Home

Scrabbelen doe je maar op de kleuterschool

Peter Buwalda is schrijver en columnist van de Volkskrant

Waarom ik nooit ben gaan gamen, weet ik wel. Gamen is te leuk. Als ventje van een jaar of 12 heb ik eraan mogen ruiken. Rook lekker. Te lekker. Zaken kunnen zowel te leuk als te lekker zijn. In die zin ben ik een overtuigd calvinist. Ik probeer te leuke en te lekkere dingen te haten.

Dat ruiken eraan gebeurde bij vrienden van mijn ouders, die een Commodore 64 bezaten. Op die ‘homecomputer’, zoals die typemachine werd genoemd, kon je met een klein cassettebandje een spel inladen dat Blue Max heette. Het was een spel met een vliegtuigje waarmee je bommen kon werpen. En het had diepte.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

‘Diepte?’

‘Drie dimensies. Konden we nauwelijks bevatten, toen, een computerspel dat niet door en voor oude Egyptaren was gemaakt.’

Die vrienden van mijn ouders woonden aan de andere kant van Nederland, wat mijn broertjes en ik jammer vonden, heel jammer. Slechts een keer of vier per jaar reden we naar deze vrienden toe en bleven een weekend bij ze logeren. Best vaak, eigenlijk, toch vonden mijn broertjes en ik dat mijn ouders de vriendschap met deze vrienden ernstig verwaarloosden.

Zodra we bij deze vrienden waren gearriveerd, eigenlijk waren het ook onze vrienden, werden we gedrogeerd met taart en warme chocolademelk. Beleefd zaten we op de bank. Soms zeiden we wat, ‘ja, graag’, herinner ik me, en: ‘Ik heb straks heus nog wel honger, hoor.’

Na een kwartier waaraan geen einde leek te komen, vroeg een van ons drieën verstikt maar zonder veel omhaal, wat zijn kinderen toch puur: ‘Mogen wij anders even Blue Maxen?’

Complimenten, addergebroed ­zonder opvoeding was met taart en al opgestaan en zwijgend de trap op geklost, naar de masterbedroom, waar de Commodore 64 stond te wachten. Misschien deden we dat ook wel, trouwens. In één keer door klossen, jassen nog aan. We hadden maanden naar Blue Max toegeleefd, erover delibererend tijdens het eten, het spel naspelend op de fiets naar judo, erover fantaserend voor het inslapen.

Waarop het uitdraaide tijdens zo’n weekend was dat mijn vader en zijn vriend, zeg maar de twee zware jongens van het gezelschap, ons als het eten klaar was naar beneden moesten tillen, en dat zodra ze ons bijna allemaal in de woonkamer hadden gegooid, er eentje terug de trap op sprintte om nog even het potje af te maken.

‘Echt?’

Ongeveer. Wat me in die jaren moet hebben verontrust, was het Blue Max-vormige gat waarmee ik de dagen na zo’n weekend rondliep. We zwierven alle drie met een glazige blik door het huis, geen zin in The A-Team, geen trek in chips. Intuïtief, ik denk om niet aan lager wal te raken, om her en der wat diploma’s te kunnen binnenhalen, heb ik later besloten, toen ik genoeg geld verdiende om een spelcomputer aan te schaffen, om deze spelcomputer juist niet aan te schaffen.

‘Mooi gezegd.’

Ik vertel haar dit allemaal omdat we gisteren voor het eerst een potje Wordfeud hebben gespeeld. Mijn vriendin Jet doet het al eeuwen met haar moeder. Vaak vergeet ze haar woordje tijdig te leggen.

Toch durfde ik niet. Ik zag mezelf al aan dat virtuele scrabblebord komen te hangen, in de ban van driedubbele letter- en woordwaardes, me tureluurs puzzelend op woordjes die iedere weldenkende papegaai kan ophoesten.

‘Nee, joh’, zei ze.

Het blijkt dus ‘ja, joh’. Ik kan niet stoppen met nadenken en schuiven en tellen. Een uur per beurt, makkelijk. Ik geniet me te pletter, ook. Dus stop ik er weer mee.

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next