Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Eigenlijk ging het al mis bij het vorige bezoek. ‘Lang niet gezien’, zei mijn dokter, een opgewekte man van mijn leeftijd. ‘Klopt’, antwoordde ik, ‘maar dat lijkt me alleen maar goed.’ Hier had ik moeten stoppen met leuk doen. ‘Dat is waar’, zei hij feitelijk. Nu was ik hier omdat ik behoorlijk last had van mijn schouder, daardoor ’s nachts slecht sliep en ook met moeite dingen kon tillen. Amputatie dus. Terwijl ik mijn jas uitdeed, nam de dokter plaats achter zijn bureau.
‘Alles goed?’, vroeg ik. En meteen nadat ik dat had gevraagd, dacht ik: Julien, waarom ben je toch zo’n dildo? Dit is je dokter. Het is niet je vriend, niet je collega, niet de barman van je stamkroeg. Men vraagt niet aan zijn dokter of ‘alles goed’ is. Wat moet een dokter daar op antwoorden? ‘Eh’, antwoordde hij en zijn ogen schoten even snel heen en weer, ‘eh, ja hoor.’
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Hier had ik van kunnen leren. Maar dat deed ik niet. Een paar weken later loop ik weer de kamer van mijn dokter binnen, ditmaal gewapend met een potje urine. Het is een glazen potje, waarin augurken van Kesbeke hebben gezeten. Uiteraard heb ik het potje grondig schoongemaakt, met afwasmiddel, schoonmaakmiddel en kokend water. Dit om grote verwarring in het urinelaboratorium te voorkomen. Maar dit zeg ik allemaal niet tegen mijn dokter, noch vraag ik hem of alles kits achter de rits is. Met zo min mogelijk aplomb haal ik het potje tevoorschijn. ‘Ah, mooi’, zegt de dokter. Laat het maar aan mij om medische professionals een goede dag te bezorgen.
‘Ik moet het alleen nog even overgieten in een echt urinepotje’, zegt hij en maakt aanstalten om op te staan. Ik maan hem tot zitten. ‘Nee joh, doe ik wel.’
‘Zeker?’
‘Natuurlijk, het is tenslotte mijn urine!’ (Kijk ’m weer joviaal doen hoor.)
De dokter gebaart naar een wastafel waar ik mijn gang kan gaan. Ik sta, ga bij het kleine aanrecht staan en schroef het deksel van het potje. De dokter wijst op een dispenser aan de muur. ‘Je kunt daar handschoentjes uit halen.’
Handschoentjes? Waarom handschoentjes? Voor mijn eigen urine? Als ik nu handschoentjes zou aantrekken, zou ik een precedent scheppen voor al mijn toekomstige urinehandelingen. Dan zou ik elke keer als ik moet plassen handschoentjes moeten aantrekken. Leg dat maar eens uit, als je in een druk urinoir staat in de kroeg.
‘Waarom zou ik handschoentjes aantrekken?’, vraag ik de dokter.
‘Nou, misschien wil je geen urine over je handen heen’, geeft hij een volstrekt redelijk en logisch antwoord.
En dan zeg ik dat hij eens moest weten wat ik elke ochtend onder de douche doe. Dus nu moet ik wéér op zoek naar een andere dokter.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns