Voor zijn nieuwe boek De 82 componisten die je moet kennen dook recensent klassieke muziek Merlijn Kerkhof in de oeuvres van de bekende en minder bekende componisten. Zijn conclusie: die canon is eigenlijk best oké.
is redacteur klassieke muziek van de Volkskrant.
Toen ik in 2013 voor een krant begon te schrijven over klassieke muziek, had ik nog nooit van haar gehoord. Nu moet Florence Price (1887-1953) een van de meest gespeelde vrouwelijke componisten zijn. In korte tijd is haar werk bij zo’n beetje ieder orkest of ensemble op de radar gekomen. Een paar jaar geleden heeft ze op de Amsterdamse Zuidas zelfs een straat (goed, hof) naar zich vernoemd gekregen.
Bij leven was ze nauwelijks bekend. Niet alleen haar sekse zat een mooie carrière als componist in de weg (componeren werd je als vrouw niet geacht te doen), ze was ook zwart in een door racisme en de gevolgen van slavernij getekend Amerika. Desondanks slaagde ze er in 1933 in haar Eerste symfonie gespeeld te krijgen door een professioneel orkest, het Chicago Symphony Orchestra, als eerste Afro-Amerikaanse vrouw.
Vele geëngageerde musici en activisten vinden nu dat Price een ereplek verdient in de canon van de klassieke muziek. Zeker in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk klinken volop stemmen die menen dat de canon diverser en vrouwelijker moet. Het gevolg is dat ik ineens lijstjes tegenkom zoals van ClassicFM (2024), dat de vijftien beste vioolconcerten aller tijden heeft gerangschikt. Drie van de componisten zijn zwart.
Is die canon hard aan verandering toe? En zo ja, wat moet anders?
Sinds februari 2023 ben ik me extra bewust van die canon. Voor de Volkskrant begon ik toen met een rubriek (De Klassieker) waarin ik componisten introduceer aan de hand van drie van hun mooiste stukken. Die rubriek diende als basis voor het boek De 82 componisten die je moet kennen, dat net is verschenen.
De canon is vormgegeven in het Duitse taalgebied vanaf begin 19de eeuw, toen Bach met een patriottistische biografie op een voetstuk werd geplaatst, Beethoven een internationale ster werd en de term ‘klassieke periode’ werd gemunt. Muziek werd de allesbinder van de natie, de canon promo voor de Duitse muziekcultuur. Omliggende landen zetten daar hun eigen helden tegenover.
De canon is voor een groot deel het gevolg van de kansen die mensen wel en niet kregen om zich te ontplooien. En zeker in de 19de eeuw waren die kansen voor vrouwen minimaal. Om een boek te schrijven, heb je alleen pen en papier nodig; wil je je als componist kunnen ontwikkelen, dan ben je afhankelijk van mensen die je muziek willen uitvoeren. Dat de componistencanon nogal monochroom is, is ook niet zo gek: de samenstelling van de bevolking in Europa was anders dan nu.
Elke publicatie – of het nou mijn boek is of een lijstje van ClassicFM – draagt bij aan die canon, die natuurlijk geen vaststaand iets is. Zie de canon liever als een soort wolk in het collectieve geheugen waarvan je de contouren waar kunt nemen. De canon is altijd in beweging. Veel componisten (Louis Spohr, Johann Nepomuk Hummel, Gaspare Spontini) zijn er in de loop der tijd stilletjes uit verdwenen.
Voor een recensent klassieke muziek is er weinig zo fijn als een onbekende componist herontdekken en om onterecht vergeten stukken onder de aandacht te brengen. Er moeten nog veel schatten te vinden zijn, en wie weet stuit ik nog eens op een componist die zo goed was als Frank Martin. Of misschien zelfs zo goed als Bach. Het kán. In Bachs sterfjaar, 1750, leefden er volgens schatting van de Verenigde Naties ongeveer 791 miljoen mensen. Nu zijn we met 8,2 miljard. Statistisch gezien zijn er zeker tien Bachs onder ons.
Maar nadat ik de afgelopen jaren weer zo intensief in al die oeuvres ben gedoken, moet ik bekennen: ik vind de canon eigenlijk best oké.
Vooropgesteld: er is heel veel briljante muziek die nog te onbekend is. De cirkel van kleine meesters is gigantisch. Maar de kern staat. Ik ben geen andere barokcomponist tegengekomen die zoveel mogelijkheden zag in harmonische ontwikkeling als Bach. Noch een tijdgenoot van Mozart die op net zoveel fronten en in net zoveel (alle) genres uitblonk, of iemand anders met Beethovens meeslepende kracht.
Zoals het niet is uitgesloten dat er nog heel veel schatten opduiken, valt evenmin uit te sluiten dat Bach, Mozart en Beethoven daadwerkelijk unieke talenten waren.
Natuurlijk, het is voor een deel te verklaren met waar je al gedurende je hele leven aan bent blootgesteld. Ook wie nooit op zoek is geweest naar klassieke muziek, heeft stukken van die componisten gehoord, al is het maar onder reclames of in films.
En er is dat effect dat bij de meeste mensen de smaak afstompt: zo rond je 30ste komen er geen lievelingsplaten of -stukken meer bij; die nieuwe kunnen niet concurreren met de muziek waarmee je al zo lang zo’n diepe band hebt. Dat geldt, vrees ik, ook voor mij.
Het werken aan De 82 heeft mijn liefde voor die oude dino’s vooral bevestigd. Ik wíl de hiërarchie relativeren – denken in termen als context, plaats en tijd in plaats van ‘genie’ –, maar ik voel haar alleen maar meer.
Door jezelf te dwingen om steeds drie stukken van een componist te kiezen, wordt het onderscheid duidelijk tussen de zeer grote en iets mindere goden. Bij Brahms piekerde ik me suf over welke drie stukken ik moest kiezen, bij Bach heb ik me maar op orgelstukken gestort (nog steeds niet te doen). Bij een heleboel anderen was er één overduidelijke piek en konden daar nog twee werken bij – moest ik daar überhaupt wel over schrijven?
Ik begrijp de initiatieven om de canon te veranderen. Het ís gênant dat er zo weinig vrouwen tussen zitten. Zij vormen zo’n kleine minderheid, dat ik met gemak honderd afleveringen door zou kunnen gaan zonder één componiste langs te laten komen. Veel lezers zou het niet eens opvallen, zo gewend zijn we aan de vrouwelijke bijrol in de klassieke muziek.
We kunnen het onrecht uit het verleden niet ongedaan maken, toch is die wil om iets recht te zetten voor veel musici en programmeurs een drijfveer. Dat vind ik mooi. Maar hoe graag ik als in-principe-progressieveling ook zou meejuichen, heel vaak als er weer een herontdekte vrouwelijke componist wordt bewierookt die beter zou zijn dan Mozart, Dvorák of Robert Schumann, denk ik: geloven jullie dit nou echt? De pr komt altijd met een verhaal van de strekking: genegeerd door boosaardige mannen, alsof het een groot complot betrof.
Het goede aan deze tijd is dat componisten als Florence Price, Amy Beach en Clara Schumann nu zo vaak door goede orkesten en ensembles zijn gespeeld, dat je hun werk nu pas echt kan wegen.
Wat Price betreft: de ironie is dat iemand die zo door de progressieve muziekwereld wordt opgehemeld, in een behoorlijk conservatief idioom schreef. Het grootste deel van de tijd krijg je het idee dat je muziek luistert uit 1890 in plaats van uit de jaren dertig, als Stravinsky’s Le sacre du printemps en Schönbergs Drei Klavierstücke al oudjes zijn. De eigenheid zit in haar verwerking van spirituals. Maar ik vind haar stukken ook vaak langdradig. Dichte mist.
Haar verhaal is belangrijk, haar muziek is niet voor mij.
Hoe zit het dan eigenlijk met de man-vrouwverhouding in mijn eigen lijst van 82? En hoe verhoudt die zich tot het gemiddelde?
Omdat er veel variaties in de canon zijn per land, vroeg ik ChatGPT in vijf talen en in net iets andere formuleringen wie de 82 bekendste klassieke componisten zijn. Wat viel op? De Amerikanen en Britten bleken sterker vertegenwoordigd dan wanneer je de vraag aan musicologen uit continentaal Europa zou stellen. Malcolm Arnold zou hier in geen enkele lijst voorkomen.
Het aandeel vrouwelijke componisten in mijn eigen lijst, vijf (en weer gaat de Joke Smitprijs aan mij voorbij), was vergeleken bij ChatGPT zo slecht nog niet. In drie van de vijf AI-lijsten stond slechts één vrouw, een andere keer stonden er twee in en bij de vijfde zelfs nul.
Tussen de AI-lijsten en mijn inhoudsopgave zat ook veel overlap. Die liep uiteen van 40 tot 49 componisten. En minstens de helft van die componisten die niet in mijn lijst voorkomen, hadden ook best een hoofdstuk verdiend.
‘De’ canon bestaat niet, maar de canon klopt.
En toch mag er wel iets veranderen aan die canon. Accentje maar. Wat mij betreft mag de poort open voor die zeer goede componisten die niet in de traditie werkten van nootjes schrijven op papier. Sinds we alles in de studio kunnen vastleggen, precies zoals we willen, is de noodzaak om muziek te noteren kleiner. Waarom zou je, als je Prince was – multi-instrumentalist, megatalent, genie – de mogelijkheden van je eigen tijd negeren en voor een symfonieorkest gaan schrijven?
Niet alleen in onze ‘klassieke’ concertzalen klinkt klassieke muziek. Wie naar het gemiddelde muziekaanbod van theaters kijkt – tegenwoordig zelfs dat van grotere festivals en popzalen – ziet dat de programmering wordt gedomineerd door gespecialiseerde coverbands.
Vaak doen die enorm hun best om alles zo getrouw mogelijk na te spelen en zelfs het hele instrumentarium van de oorspronkelijke bands te kopiëren. Die bands spelen voor ons The Beatles, The Doors en Queen, omdat die bands het zelf niet meer kunnen.
De platen van tal van bands en artiesten uit de jaren zestig, zeventig en tachtig, zijn al aan hun derde generatie fans toe. Bij veel van de bij leven al tot klassiek bestempelde componisten moeten we nog maar afwachten of de liefde voor hun werk blijvend is. Ik eindig mijn boek met Brian Wilson (de Beach Boy, ja), een van de grote naoorlogse componisten.
Dit voorstel tot uitbreiding van de klassieke canon heeft nog een vrolijkstemmend effect. Het gros van de belangrijkste genres van de westerse muziek uit de 20ste eeuw komt uit zwarte gemeenschappen. De klassieke canon nieuwe stijl zal er een stuk inclusiever van worden.
De 82 componisten die je moet kennen is verschenen bij Ambo Anthos. 280 pagina’s, € 24,99. Met illustraties van Thomas Beijer.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant