Situatie vóór de finale
1. Juan Manuel Fangio (Alfa Romeo) – 26 punten
2. Luigi Fagioli (Alfa Romeo) – 24 punten
3. Giuseppe Farina (Alfa Romeo) – 22 punten
Het inaugurele seizoen van het wereldkampioenschap draaide volledig om de ongenaakbare Alfetta. De Alfa Romeo bleek onverslaanbaar en won elke race – met uitzondering van de Indianapolis 500 – en bezorgde het merk bovendien een 1-2-3 tijdens de allereerste Grand Prix op Silverstone.
Geen enkel ander team wist vóór de seizoensfinale meer dan tien punten te verzamelen, waardoor de titelstrijd een volledig interne aangelegenheid werd voor Alfa Romeo. Daarbij speelde nog iets belangrijks mee: slechts de beste vier resultaten uit het zeven races tellende seizoen telden mee voor het kampioenschap.
Farina en Fangio verdeelden tot dat moment de zeges en hadden allebei drie puntenresultaten achter hun naam. Fagioli daarentegen was vier keer als tweede geëindigd en had daarom een overwinning mét de snelste ronde nodig om überhaupt een kans te hebben om Fangio voorbij te steken.
Fangio pakte pole-position, met Farina als derde en Fagioli als vijfde op de grid. Maar het was Farina die meteen de leiding greep bij de start en alleen nog werd bedreigd door Ferrari-coureur Alberto Ascari, wiens motor oververhit raakte en hem tot opgave dwong.
Voor Fangio zou een podiumplaats voldoende zijn geweest om het kampioenschap veilig te stellen. Hij lag tweede toen zijn versnellingsbak het begaf, waardoor Farina de titel in de schoot geworpen kreeg. Fagioli finishte als derde, maar scoorde doordat dit resultaat door eerder genoemde regel werd weggestreept, geen punten.
Eindstand
1. Giuseppe Farina (Alfa Romeo) – 30 punten
2. Juan Manuel Fangio (Alfa Romeo) – 27 punten
3. Luigi Fagioli (Alfa Romeo) – 24 punten
Alfa Romeo domineert tijdens het eerste officiële F1-seizoen 1950.
Foto door: Motorsport Images
Situatie vóór de finale
1. Juan Manuel Fangio (Alfa Romeo) – 27 punten
2. Alberto Ascari (Ferrari) – 25 punten
3. José Froilán González (Ferrari) – 21 punten
In 1951 ontpopte Ferrari zich tot een serieuze uitdager van de Alfetta’s, met Alberto Ascari en José Froilán González als coureurs. Giuseppe Farina, de regerend kampioen van Alfa Romeo, viel al vroeg weg uit de titelstrijd door technische problemen op zowel Silverstone als de Nürburgring.
De regel dat alleen de beste vier resultaten meetelden voor het kampioenschap gold nog steeds. Daardoor had González een overwinning, de snelste ronde én een nulscore voor Fangio nodig om aanspraak te maken op de titel, terwijl Ascari minimaal tweede moest worden om in de race te blijven.
Fangio had op dat moment echter al de sterkste reeks resultaten van alle coureurs. Voor hem volstond een tweede plaats, terwijl een zege hem onbereikbaar zou maken voor zijn rivalen.
En precies dat laatste deed hij op het eenvoudige circuit van Pedralbes in Barcelona – een baan van 6,3 kilometer met slechts zes bochten. Fangio werd in de kwalificatie nog met 1,68 seconden verslagen door Ascari, maar Ferrari kreeg in de race te maken met bandengerelateerde problemen. De Argentijn van Alfa Romeo pakte al in de vierde ronde de leiding en gaf die niet meer uit handen, waardoor hij zijn eerste wereldtitel veiligstelde.
Eindstand
1. Juan Manuel Fangio (Alfa Romeo) – 31 punten
2. Alberto Ascari (Ferrari) – 25 punten
3. José Froilán González (Ferrari) – 24 punten
Juan Manuel Fangio pakt zijn eerste titel in de Formule 1.
Foto door: Motorsport Images
Situatie vóór de finale
1. Jack Brabham (Cooper) – 31 punten
2. Stirling Moss (Cooper/BRM) – 25,5 punten
3. Tony Brooks (Vanwall) – 23 punten
In 1959 stonden er geen wereldkampioenen op de grid: zowel Juan Manuel Fangio als Mike Hawthorn had de helm aan de wilgen gehangen.
Jack Brabham kende een ideale seizoensstart met vier podiumplaatsen, waaronder twee overwinningen. Halverwege het negen races tellende kampioenschap (inclusief de Indianapolis 500) stond de Cooper-coureur daardoor op 27 punten, gevolgd door Tony Brooks met 14 punten. Niemand anders had meer dan negen punten verzameld. Door een probleem met de koppeling viel Brabham echter uit in de Grand Prix van Duitsland, waarna hij in Portugal de finish niet zag door een zware crash. Hierdoor kwam de titelstrijd ineens weer helemaal open te liggen.
In de laatste race van het seizoen zou Brabham sowieso kampioen zijn bij een overwinning of een tweede plaats indien Moss en Brooks achter hem finishten. Moss moest eerste of tweede worden en voor Brabham eindigen, terwijl Brooks moest winnen en daarna nog afhankelijk was van de resultaten van Moss en Brabham.
Moss pakte pole-position in Sebring door drie seconden sneller te zijn dan Brabham op het 8,4 kilometer lange circuit in Florida. Harry Schell completeerde een top-drie voor Cooper in de kwalificatie vóór Brooks. Na vijf ronden leidde Moss met tien seconden voorsprong op Brabham, maar versnellingsbakproblemen betekenden het einde van zijn race én zijn titelkansen.
Brabham domineerde vervolgens de wedstrijd, maar kwam in de laatste ronde zonder brandstof te staan. Dat bracht zijn titel echter niet in gevaar: Bruce McLaren en Maurice Trintignant lagen drie minuten voor op Brooks, die moest winnen om kampioen te worden. Brabham duwde zijn auto naar de finishlijn om als vierde te eindigen en verzekerde zich daarmee van het wereldkampioenschap.
Eindstand
1. Jack Brabham (Cooper) – 31 punten
2. Tony Brooks (Vanwall) – 27 punten
3. Stirling Moss (Cooper/BRM) – 25,5 punten
Jack Brabham duwt zijn Cooper-Climax naar de wereldtitel.
Foto door: Hazel PR
Situatie vóór de finale
1. Graham Hill (BRM) – 39 punten
2. John Surtees (Ferrari) – 34 punten
3. Jim Clark (Lotus) – 30 punten
Graham Hill was in 1964 de meest constante coureur van het seizoen, maar omdat alleen de beste zes resultaten meetelden, kon hij zijn puntentotaal in de laatste race in Mexico alleen nog verbeteren met een podiumfinish.
John Surtees van Ferrari was zijn grootste uitdager en had minimaal een tweede plaats nodig om de Brit voorbij te gaan. Jim Clark moest ondertussen de race winnen én hopen dat Surtees niet hoger zou eindigen dan derde. Clark was dat seizoen eigenlijk de sterkste coureur. Hij had vier pole-positions gepakt en elke race gewonnen waarin hij niet uitviel – wat uiteindelijk maar drie wedstrijden waren door de slechte betrouwbaarheid van zijn Lotus.
In Mexico was Clark oppermachtig. Op het Autódromo Hermanos Rodríguez was hij in de kwalificatie bijna een seconde sneller dan de rest en startte hij voor Dan Gurney en Surtees’ teamgenoot Lorenzo Bandini. Surtees en Hill moesten genoegen nemen met respectievelijk de vierde en zesde startplaats. Bij de start verloren beide titelrivalen direct terrein doordat Hill zijn bril nog rechtzette op het moment dat het startsein werd gegeven.
De situatie leek perfect voor Clark: hij leidde de race, terwijl Hill als tiende en Surtees als dertiende rondreed. De Britten vochten zich wel terug naar respectievelijk de derde en vijfde plaats – een uitslag die Hill met één punt voorsprong wereldkampioen zou hebben gemaakt. Maar in ronde 31 kwam Hill in aanraking met Bandini in de hairpin, waarbij de uitlaatpijpen van zijn BRM beschadigd raakten. Hij viel terug buiten de top-tien en zou zich niet meer terug naar voren komen.
Daarmee leek de titel voor Clark te zijn. Maar met nog zo’n acht ronden te gaan kreeg zijn Lotus een olielek. Clark verloor de leiding aan Gurney in de voorlaatste ronde, waardoor de titel terug naar Hill leek te gaan, en viel vervolgens helemaal uit in de laatste ronde. Maar het verhaal was nog niet voorbij. Bandini, die de tweede plaats had geërfd, liet in de slotfase bewust zijn teamgenoot Surtees voorbij. Daarmee schonk hij Ferrari én Surtees de wereldtitel.
Eindstand
1. John Surtees (Ferrari) – 40 punten
2. Graham Hill (BRM) – 39 punten
3. Jim Clark (Lotus) – 32 punten
John Surtees wordt kampioen na een sensationele finale.
Foto door: Motorsport Images
Situatie vóór de finale
1. Emerson Fittipaldi (McLaren) – 52 punten
2. Clay Regazzoni (Ferrari) – 52 punten
3. Jody Scheckter (Tyrrell) – 45 punten
Het seizoen 1974 verliep uiterst grillig, met vier coureurs die lange tijd uitzicht hadden op de wereldtitel, waaronder Ferrari-rijder Niki Lauda, die na tien van vijftien races nog aan de leiding ging, maar vervolgens vijf keer op rij uitviel.
In de aanloop naar de finale tekende zich een rechtstreeks gevecht af tussen Emerson Fittipaldi en Clay Regazzoni, die gelijk kwamen te staan in punten. Alleen als beide rijders buiten de top-vijf zouden finishen én Jody Scheckter, die bezig was aan zijn eerste volledige F1-seizoen, de race zou winnen, maakte ook de Zuid-Afrikaan nog een kans.
Alle drie de titelrivalen startten buiten de top-vijf op Watkins Glen: Scheckter als zesde, Fittipaldi als achtste en Regazzoni als negende. Pole-position ging naar Carlos Reutemann in de Brabham, die James Hunt in de Hesketh slechts 0.017 seconde voorbleef en zo zijn eerste start op de eerste rij veiligstelde.
Reutemann leidde de race van start tot finish, waarmee Scheckters titelkansen verdampten — hij viel ook nog uit vanaf de vierde positie door een technisch defect. Daarmee draaide alles uit op het onderlinge duel tussen Fittipaldi en Regazzoni. De Zwitser zakte al snel terug doordat hij klaagde over een slecht te besturen Ferrari en zou uiteindelijk teleurstellend als elfde finishen. Fittipaldi eindigde als vierde en verzekerde zich daarmee van zijn tweede wereldtitel.
Eindstand
1. Emerson Fittipaldi (McLaren) – 55 punten
2. Clay Regazzoni (Ferrari) – 52 punten
3. Jody Scheckter (Tyrrell) – 45 punten
Emerson Fittipaldi is kampioen na een vierde plaats op Watkins Glen.
Foto door: Motorsport Images
Situatie vóór de finale
1. Carlos Reutemann (Williams) – 49 punten
2. Nelson Piquet (Brabham) – 48 punten
3. Jacques Laffite (Ligier) – 43 punten
Het seizoen 1981 was uiterst spannend en bij de laatste race aangekomen stonden vijf coureurs binnen twaalf punten van elkaar. Alleen Carlos Reutemann, Nelson Piquet en Jacques Laffite hadden echter nog een reële kans op de titel.
De seizoensfinale werd verreden op het weinig geliefde stratencircuit naast Caesars Palace in Las Vegas. Reutemann pakte pole, ondanks een spectaculaire aanrijding met Piquet in de kwalificatie. De Braziliaan startte als vierde, gehinderd door nekpijn op de baan die tegen de klok in werd gereden. Laffite had motorproblemen en kwam niet verder dan een twaalfde startplek.
De Fransman moest minstens tweede worden om kans te houden en klom tijdens de race knap op naar die positie, toen Alain Prost in ronde 32 naar de pits ging voor nieuwe banden. Maar de Michelins van Laffite hadden het zwaar in de hitte, waardoor hij weer terugviel naar achteren. Reutemann had intussen een dramatische openingsfase achter de rug. Hij was in de eerste ronde naar P5 gezakt en had daarna nog twee plaatsen verloren, onder meer aan Piquet. De Williams-coureur worstelde met versnellingsbakproblemen en Piquet passeerde hem in ronde 17 — een cruciale inhaalactie voor de titel.
Door uitvalbeurten van Gilles Villeneuve en Mario Andretti klommen beide titelkandidaten iets op, maar Reutemann kreeg uiteindelijk te veel last van het missen van de vierde versnelling en zakte weg naar de achtste plaats. Piquet finishte uitgeput als vijfde, slechts twee seconden voor Laffite en Watson — het was genoeg om met één punt voorsprong wereldkampioen te worden.
Eindstand
1. Nelson Piquet (Brabham) – 50 punten
2. Carlos Reutemann (Williams) – 49 punten
3. Alan Jones (Williams) – 46 punten
4. Jacques Laffite (Ligier) – 44 punten
Nelson Piquet wordt met één punt voorsprong wereldkampioen.
Foto door: Sutton Images
Situatie vóór de finale
1. Alain Prost (Renault) – 57 punten
2. Nelson Piquet (Brabham) – 55 punten
3. René Arnoux (Ferrari) – 49 punten
Ferrari beschikte in 1983 over het beste kwalificatietempo: René Arnoux en Patrick Tambay pakten elk vier poles. Maar in de races presteerde de Scuderia wisselvallig. Arnoux kende een zwakke seizoensstart, maar vocht zich terug in de titelstrijd met drie zeges en twee tweede plaatsen in zes Grands Prix.
In Kyalami moest Arnoux opnieuw winnen om kans te houden, terwijl landgenoot Alain Prost met twee punten voorsprong op Nelson Piquet aan de slotrace begon. Hoewel Ferrari hem voor 1984 had laten gaan, reed Tambay nog altijd alsof zijn toekomst ervan afhing. Hij pakte pole-position vóór de twee Brabhams, met Piquet vóór Riccardo Patrese. Arnoux en Prost starten als vierde en vijfde, wat Piquet op papier een klein voordeel in de titelstrijd gaf.
Dat voordeel werd nog groter bij de start, waar Piquet meteen de leiding greep en een gat sloeg. Arnoux viel al vroeg uit: in ronde 10 moest hij opgeven vanuit P8 door een oververhitte motor. Na 28 ronden leidde Piquet met 28 seconden voorsprong op teamgenoot Patrese, terwijl McLaren-coureur Niki Lauda in diens kielzog zat. Prost lag vierde, op zes seconden van Lauda.
Piquet had zoveel marge dat hij zonder problemen een pitstop kon maken voor nieuwe banden en met ruime voorsprong weer de baan op kwam. Uiteindelijk maakte dat allemaal weinig verschil: Prost viel in ronde 36 uit met turboproblemen. Daarmee hoefde Piquet nog slechts vierde te worden om wereldkampioen te worden — drie punten waren genoeg. Hij reed beheerst naar de finish en eindigde als derde, waarmee hij zijn tweede wereldtitel veiligstelde.
Eindstand
1. Nelson Piquet (Brabham) – 59 punten
2. Alain Prost (Renault) – 57 punten
3. René Arnoux (Ferrari) – 49 punten
Nelson Piquet wordt in 1983 voor de tweede keer wereldkampioen.
Foto door: Motorsport Images
Situatie vóór de finale
1. Nigel Mansell (Williams) – 70 punten
2. Alain Prost (McLaren) – 64 punten
3. Nelson Piquet (Williams) – 63 punten
Voor het eerst sinds de jaren vijftig gingen twee teamgenoten met titelkansen de seizoensfinale in. Nigel Mansell en Nelson Piquet waren echter bovenal rivalen: de relatie kwam gedurende het seizoen steeds verder onder druk te staan.
Voormalig WK-leider Ayrton Senna was door de gebrekkige betrouwbaarheid van zijn Lotus uit de titelstrijd gevallen, waarna Mansell op pole leek te staan voor de wereldtitel. Maar: alleen de beste elf resultaten telden voor het kampioenschap. Zowel Alain Prost als Piquet kon met een overwinning nog op 72 punten uitkomen. In dat scenario moest Mansell minimaal tweede worden om alsnog boven hen te eindigen.
Mansell en Piquet pakten in de kwalificatie een één-twee voor Williams, met Senna en Prost op rij twee. Maar tot ieders verrassing stormde McLaren-coureur Keke Rosberg bij de start naar de leiding. De Fin sloeg een enorm gat en had halverwege de race al meer dan dertig seconden voorsprong. Ondertussen haalde Prost beide Williams-rijders in, terwijl Mansell zijn auto spaarde en Piquet een spin maakte. Daarmee leek Prost het kampioenschap te kunnen winnen: als Rosberg hem zou laten passeren, zou de Fransman op 72 punten eindigen — evenveel als Mansell, maar dankzij meer tweede plaatsen zou hij kampioen worden.
Maar in ronde 32 ging het mis. Prost tikte de Benetton van Gerhard Berger toen hij de Oostenrijker op een ronde zette en moest pitten voor nieuwe banden. Goodyear had vooraf een éénstopstrategie aanbevolen, maar concludeerde na inspectie van de banden van Prost dat de race in principe zonder stop uitgereden kon worden. In ronde 63 van de 82 leidde Rosberg nog altijd met 22 seconden voorsprong, terwijl Prost druk zette op Mansell in de strijd om P3. Precies op dat moment begaf Rosbergs rechterachterband het. Williams had geen tijd om zijn coureurs te waarschuwen en één ronde later klapte ook Mansells band — fataal voor zijn race én mogelijk zijn titel. Mansell moest direct opgeven. Daarmee gold: als Piquet of Prost zou winnen, ging de titel aan de neus van Mansells voorbij.
Williams koos eieren voor zijn geld en haalde Piquet binnen voor nieuwe banden. De Braziliaan was daarna weliswaar razendsnel, maar het gat was te groot. Prost pakte de overwinning én het wereldkampioenschap.
Eindstand
1. Alain Prost (McLaren) – 72 punten
2. Nigel Mansell (Williams) – 70 punten
3. Nelson Piquet (Williams) – 69 punten
Alain Prost laat Nigel Mansell en Nelson Piquet achter zich in de WK-stand.
Foto door: Motorsport Images
Situatie vóór de finale
1. Lewis Hamilton (McLaren) – 107 punten
2. Fernando Alonso (McLaren) – 103 punten
3. Kimi Räikkönen (Ferrari) – 100 punten
2007 stond ook weer in het teken van een onderlinge strijd: debutant Lewis Hamilton en tweevoudig wereldkampioen Fernando Alonso gingen bij McLaren rechtstreeks het duel met elkaar aan om de titel.
Hamiltons debuutjaar verliep fenomenaal. De 22-jarige Brit gold als grote favoriet voor het kampioenschap nadat hij de natte Grand Prix van Japan had gewonnen, terwijl Alonso crashte. Met nog twee races te gaan leidde Hamilton met 12 punten voorsprong op Alonso en 17 punten op Ferrari-coureur Kimi Räikkönen. Maar McLaren maakte een strategische fout in Shanghai: het team haalde Hamilton te laat binnen op de opdrogende baan. Op zijn totaal versleten banden raakte hij van de baan bij het sturen van de pits en strandde in de grindbak, waardoor het onverwacht toch nog spannend zou worden in Brazilië.
Felipe Massa pakte met de Ferrari pole voor zijn thuispubliek, gevolgd door Hamilton, Räikkönen en Alonso. In de eerste ronde verloor Hamilton meteen posities aan zijn beide titelrivalen. Hij blokkeerde bij een poging Alonso terug te pakken en viel nog verder terug, naar de achtste plaats. Enkele ronden later kreeg hij ook nog eens te maken met een versnellingsbakprobleem, waardoor hij terugzakte naar P18.
Op dat moment stond Alonso virtueel op 109 punten, Räikkönen op 108 en Hamilton op 107. Hamilton vocht zich knap terug naar de zevende plek, genoeg om in puntenaantal gelijk te komen met Alonso maar hem op aantal overwinningen te verslaan. Maar Räikkönen had het laatste woord. Door bij de tweede serie pitstops eerder dan teamgenoot Massa te stoppen en hem te overcutten, verdiende hij precies de twee extra punten die hij nodig had om wereldkampioen te worden.
De race had echter nog een staartje. De Williams- en BMW-auto’s werden onderzocht vanwege te koude brandstof — het mocht niet meer dan 10 graden onder de buitentemperatuur zijn. Bij diskwalificatie zou Hamilton drie punten extra krijgen en alsnog kampioen worden. De stewards verklaarden echter dat er onvoldoende betrouwbare data beschikbaar was om de werkelijke brandstoftemperatuur te bevestigen. McLaren diende nog een protest in, maar die werd afgewezen.
Eindstand
1. Kimi Räikkönen (Ferrari) – 110 punten
2. Lewis Hamilton (McLaren) – 109 punten
3. Fernando Alonso (McLaren) – 109 punten
Kimi Räikkönen klopt Lewis Hamilton en Fernando Alonso met één punt verschil.
Foto door: Sutton Images
Situatie vóór de finale
1. Fernando Alonso (Ferrari) – 246 punten
2. Mark Webber (Red Bull) – 238 punten
3. Sebastian Vettel (Red Bull) – 231 punten
4. Lewis Hamilton (McLaren) – 222 punten
Voor het eerst – en tot op heden enige keer – in de F1-geschiedenis gingen vier coureurs met titelkansen de laatste race van het seizoen in. Vanaf de vijfde ronde hadden zij namelijk alle overwinningen onder elkaar verdeeld. Lewis Hamilton moest winnen om kans te maken, Sebastian Vettel had minimaal een tweede plaats nodig en Mark Webber moest in de top-vijf eindigen om WK-leider Fernando Alonso te kunnen bedreigen.
Vettel zette een goede stap richting de titelstrijd door pole-position te pakken - het scheelde slechts 0.031 seconde met Hamilton. Alonso vertrok als derde, Webber als vijfde. In deze uitgangspositie stond Alonso er nog steeds het beste voor: met deze stand aan de finish zou hij kampioen worden met 261 punten, voor Vettel (256), Webber (248) en Hamilton (240). Hoewel Alonso in de eerste ronde werd ingehaald door Jenson Button, hield hij nog altijd genoeg marge om de titel binnen te halen, met 258 punten.
Het beslissende moment van de race volgde al vroeg. Webber kampte met zware slijtage op de supersoft compound en stopte al in ronde 11. Omdat hij Alonso’s grootste bedreiging was, besloot Ferrari direct te reageren en de Spanjaard binnen te halen. Alonso kwam terug op de baan als twaalfde, vóór Webber – maar achter Renault-rijder Vitaly Petrov, die tijdens de safety car in ronde 1 al zijn verplichte pitstop had gemaakt.
In deze laatste race vóór de introductie van DRS bleek inhalen vrijwel onmogelijk. Een gefrustreerde Alonso zat de rest van de race vast achter de Russische rookie en eindigde als zevende, één plekje voor Webber. Vettel reed intussen zonder problemen naar de overwinning én greep voor het eerst in zijn carrière de leiding in het kampioenschap – en op het perfecte moment: hij werd wereldkampioen.
Eindstand
1. Sebastian Vettel (Red Bull) – 256 punten
2. Fernando Alonso (Ferrari) – 252 punten
3. Mark Webber (Red Bull) – 242 punten
4. Lewis Hamilton (McLaren) – 240 punten
Sebastian Vettel grijpt op het beslissende moment de leiding in het WK.
Foto door: Andrew Ferraro / Motorsport Images
Wat zou jij graag willen zien op Motorsport.com?
- Het Motorsport.com-team
Source: Motorsport