is bestuurssocioloog aan de Erasmus Universiteit en columnist van de Volkskrant.
Dit is een waargebeurd verhaal.
Ik trek mijn jas aan en gooi mijn tas in de fietsbak. Ik gloei nog na van een mooie Nacht van de Sociologie en ik loop, samen met een collega, door het centrum van Rotterdam. Het is donker, koud en het heeft wat gesneeuwd. Ter hoogte van ‘Kabouter Buttplug’ zie ik in een ooghoek dat een vrouw met haar voorband in de tramrails slipt, over haar stuur vliegt en met een harde klap op de grond valt.
Ik schrik, gooi m’n fiets tegen een lantaarnpaal en spoed me naar de vrouw. Ze bloedt en ik bel gauw 112. Omstanders zorgen voor wat ondersteuning en al snel arriveert een ambulance.
Als ik terugloop naar mijn fiets sta ik perplex. In mijn fietsbak ontbreekt mijn tas. Gejat. Verleen je hulp, worden achter je rug je spullen gestolen. Ik ben woest en vraag omstanders of ze iets gezien hebben. Niemand. Als een doldrieste stier fiets ik tevergeefs de straten af om mijn tas te spotten.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Ik ben furieus, want in die tas zitten naast (werk)spullen ook sleutels en portemonnee. Thuisgekomen zie ik op mijn bankrekeningoverzicht dat er inmiddels in een hotel geld is afgeschreven en gereisd is met mijn ov-kaart. Ik blokkeer direct alle pasjes.
De volgende ochtend ga ik tevergeefs langs bij dat hotel en ben ik allerlei zaken aan het aanvragen als ik ineens word gebeld. Of ik Mark ben. De stem aan de andere kant van de lijn beweert mijn tas te hebben. Of ik naar de Crooswijksestraat kan komen, daar kan ik mijn tas ophalen.
Ik ben extreem opgelucht. Wat een toeval, wat een geluksvogel. Maar mijn vriendin ruikt onraad. Pas nou op, dit kan ook een vooropgezette val zijn. Van iemand die je naar een onguur adres laat komen met alle gevolgen van dien. Mijn opluchting maakt plaats voor onrust. Toch besluit ik te gaan. Met twee hulplijnen op standby.
Aldaar aangekomen staat een gekleurde man me buiten in de vrieskou op te wachten. Zijn kleding is gerafeld, hij loopt op slippers en maakt een verfomfaaide en onooglijke indruk. ‘Ben jij Mark?’, vraagt de man die zegt Elvis te heten. Hij vertelt dat hij gisterenavond zag hoe een man uit een fietsbak mijn tas pikte en wegrende. Hij heeft hem gevolgd en uiteindelijk gedwongen mijn tas af te staan. Door het visitekaartje in mijn tas kon hij me nu bellen en alles teruggeven want ‘God wil dat ik goed doe’.
Ik bedank Elvis enorm, want ik ben extreem opgelucht dat alles gewoon in de tas zit en dat ik al mijn spullen terug heb. Ik overhandig hem wat vindersloon en vraag waar ik hem blij mee kan maken. Hij vraagt of ik voor hem de daklozenopvang wil bellen en zijn contactpersoon hierover kan informeren. Want ‘als een witte man iets goeds zegt, heeft dat meer effect’, zegt Elvis.
Ik beloof dat te doen en thuis aangekomen bel ik direct zijn contactpersoon die het verhaal verbaasd maar geïnteresseerd aanhoort. Als ik ophang, ben ik overtuigd van mijn goede daad. Toch gaat er iets knagen.
Iedereen aan wie ik het verhaal in de dagen erna vertel, is ervan overtuigd dat Elvis zelf mijn tas heeft gestolen. Dat hij na de blokkeeractie geen nut meer zag in deze daad en wellicht met enige wroeging en een verdraaid verhaal hier nu mee wegkomt. Sommigen lachen me zelfs uit dat ik een dief nu zelfs heb beloond met vindersloon en een goed woordje.
Dus mijn eerste vraag is nu: wat denkt u? Met als tweede vraag: doet het ertoe? Doet het ertoe dat we weten of Elvis de bengel of de engel is in dit verhaal? Want uiteindelijk heeft hij goed gedaan. En dus vraag ik me af, doet het ertoe om alles zeker te weten?
Soms niet, denk ik. Volgens mij doet het ertoe of je liever het goede in plaats van het slechte in mensen ziet. En ik meen dat er enige schoonheid schuilt in onzekerheid. En dus koester ik inmiddels dankzij Elvis een zalige vorm van onwetendheid.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns