is schrijver en columnist voor de Volkskrant.
Peder Kongshaug is een Noorse langebaanschaatser: hij is wereldkampioen op de 1.500 meter en dit weekend doet hij mee aan de World Cup-wedstrijden in Thialf, in Heerenveen. Afgelopen week gaf hij een interview aan Kick Hommes van dagblad Trouw. Daarin zei hij dit: ‘Het schaatsen heeft een groot probleem. En alleen de Nederlanders zien dat niet.’
Dat komt volgens Kongshaug doordat Nederlandse schaatsers Thialf zien als de maat der dingen. Altijd volle tribunes, altijd gejuich, altijd wel een paar malloten met een klomp op de kop en de terreurmuziek van de dweilorkesten. Kortom, een gekkenhuis vol sfeer en dat jaar in, jaar uit. Thialf is de grote schaatsillusie.
Maar, zei Kongshaug, kijk eens naar wedstrijden in Salt Lake City, in Nagano of Beijing: geen kip, hooguit een paar Nederlandse fans die zelfs voor een rondje van de dweilmachine het vliegtuig zouden pakken. Kijk naar Calgary, Tomaszów Mazowiecki, Inzell of het iconische Hamar: lege hallen. Nergens een omroep te bekennen die de wedstrijden op de nationale televisie brengt – alleen de NOS en Bert Maalderink zijn altijd aanwezig, want wij zijn het enige land dat schaatsen nog live uitzendt.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Je hoeft geen econoom te zijn om te zien dat een sport die bestaat bij de gratie van de schaatsliefde van één land risico’s loopt. Met de sport an sich gaat het niet eens zo beroerd – schaatsen is van alle wintersporten de meest mondiale. Dat heeft weer te maken met de olympische status van een kleine sport: als je het pootje-over eenmaal onder de knie hebt, is de concurrentie te overzien en hoef je alleen de Nederlanders maar te kloppen om in aanmerking te komen voor een medaille.
Waarom is schaatsen in Nederland zo populair en kijken ze in de rest van de wereld op zondagmiddag liever naar de Formule 1?
Dat heeft te maken met het feit dat een Formule 1-race doorgaans na anderhalf uur is afgelopen en schaatswedstrijden iets eindeloos hebben. Bij World Cup-wedstrijden zit je bovendien 80 procent van de tijd te kijken naar de strijd der kanslozen, tot in de laatste twee ritten het pleit wordt beslecht.
De formule klopt niet meer, bedoel ik. De modernisering in het schaatsen heeft de laatste dertig jaar vooral bestaan uit méér wedstrijden. Alleen in een natie waar het publiek decennialang is getraind in tussentijden noteren en roerloos op de bank zitten weet een enkele zestigplusser die hoeveelheid nog te verstouwen.
Wat ze in het schaatsen moeten doen, is de schaarste omhelzen. De sport is nu eenmaal niet televisiegeniek genoeg om week na week miljoenen mensen aan de buis gekluisterd te houden. Een WK allround en de WK afstanden: ruim voldoende.
Xander van der Wulp, de hoofdredacteur van NOS Sport, zei vorige week dat verdere bezuinigingen hem ertoe zouden kunnen dwingen het schaatsen te schrappen. Dat zou het begin van het einde van het schaatsen in Nederland en uiteindelijk in de wereld zijn: zo kwetsbaar is de sport.
Peder Kongshaug vertelde in Trouw dat zijn oma in het begin van de jaren zestig samen met duizenden andere Noren naar het station trok, omdat daar de trein met wereld- en olympisch kampioen Knut Johannesen zou passeren. Stonden ze met z’n allen naar Knut te wuiven.
Dit kan nooit kapot, dachten ze toen nog in Noorwegen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns