Wie was Joost Zwagerman nou echt? De door eigen hand om het leven gekomen schrijver hield zich vaak verborgen achter maskers, maar wilde volgens biograaf Maria Vlaar juist gezien worden. Ook al wist hij dat die drang hem uiteindelijk zou verwoesten.
schrijft voor de Volkskrant over Nederlandstalige literatuur.
Op 8 september 2015 zorgde het bericht van de zelfmoord van de schrijver Joost Zwagerman, 51 jaar, voor een schokgolf van verdriet en verbijstering. Een week na zijn dood vond er een afscheidsbijeenkomst plaats in De Duif in Amsterdam, waar schrijvers, dichters, kunstenaars, journalisten, vrienden en familie samenstroomden om hem te herdenken. Zwagermans ex-vrouw Arielle en zijn drie kinderen, pubers pas, waren erbij. Zijn vriendin Maaike zat zwanger van zijn kind op de voorste houten kerkbank naar de met bloemen overladen kist te staren. Hoe was het mogelijk dat zo’n vitale, succesvolle en geliefde man zichzelf van het leven had beroofd?
Maria Vlaar, criticus, schrijver en bestuurder van literaire organisaties, was vooraf naar De Duif gekomen, die in de ochtend openstond voor iedereen die dat wilde, om afscheid te nemen. Zij had Zwagerman leren kennen in het midden van de jaren tachtig. ‘Net als ik kwam Joost uit een katholiek, West-Fries gezin en was Nederlands gaan studeren aan de Universiteit van Amsterdam’, zegt Vlaar (1964) aan de keukentafel van haar met boeken en kunst volgestouwde huis in de hoofdstedelijke Watergraafsmeer.
‘Joost was een jaar ouder dan ik, maar begon twee jaar later aan de studie omdat zijn ouders, allebei onderwijzer, wilden dat hij eerst naar de pedagogische academie ging. We waren niet bevriend, maar kwamen elkaar wel geregeld tegen. Ook ik ging met mijn vrienden naar café Het Paleis, ik werd redacteur bij De Bezige Bij en kwam hem tegen bij presentaties en feesten in de stad. Ik las zijn boeken. We deelden een wereld.’
In De Duif trof Vlaar Elik Lettinga, Zwagermans jarenlange uitgever en goede vriendin. ‘Elik zat verslagen voor zich uit te kijken. We raakten aan de praat over de mannen van onze generatie. Wat voor een destructief leven leefden zij eigenlijk? Hoe kwam het toch dat zoveel schrijvers van de leeftijd van Joost al dood waren? Vrienden als Martin Bril en Rogi Wieg en verklaarde vijanden als Michaël Zeeman en Anil Ramdas? En mijn eigen man, schrijver Erik Menkveld, was in 2014 ook overleden, aan een hartstilstand.’
Een jaar later vroeg De Arbeiderspers u om de biografie van Joost Zwagerman te schrijven.
‘Dat was een totale verrassing. Ik moest er een paar maanden over nadenken: zou het mij lukken mij jarenlang intensief bezig te houden met een man die zichzelf van het leven heeft beroofd? Maar na een dag te hebben doorgebracht in Joosts archief, 42 dozen in het Literatuurmuseum in Den Haag, werd ik enthousiast. Uit die dozen spatte talent en levenswil.’
Toen in de winter vóór zijn dood, in 2015, werd aangekondigd dat Zwagerman ‘als jongste auteur ooit’ zijn archief aan het Literatuurmuseum schonk – om zo twee ton van de belasting af te kunnen trekken – werd dat belachelijk gemaakt.
‘Voor mij als biograaf zijn die dozen goud waard. De eerste die ik opendeed, bevatte zeven volgepende schriftjes, dagboeken uit 1988 tot 1996, waarin hij ongekend openhartig is. Ze vormen de weerslag van de tijd waarin ‘Zwaag’, zoals hij door zijn vrienden werd genoemd, zich vol overgave in het Amsterdamse uitgaansleven stortte. Hij schreef er in 1989 Gimmick! over, een pulserend portret van de kunstscene rond Rob Scholte, Paul Blanca en allerlei andere figuren die in club Roxy alles deden wat God verboden heeft.’
Zwagerman wilde al heel jong een beroemde schrijver worden, en slaagde daarin wonderwel.
‘Joost brandde van ambitie. Zijn toenmalige geliefde Monique bewaarde een briefje, als hij net heeft gehoord dat zijn eerste verhaal in Avenue geplaatst gaat worden. Na vier glazen witte wijn in Américain, pleisterplaats van de aanbeden Harry Mulisch, schreef hij: ‘Ik ga het helemaal maken!!! Zie je wel dat ik een geboren dichter cq schrijver ben?!! xxx liefs, Joost. PS: Ik kan wel janken van geluk!’
Was hij een natuurtalent?
‘Zeker! Vanaf zijn 10de maakte hij thuis in Alkmaar iedere week een tijdschriftje: De Zwagergids. Oplage één. Hij knipte en plakte, heel postmodern, allemaal plaatjes uit kranten, tijdschriften en oude nummers van de Varagids, maakte daar collages van en schreef alles aan elkaar. Joost schreef ingezonden brieven aan zichzelf en klaagde dan als hoofdredacteur dat hij geen tijd had om overal op te antwoorden, want: ‘Dit alles is door één man gemaakt.’’
Zwagerman bleek geen man uit één stuk.
‘Ik wist toen nog niet dat ik ook heel andere Joosten zou leren kennen, al had ik het kunnen weten. Zijn gedicht Zeven Joosten begint met de regels: ‘Die nacht had ik zeven mooie hoofden/ die ik naast mijn ene leven legde op de kast.’ Hij was niet alleen een ambitieuze romanschrijver, lyrische dichter en bevlogen kunstbeschouwer, maar ook een compulsieve vreemdganger, afwezige vader, obsessieve ruziemaker en, uiteindelijk, een angstige, depressieve man. Iemand zonder kern. Een man met een gat in zijn ziel.’
Hij wilde gezien worden?
‘Niet gezien worden was de grootste krenking. Al heeft Joost zich ook vaak verborgen achter maskers. Vriendinnetjes, hoerenbezoek, snuiven en slikken, manipulaties – dat heeft hij allemaal geheim gehouden.’
Heeft u niet getwijfeld of u dat allemaal naar buiten moest brengen?
‘Ik ben ervan overtuigd dat Joost dat óók heeft gewild. Anders had hij zijn dagboeken, brieven en notities niet keurig gerubriceerd in dozen naar het Literatuurmuseum gebracht. Ik denk dat ik Joost recht heb gedaan door zijn gevoeligheden en zwakke plekken juist wel te beschrijven. Die brachten hem in een situatie waar hij niet meer uitkwam. Als ik die had weggelaten, begrijp je niet waarom die man zelfmoord heeft gepleegd. In 1992 noteerde hij al in zijn dagboek: ‘FUCK! Ik krijg echt een gloeiende hekel aan mezelf. Kom toch eens tot RUST!’ Zwaag ging ten onder aan zijn eigen angsten, ambitie en moralisme.’
Zwagerman predikte eerlijkheid, liet zich erop voorstaan dat hij een ‘honnête homme’ was.
‘Maar hij was lang niet altijd eerlijk. Ik kom ook uit een katholiek West-Fries gezin. Ik weet precies hoe dat besef van schuld en boete werkt, de moraal van de zonde. Joost was nooit het schoonste jongetje, wat zijn moeder van hem wilde. Hij groeide op met het idee dat hij niet goed genoeg was. Later nam Joost zelf iedereen de maat. Maar hij leefde niet naar zijn eigen zuivere moraal.’
In zijn romans uit de jaren negentig, Vals licht en De buitenvrouw, bekende hij waaraan hij zich in het ware leven bezondigde.
‘Terwijl Joost zijn critici maar bleef toeroepen dat alles verzonnen was: ‘Dit is een roman! Dit is een roman!’ Zijn ruime ervaring met prostituees gaf hij een plaats in Vals licht. Lizzy is gebaseerd op Mauke, een raamprostituee die hij wilde ‘redden’ en die korte tijd bij hem introk in zijn huis in de Amsterdamse Pijp.
‘In De buitenvrouw kon hij zijn overspeligheid kwijt. Joost werd steeds opnieuw verliefd, bleef niemand trouw. Ook niet zijn eigen vrouw Arielle, zijn jeugdliefde uit Alkmaar met wie hij trouwde en drie kinderen kreeg. Overigens heet de hoofdpersoon in De buitenvrouw niet voor niets Altena: leraar Nederlands aan een school in de provincie, zo had hij zelf kunnen zijn, dat schrikbeeld kwam hem Al-te-na.’
