af en toe iets vertellen over eigen ervaringen, als (groot)ouder of gewezen leraar, oké, maar ervaringen zijn geen argumenten.
Wees niet bang voor ferme of impopulaire beweringen, maar onderbouw ze altijd. Maak gebruik van betrouwbare cijfers en onderzoeken, ook al levert dat saaie passages op.
Beantwoord (bijna altijd) lezerspost. Boze mailtjes en scheldpartijen op X zijn vervelend, maar geen bedreigingen. Besef dat het om de kinderen draait; dat onderwijs een arena is met grote botsende belangen, alleen kinderen krijgen zelden het woord.
Beste, lieve, trouwe lezer, dank voor al uw aandacht. Blijf lezen.
Dit is de laatste column van Aleid Truijens. Lees ook het afscheidsinterview met haar.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Source: Volkskrant columns