Home

Opinie: Waarom treuzelt Nederland bij het beschermen van vrouwen op het werk?

Iedereen die seksuele intimidatie op het werk wil aanpakken, zou het verdrag van de International Labour Organization integraal moeten omarmen. Dus, waar wacht de Nederlandse regering nog op?

Op 25 november kleurt de wereld weer oranje om aandacht te vragen voor het stoppen van geweld tegen vrouwen en meisjes. Ook op het werk is die aandacht broodnodig, zeker ook in Nederland, waar veel vrouwen seksueel grensoverschrijdend gedrag op het werk ervaren. Preventie schiet tekort, net als de aanpak van concrete meldingen en klachten.

De International Labour Organization (ILO), onderdeel van de Verenigde Naties, constateerde dat seksueel geweld op het werk grote gevolgen heeft voor de gezondheid en het welzijn van vrouwen en meisjes en hen belemmert in hun kansen op de arbeidsmarkt.

Daarom nam de ILO in 2019 een uitstekend internationaal verdrag aan over de aanpak van geweld en intimidatie op het werk, met een speciale focus op gender-gerelateerd geweld. Nederland heeft – als een van drie laatste landen in Europa – het verdrag echter nog niet geratificeerd.

En nu er dan eindelijk een wetsvoorstel voor ratificering ligt, is dat helaas beleidsarm, omdat volgens de regering met de bestaande wettelijke regelingen al aan de verplichtingen van het verdrag zou zijn voldaan. Dat is een stelling, die we niet kunnen onderschrijven.

Over de auteur(s)

Alie Kuiper is bedrijfskundige en Mirjam Decoz is advocaat. Beiden zijn gespecialiseerd in de aanpak van (klachten over) on­gewenste omgangsvormen op het werk.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Gevaren

Het verdrag vraagt van overheden wereldwijd om een scala aan maatregelen te nemen gericht op het voorkomen en bestrijden van grensoverschrijdend gedrag op het werk en nationale wetgeving waar nodig aan te scherpen. Zo moet het wegnemen van gevaren, zoals onzekere arbeidscontracten of bedrijfsevents waar de alcohol rijkelijk vloeit, helpen seksuele intimidatie te voorkomen. Net als het aanbieden van programma’s voor bewustwording.

Voor slachtoffers moeten volgens het verdrag laagdrempelige voorzieningen beschikbaar komen om hulp te zoeken en zo nodig procedures te starten om hun recht te halen. Voorzieningen buiten de eigen organisatie – aanbevolen wordt onder andere een 24-uurs hotline – maar ook op bedrijfsniveau.

Aan vertrouwenspersonen en aan onderzoekers van meldingen en klachten stelt het verdrag eisen gericht op onafhankelijkheid en deskundigheid, en gender-responsiviteit wordt als een van de competenties genoemd. Victim blaming, bijvoorbeeld schuld toewijzende vragen als ‘waarom ben je niet gewoon weggegaan’, wordt in dat kader gekwalificeerd als een beroepsfout.

Daarnaast moeten de verantwoordelijke toezichthouders zoals nationale arbeidsinspecties ervoor zorgen dat organisaties de wettelijke verplichtingen waar het ILO-verdrag om vraagt daadwerkelijk naleven.

Leemtes

In theorie stelt de Arbowet in het kader van preventie de eis dat organisaties een risico-inventarisatie moeten uitvoeren en een plan moeten opstellen om deze risico’s aan te pakken (RI&E). Uit onderzoek blijkt echter dat bij de overgrote meerderheid van bedrijven en instellingen de paragraaf over seksuele intimidatie niet of beperkt is ingevuld. En omdat de Arbeidsinspectie onvoldoende menskracht heeft wordt dit nauwelijks gehandhaafd en gaat er geen preventieve werking van deze verplichting uit.

Op essentiële fronten ontbreekt zelfs een wettelijk kader, zoals voor de opvang van medewerkers die last ervaren en voor het onderzoeken van meldingen en klachten. Er ligt nu wel een -uitgeklede- initiatiefwet bij de Eerste Kamer voor de verplichtstelling van toegang tot vertrouwenspersonen. Maar zonder eisen aan hun onafhankelijkheid en deskundigheid – gender-responsiviteit wordt niet eens genoemd – met het risico dat slachtoffers van de regen in de drup raken door het handelen van onervaren of ondeskundige vertrouwenspersonen.

De afgelopen periode kwamen ook veel missers in het nieuws over (klacht)onderzoeken naar ongewenste omgangsvormen. Dit komt mede doordat wettelijke kaders die bij de afhandeling van meldingen en klachten bescherming bieden tegen rechtsongelijkheid en willekeur ontbreken.

Beleidsarm ratificeren

Over dat laatste stelden enkele leden van de Tweede Kamercommissie vragen bij de behandeling van het wetsvoorstel tot het beleidsarm ratificeren van het verdrag. De minister antwoordde dat de Regeringscommissaris seksueel geweld en seksueel grensoverschrijdend gedrag een handreiking heeft geschreven voor het zorgvuldig oppakken van een melding, inclusief tips voor het doen van onderzoek. Ook zou zij met voorstellen komen voor onderzoeksprotocollen. Maar een wettelijk verplicht normenkader, daar wil de overheid niet aan.

Recent Europees onderzoek wijst echter uit dat wettelijke verplichtingen de drijfveer zijn voor werkgevers om beleid te voeren voor (sociale) veiligheid. Handreikingen zijn natuurlijk zinvol maar wel vrijblijvend, gaan uit van zelfregulering en kunnen niet gehandhaafd worden.

Kortom, iedereen die seksuele intimidatie op het werk wil aanpakken, zou het verdrag integraal moeten omarmen. Nederland moet de verplichtingen en aanbevelingen in het verdrag omzetten in wetgeving en een Arbeidsinspectie die kan optreden. Opdat de werkplek eindelijk veilig wordt voor vrouwen en meisjes.

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next