Zwagerman deed zich voor als bohemien.
‘Joost was provinciaal tot op het bot. Zijn ouders hadden zich opgewerkt uit een landarbeidersklasse, angst voor armoede werd met de paplepel ingegoten, zijn broertje Alexander en hij moesten hun intellectuele en artistieke ontwikkeling uit hun tenen trekken. Diep vanbinnen bleef Joost een angstig burgermannetje. Hij dacht: Jan Cremer schreef het toch ook allemaal op? Ik doe dat ook! Maar Cremer kon het echt geen bal schelen wat anderen van hem vonden. Die schaamde zich niet. Joost wel.’
Tegelijk vertoonde Zwagerman narcistische trekken, had hij een geïdealiseerd zelfbeeld.
‘Joost werd woedend op recensenten die hem niet bewonderden. Als een krant of tijdschrift een kritisch stuk plaatste, belaagde hij de redactie. Hij bestookte recensenten en collega’s met nachtelijke mails vol bittere verwijten. Joost wilde zelfs dat zijn redacteur en zijn vrouw ingezonden brieven schreven om aan te tonen dat hij wél briljant was. Heel pijnlijk.’
Hij probeerde te overleven door te polemiseren.
‘Net als de bewonderde Gerrit Komrij en Jeroen Brouwers, met wie hij al sinds de puberteit correspondeerde. Hij maakte schoon schip in de poëzie voor de Maximalen, beet zich vast in vetes met Michaël Zeeman en Anil Ramdas, maar was er ongeschikt voor. Veel te lichtgeraakt en snel gekwetst. Als hij de apenrots wilde beklimmen, moest hij op tegen generatiegenoten als A.F.Th. van der Heijden en een aanstormend talent als Arnon Grunberg.’
Vrouwen speelden geen rol in zijn literaire universum, schrijft u.
‘Dat heeft mij óók als vrouw natuurlijk getroffen. Joost spiegelde zich alleen aan mannen, liefst aan Amerikaanse cultschrijvers als William Burroughs, Jack Kerouac, Truman Capote, Philip Roth. Als hij al over vrouwen schreef, was het vaak denigrerend. Connie Palmen, zijn ‘ergernis numero uno’, noemde Joost in een brief ‘de weduwe Meijer’ met ‘dat narcistische therapeutische schijnfilosofische kuttekopproza’. Later nam hij het wel voor haar op.’
Hij hield wel van vrouwen.
‘Ja, om mee naar bed te gaan! Maar toch vond ik hem geen macho. Eigenlijk wilde hij een meisje zíjn. Ook in de liefde. Er zit een scène in De houdgreep waarin dat wordt verbeeld. Dat aspect van zijn persoonlijkheid heeft hij onderdrukt. Daarmee kwam je niet ver op de apenrots. Hij deed zich mannelijker voor dan hij was. En dat vrat aan hem, vanbinnen. De meisjes op wie hij verliefd was, waren jongensmeisjes. Ze leken op hem.’
Vriendschappen met mannen liepen vaak op de klippen uit concurrentiedrift.
‘Adri van der Heijden raadde Joost al vroeg aan om het schrijverschap niet als ‘een soort Sterrenslag’ te zien. ‘Elkaar vliegen afvangen, in plaats van hard werken en op hoog niveau produceren.’ Van der Heijden hield hem voor zich niets aan te trekken van anderen en door te werken: ‘Dat is het pad van de echte kunstenaar.’’
Maar Zwagerman kon dat niet.
‘Joost was zich wel bewust van de verwoestende werking die de apenrots op hem had. Nadat Chaos en rumoer in 1997 keihard was afgekraakt, kreeg hij in 2002 nog slechts één roman op papier: Zes sterren. Toch liet hij zich in 2010 nog portretteren als de kroonprins van Harry Mulisch, de Grote Eén van de vaderlandse letteren. Hij durfde het masker van de successchrijver niet af te zetten om zijn ‘echte’ gezicht te laten zien. ‘Flaubert voelde zich een overtollig mens en gaf het leven zin door schrijven’, zei Joost, ‘voor mij geldt dat idem dito.’ Hij dacht: zonder de literatuur ben ik niemand meer.’
Wrang genoeg schreef hij in de laatste jaren van zijn leven misschien wel zijn sterkste werk: bevlogen essays over politiek, literatuur en beeldende kunst. En hij bereikte een enorm publiek met zijn enthousiaste televisiecolleges bij Matthijs van Nieuwkerk in DWDD.
‘Voor hem was het niet genoeg. Hij wilde per se de succesvolle romanschrijver zijn, en tekende kort voor zijn dood bij een nieuwe uitgever nog een contract voor drie nieuwe romans, terwijl zijn gezondheid taande. Intussen twijfelde hij over alles en iedereen, en dat deed hij al heel lang. Joost was altijd bang dat hij zijn vertellers-elan en talent kwijt was.’
Legden de twijfel, het liegen en bedriegen een tijdbom onder zijn huwelijk? In 2003 kon Arielle in Weekend lezen dat haar man een affaire had met Femke Halsema.
‘Joost bood zijn excuses aan en beloofde beterschap, maar knoopte kort daarna een geheime verhouding aan met Maaike Pereboom. Hij noemde zichzelf een familieman, maar liet de opvoeding van de kinderen aan zijn vrouw over. Tot Arielle zelf verliefd werd op acteur Hugo Koolschijn.
‘Het huwelijk ontaardde in 2011 in een vechtscheiding, die pas drie jaar later door de rechter werd uitgesproken. Joost overstelpte Arielle met boze en dreigende emails en probeerde op allerlei manieren onder de alimentatie uit te komen. Hij zat een tijdje in hun vakantiehuisje in Tuitjenhorn, vlak bij zijn geboortegrond, panisch om failliet te gaan. Joost vroeg aan zijn moeder of hij bij haar mocht komen wonen als de schuldsanering zich zou melden. Arielle heeft drie keer noodgedwongen haar telefoonnummer veranderd, maar zette zelf een recherchebureau in om de gangen van haar ex-echtgenoot na te gaan. Ze voerden vier rechtszaken tegen elkaar.’
Had die juridische strijd er ook mee te maken dat de verschijning van uw biografie van Zwagerman werd uitgesteld? Journalisten kregen de proef pas later en na het tekenen van een geheimhoudingscontract. Op elke pagina staat schuin, dwars door de tekst heen: ‘Embargo tot woensdag 26 november 2025, 00.01 uur.’
‘Arielle dreigde maandenlang een kort geding aan te spannen tegen de uitgeverij en mij omdat ze, tien jaar na de dood van Joost, haar eigen aandeel in de vechtscheiding niet onder ogen kon komen. Zelfs tegen het woord ‘vechtscheiding’ protesteerde zij. Zij was slechts bevochten, vond zij, dit was haar allemaal aangedaan door Joost. De uitgeverij heeft compassie getoond door mij te vragen een aantal details over de scheiding te schrappen.’
Was de scheiding de oorzaak van zijn depressie?
‘Nee. Depressie is een ziekte, en er speelde veel meer in zijn leven waar hij niet uitkwam. Achteraf kun je vaststellen dat Joost zijn hele leven bij vlagen last van depressies heeft gehad. Zijn leven werd lijden. In 2014 werd hij zelfs opgenomen in een ggz-kliniek in Epen, op aandringen van Maaike en psychiater Bram Bakker.’
Verlangde hij uiteindelijk naar de dood?
‘Al in de schoolkrant, De kabel, schreef Joost over zelfmoord. Hij vroeg Jeroen Brouwers, auteur van de ‘zelfmoordbijbel’ De laatste deur, het hemd van het lijf. Maar een obsessie werd het pas in 1998 toen zijn vader, Jaap Zwagerman, een mislukte zelfmoordpoging deed. Joost heeft dat zijn vader enorm kwalijk genomen, beschouwde de daad als een misdaad jegens de nabestaanden.
‘Toen zijn oude vriend, de dichter Rogi Wieg, in de zomer van 2015 euthanasie werd verleend wegens ondraaglijk psychisch lijden, was Joost helemaal kapot. Zelfs Rogi had hij niet kunnen beschermen. Hij was mislukt, vond hij zelf: als vriend, als vader, als zoon, als echtgenoot en partner – en als schrijver.’
U beschrijft zijn zelfmoord niet als een vlaag van verstandverbijstering, maar als een weloverwogen keuze.
‘Op dinsdag 8 september 2015 werd Joost dood gevonden door Maaike, zijn zwangere vriendin. Hij had haar die dag op een dwaalspoor gezet, het touw voor zijn strop zelf gekocht. Het was geen ‘impulssuïcide’, maar een ‘balanssuïcide’, naar het onderscheid dat Joost zelf maakte in zijn bundel Door eigen hand. Het was een einde waarnaar hij lange tijd had uitgekeken.’
In het gedicht Lief schreef hij dat zijn dood misschien ‘een vergissing van God’ was.
‘Misschien zou Joost, als hij het wel had overleefd, spijt hebben gehad. Dit gedicht schreef hij in een roes in de zomer van 2015, vlak voor zijn dood. Het is van een wrede schoonheid. Joost keert terug naar huis, naar God. Hij vraagt vergiffenis aan zijn lief. Het gedicht vervult je met compassie voor zijn tragische leven.’
Mijn lief, vertrouw ook
nu op mij. Ik ben niet weg,
God ademt mij. Mijn lief,
wees alsjeblieft heel lief
voor mij. Misschien heeft God
Zich in mijn dood vergist.
Maria Vlaar: Zwaag – De zeven levens van Joost Zwagerman. De Arbeiderspers; 772 pagina’s; € 45.
Praten over zelfdoding kan gratis, anoniem en 24/7 bij de landelijke hulplijn 113 Zelfmoordpreventie. Telefoon: 0800-0113. Of chat op www.113.nl
18 november 1963 geboren als Johannes Jacobus Willebrordus Zwagerman in Alkmaar.
1975-1981 Havo aan Rijksscholengemeenschap Kennemerland in Alkmaar.
1981-1983 Pedagogische academie Bergen, pabo Alkmaar.
1984 Studie Nederlandse taal- en letterkunde (stopt voortijdig in 1987).
1986 Debuutroman De houdgreep.
1987 Langs de doofpot, eerste dichtbundel.
1989 Gimmick!, roman over de Amsterdamse kunstscene in de jaren tachtig.
1991 Vals licht, roman over de liefde tussen een student en een prostituee. Verfilmd door Theo van Gogh in 1993.
1994 De buitenvrouw, roman over overspel tussen een witte leraar en een zwarte lerares.
1995 Huwelijk met kunstrestaurator Arielle Veerman, waaruit twee zonen en een dochter worden geboren.
1997 Chaos en rumoer, parodistische roman over de media- en boekenwereld.
1998 Het jongensmeisje, verhalenbundel. Zelfmoordpoging vader Jaap Zwagerman.
2003-2004 Presentator Zomergasten, waarin Ayaan Hirsi Ali Submission vertoonde.
2005 Roeshoofd hemelt, dichtbundel, wordt vier maal herdrukt.
2008 Publiceert bloemlezing De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 200 essays. Krijgt de Gouden Ganzenveer voor zijn bijdrage aan de Nederlandse geschreven cultuur.
2010 Duel, novelle, Boekenweekgeschenk.
2011 Scheiding Arielle Veerman (uitgesproken 2014), relatie Maaike Pereboom.
2010-2015 ‘Zwagerman leest’ en ‘Zwagerman kijkt’, wekelijkse rubriek in de Volkskrant. Treedt geregeld op in tv-programma De wereld draait door.
2013 Americana 1 & 2. Omzwervingen in de Amerikaanse cultuur.
2014 Opgenomen met depressie in psychiatrische kliniek in Epen.
8 september 2015 Pleegt zelfmoord in zijn huis in Haarlem.
2015 Laatste essaybundel over kunst De stilte van het licht verschijnt.
2016 Geboorte zoon. Dichtbundel Wakend over God verschijnt postuum.
Joost Zwagerman verkocht bijna 1,5 miljoen boeken, maar ontving nooit een grote literaire prijs.
Maria Vlaar (1964) is schrijver van korte verhalen, recensent en interviewer voor de Vlaamse krant De Standaard, en biograaf van Joost Zwagerman. Ook is ze lid van de Adviesraad Koninklijke Vereniging van het Boekenvak en bestuurslid van de Stichting P.C. Hooftprijs.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant