Home

In de hitte van de glasoven ontstaat de kunst van Maria Roosen

Door Sarah van Binsbergen

Fotografie Desiré van den Berg

De Volkskrant reist mee met kunstenaar Maria Roosen naar Tsjechië, waar haar bedenksels tot leven worden gewekt door glasblazers. Het resultaat is vanaf dit weekend te zien in Stedelijk Museum Schiedam. ‘Het is als de liefde bedrijven, je moet er samen in zitten. Dan is alles mogelijk.’ 

Tien voor zes ’s morgens. Buiten is het nog pikdonker en koud. Binnen bij glasblazerij Ajeto, gelegen tussen de glooiende heuvels in het noorden van Tsjechië, wordt er flink gezweet. In korte broeken en met badslippers aan hun voeten trotseren acht glasblazers de allesverzengende hitte. Die is afkomstig van een vierkante bakstenen oven vol kolkend glas, die op een houten podium midden in de ruimte staat. Om beurten lopen de mannen naar een van de acht openingen in de oven. Ze stoppen hun stalen blaaspijpen erin, halen er wat roodgloeiend, vloeibaar glas uit, en beginnen eem bol te blazen. Ondanks het vroege uur zit de sfeer er al goed in; tussendoor trekt de een na de ander een biertje open, en de geur van sigaretten walmt door de ruimte.

Op het eerste gezicht lijkt kunstenaar Maria Roosen (68), keurig gekleed in een lichtroze trui waar een kraagje onderuit piept, grote gouden oorbellen in haar oren, totaal niet op haar plek in deze ruige setting. Toch is ze hier kind aan huis. Glasblazerij Ajeto is een van de plekken in deze regio waar Roosen al jaren haar bijzondere glazen sculpturen laat maken.

Maria Roosen geldt als een van de grande dames van de Nederlandse beeldende kunst. Ze brak begin jaren negentig internationaal door toen ze samen met Marlene Dumas en Marijke van Warmerdam exposeerde in het Nederlandse paviljoen op de Biënnale van Venetië. Organische vormen zoals lichaamsdelen, vruchten, paddenstoelen spelen in haar uitgesproken, kleurrijke en de verbeelding prikkelende werk vaak een rol. Ze is vooral bekend om haar borstvormige sculpturen, waaronder de befaamde Borstentros (2008) die in de tuin van Museum Arnhem ligt.

Roosen werkt met verschillende materialen en ambachtelijke technieken, zoals breien en houtsnijden. Maar het meest bekend staat ze om haar handgeblazen glaswerk. Dat glas blaast ze niet zelf: ‘Ik heb het wel eens geprobeerd, maar ik smolt gewoon weg.’ Wel werkt ze nauw samen met de vakmensen die haar aquarellen en tekeningen omzetten in driedimensionale beelden, en daarvoor is ze regelmatig in Tsjechië te vinden. De ‘kristalvallei’ in de regio Noord-Bohemen, waar onder andere glasblazerij Ajeto ligt, staat bekend om zijn eeuwenoude glastraditie.

De aanleiding voor dit bezoek aan haar Tsjechische glazblazerij, eind september, is Roosens grote overzichtstentoonstelling Schrobben Harken Gieten Vegendie op 22 november opent in Stedelijk Museum Schiedam. Met zo’n zestig kunstwerken kijkt de tentoonstelling terug op Roosens nu ruim veertig jaar omspannende carrière. Roosen grijpt de gelegenheid aan om ook nieuw werk te maken.

Als de Volkskrant Roosen half september benadert met het idee om in aanloop naar de tentoonstelling een stuk te schrijven over het ambacht in haar werk, en vooral haar innige, jarenlange band met het medium glas en de vaklieden in Noord-Bohemen, is ze meteen enthousiast.

‘Over twee weken ga ik weer,’ zegt ze over de telefoon. ‘Anders ga je mee! Gezellig!’ Het is een eerste kennismaking met haar spontane en warme inborst, waar we tijdens de reis nog veel van zullen zien. Regelmatig zal ze opgetogen uitroepen hoe fijn ze een kennismaking vindt, hoe geweldig de mensen zijn met wie ze werkt.

Tijdens drie stralende septemberdagen volgen we Roosen op verschillende afspraken in de Tsjechische kristalvallei. Dichter bij deze veelzijdige kunstenaar dan hier, tussen de hete ovens, het vloeibare glas en de ruige mannen, kun je eigenlijk niet komen. Hier, in de uitwisseling tussen haar ideeën en het vakmanschap van de glasblazers, komen haar bijzondere beelden tot stand.

Maandag 29 september

Roosen en haar reisgenoot, collega-kunstenaar en goede vriendin Krystel Geerts brengen de dag door in Nový Bor (11.000 inwoners). Het stadje is Roosens uitvalsbasis als ze in Tsjechië is; de glasblazerijen en andere vaklieden waarmee ze werkt, zitten hier allemaal in de buurt. Alles lijkt hier te draaien om glas: gebouwen en rotondes in het historische centrum zijn versierd met uitbundige glazen sculpturen, van stekelige fantasievruchten tot een soort glazen vogelverschrikker. Op verschillende plekken staan bordjes die leiden naar ‘glasgaleries’, glasmusea en werkplaatsen.

Het glasmaken gaat hier zo’n 700 jaar terug, maar is ook nog springlevend. In Hut, het restaurant waar Roosen en Geerts neerstrijken voor de lunch, zit je zelfs praktisch in een glasblazerij. Vanaf je tafeltje kijk je toe hoe drie glasblazers drinkglazen blazen. Er zit slechts een glaswand tussen.

Dit concept, glasblazerij, restaurant, en boven is er ook nog en museum, komt uit de koker van Petr Novotný (1952-2024), een van de bekendste glasblazers in Tsjechië, vertelt Roosen. Samen met de prominente architect en ontwerper Bořek Šípek, bekend van flamboyante, barokke ontwerpen, gaf hij het glasblazen in deze regio in de jaren negentig een enorme impuls. ‘Noord-Bohemen stond vooral bekend om historisch glas, er werden replica’s van oud glaswerk voor musea gemaakt. Novotný en Šípek gaven het een moderne twist, en trokken ook veel hedendaagse kunstenaars en ontwerpers aan.’

Maandag 29 september

Roosen heeft een afspraak met brandschilder Jan Janecký, gevestigd in een groot ateliercomplex in Nový Bor. Brandschilderen is een eeuwenoude techniek om op glas of hout te tekenen door middel van hitte. Je schildert daarbij met speciale glasverf op het glas. Daarna gaat het beschilderde glas in de oven, waar de kleur door de hitte permanent in het glas wordt gebrand.

Janecký, een vrolijke veertiger, is voor Roosen bezig met het beschilderen van een dozijn gele, handgeblazen glazen vlinders. Deze vlinders komen straks te hangen aan de buitenzijde van een raam in het trappenhuis van Stedelijk Museum Schiedam. Alsof ze van buitenaf het museum binnen proberen te vliegen. Roosen loopt al heel lang met dit beeld rond: ‘Toen ik eind twintig was, overleed mijn geliefde plotseling aan een hartaanval. De dag na zijn overlijden zaten de keukendeur en het keukenraam van buitenaf vol met gele vlinders, terwijl het eind november was. Heel wonderlijk.’

Janecký schildert, Roosen zit ernaast en kijkt toe. Af en toe geeft ze in het Engels aanwijzingen en en reacties op de kleuren en patronen die Janecký, op basis van en schets van Roosen, op de vleugels van de vlinders schildert: ‘Die klonten hier, daar moet je nog even iets mee doen, dat klopt niet met de beweging die in zo’n vleugel zit.’

Er hangt een penetrante terpentinegeur in het atelier. ‘Het is niet echt mijn cup of tea om de hele dag in zo’n ruimte met die stinkdingen te zitten,’ zegt Roosen. ‘Maar ik moet er wel bij zijn. En Jan is gelukkig wel een heel interessant iemand, die ontzettend veel weet over glas.’

De glazen vlinders hebben geen lijfjes, de vleugels komen in het midden samen als de bladen van een opengevouwen boek. Met een lijfje zou het te letterlijk worden, vindt ze. Ze werkt vaak met vormen die tegen het clichématige aanschurken, zoals hartjes en regenbogen. In de uitvoering moet je dan heel precies zijn, anders wordt het kitsch.

‘Je kan ook denken, houd toch op met die kitscherige dingen,’ zegt Roosen. ‘Dan loop ik hier rond in dit stadje en dan zie ik in die winkeltjes allemaal glazen vlinders liggen. Maar dat is ook juist de uitdaging. Als je dit goed doet, dan geeft dat ook weer een nieuw perspectief op zo’n vlinder, voorbij het cliché.’

Dinsdag 30 september

In het donker rijden we, langs bossen en weilanden, in Roosens oranje bestelbus naar glasblazerij Ajeto. Ondanks het vroege uur is het druk op de weg. Glasblazers beginnen hun werkdagen rond zes uur ’s ochtends, en werken door tot twee uur ’s middags. Om de ergste hitte te vermijden, en om ervoor te zorgen dat de werkstukken genoeg tijd hebben om af te koelen voor de volgende dag.

Roosen heeft slecht geslapen, ze is wat gespannen. Deze dag vormt het zwaartepunt van haar trip naar Tsjechië. Ze heeft van zes tot twaalf uur een team van vier man bij Ajeto gereserveerd. In die zes uur moet er veel gebeuren. Ze wil kralen laten maken voor een nieuwe Roosenkrans, een reusachtige kralenketting die Roosen ziet als zelfportret. ‘Ik heb er tot nu toe vier gemaakt, steeds op een ander punt in mijn leven.’ En ze wil gaan ‘harken’, een techniek die ze zelf bedacht heeft, waarbij je twee kleuren glas met een hark of riek vermengt.

Ajeto is gevestigd in een oude textielfabriek in Lindava, zo’n tien minuten rijden van Nový Bor. Net als restaurant-glasblazerij-museumcomplex Hut, is deze glasblazerij opgezet door ontwerper Bořek Šípek en glasvirtuoos Petr Novotný. De vaklieden van Ajeto zijn gespecialiseerd in unieke, handgeblazen glasobjecten en werken vaak samen met beeldend kunstenaars en ontwerpers.

Al zo’n twintig jaar laat Roosen het meeste van haar glaswerk in Tsjechië maken. Per kunstwerk kiest ze vaak de meest geschikte glasblazerij of studio. Ajeto heeft grote ovens en is dus ook geschikt om grotere voorwerpen te maken. Morgen gaat ze naar een veel kleinere studio, waar de jonge glasblazer Petr Janecký en zijn team zich hebben gespecialiseerd in detailwerk.

De glasblazerij bestaat uit een rechthoekige ruimte met in het midden een rechthoekig podium, waar de glasoven op staat. Vier teams van elk vier personen kunnen er tegelijk werken, ieder op een eigen hoek van het houten podium.

Nadat ze schetsen heeft laten zien van de kralen die ze als eerste wil laten maken; witte met amberkleurige oogjes erop, gaan de glasblazers van Roosens team voor deze ochtend aan de slag. Rosta, een zachtaardig uitziende man met een borstelig kapsel waar een enkele, korte dreadlock uitsteekt, haalt met zijn pijp wat vloeibaar wit glas uit de oven en blaast een bol. Lukas, gekleed in een blauw overhemd waarvan alleen het onderste knoopje dicht zit, laat op de bol wat amberkleurig glas druipen. Met een schaar knipt Rosta de gloeiendhete massa af, die de consistentie heeft van hele dikke stroop. Lukas drukt het amberkleurige glas plat, en voilà: de witte oogbol heeft een iris.

‘Het fascinerende aan glas vind ik dat het gestolde beweging is, gestolde energie,’ zegt Roosen, die oplettend toekijkt. ‘Tijd is ontzettend belangrijk. Je moet met je volle aandacht in het moment aanwezig zijn. Een verkeerde beweging, of een te snelle knip met de schaar, en je moet weer opnieuw beginnen.’

Met glasblazers werken, vertelt Roosen, is niet een kwestie van op afstand een ontwerp opsturen en dit laten uitvoeren. ‘Je moet erbij zijn. Je doet het echt samen. Ik laat mijn Ideeën zien, zij maken iets. Ik stel mijn beeld weer bij, op basis van wat ik zie gebeuren. In die wisselwerking gebeurt het.’

Als iets haar duidelijk is geworden uit de vele jaren dat ze nu met glasblazers werkt, dan is het dit: je moet open staan voor het proces. ‘Je kunt allerlei ideeën hebben over hoe iets er uit moet zien, maar je moet ook meebewegen.’

Dat blijkt als de eerste kraal in de koeloven verdwijnt, met maar één oogje er op. Dat moesten er twee zijn. Maar als Roosen de witte bol met het ene amberkleurige oogje, dat ook onmiskenbaar op een tepel lijkt, nog eens bekijkt, bedenkt ze zich. ‘Waarom eigenlijk twee? Een is ook heel goed.’

Dinsdagochtend 30 september

Roosens team is inmiddels lekker warmgedraaid. Ook elders zit de sfeer er goed in. Een glasblazer met de bijnaam Satan, aanvoerder van het team waarmee Roosens reisgenoot Krystel Geerts vandaag werkt, trekt een flesje huisgestookte walnootlikeur opengetrokken. Wie wil er een slokje?

‘Nu gaan we harken,’ kondigt Roosen aan. Ze loopt naar een hoek van de glasblazerij waar ze harken, rieken en bezems heeft neergezet. Het idee, zo legt ze uit aan het team, is dat de glasblazers twee verschillende kleuren glas, in dit geval transparant en rood, op een zware, voorverwarmde metalen plaat gieten. Daar moeten ze met een hark doorheen bewegen, zodat de tanden gelijkmatige groeven in het glas trekken en de twee kleuren door elkaar gaan lopen.

Wat volgt is een spannende choreografie die de opperste concentratie van alle betrokkenen eist. Glasblazer Rosta loopt naar de glasoven en laat de stroperige, gloeiendhete gesmolten glasmassa in een beweging van rechts naar links van zijn blaaspijp op de plaat lopen. Roosen staat erbij, en als zij aangeeft dat er genoeg glas op de plaat ligt, knipt collega Lukas de massa los van de blaaspijp. Jirka, een jonge glasblazer met een t-shirt met de tekst ‘All you need is glass’, staat al klaar om de volgende kleur aan te brengen. Roosen reikt Rosta een van de harken aan, en de glasblazer trekt de hark voorzichtig eenmalig door de glasmassa. Assistent Tomas zorgt er intussen voor dat de glasmassa niet van de hete plaat glijdt.

Een enkele beweging door het glas, meer is het niet. Maar die beweging moet wel in een keer goed zijn, en het duurt even voordat de glasblazers te pakken hebben wat Roosen wil. Ze zijn te voorzichtig, vindt ze: ‘Hij moet gewoon harken, niet een mooie vorm maken,’ zegt ze. Ze doet het voor in de lucht: ‘Just like you would do it in the ground.’ Gebaren zijn onmisbaar: Roosen spreekt geen Tsjechisch, de mannen weinig Engels.

Volgende pogingen gaan beter. ‘Ja, dat is fantastisch, zegt Roosen als een van de glasblazers de hark ver omhoogtrekt, zodat het glas in een soort kam overeind komt te staan.

‘Het is een beetje als de liefde bedrijven,’ zegt Roosen als het harken wordt onderbroken voor een korte pauze. ‘En dan heb ik het over iets anders dan platte seks.’ Seks, vindt ze, is consumptief: ‘Dat is iets wat je hebt. De liefde bedrijven is iets wat je samendoet.’ Zo ziet ze dit werkproces ook. ‘Je zit met z’n allen in een ontzettend lichamelijk geladen moment. Je reageert op elkaar, moet goed op elkaar ingespeeld zijn. Zit je er samen goed in, dan is er opeens van alles mogelijk.’

Of de glasblazers het ook zo zouden omschrijven, is vanwege de taalbarrière niet te achterhalen. Wel hebben ze zichtbaar plezier in het harken. Aan de andere kant van de glasblazerij staat een team al de hele ochtend routineus vazen te blazen, dit is weer eens iets anders.

In totaal maken Roosen en haar team acht verschillende versies, in verschillende kleurencombinaties; transparant en felrood, transparant en amber, felrood met dieppurper. Roosen reikt de glasblazers steeds andere werktuigen aan; een riek, die vier veel wijder uit elkaar staande groeven trekt, een houten hark die door de hitte van het glas in vlammen uitslaat.

Hoewel dit werk een stuk abstracter is dan veel van Roosens kunstwerken, doen ook deze ‘harksels’ enorm aan het menselijk lichaam denken. De plek waar het gesmolten glas omhooggetrokken is lijkt in sommige gevallen op een ruggengraat, de groeven van de hark doen denken aan ribben. Het is alsof je vanuit het binnenste van een borstkas naar buiten kijkt. Die associatie was niet haar opzet, zegt Roosen, maar mooi vindt ze het wel. ‘Al moet het ook weer niet te letterlijk zijn.’

Teksten over Roosen benadrukken vaak dat haar werk gaat over grote, existentiële thema’s als lichamelijkheid, vruchtbaarheid, groei, bloei, liefde en dood. ‘Te makkelijk,’ vindt de kunstenaar die omschrijving. Ze stoort zich er aan dat altijd diezelfde zet woorden gebruikt wordt. ‘Mijn werk vloeit voort uit het leven, ik probeer een beeldentaal te ontwikkelen voor allerlei ervaringen en gevoelens. Vruchtbaarheid, liefde, de dood en rouw horen daar allemaal bij. Maar het gaat ook over doen, werken, dingen maken. Over schrobben, harken, gieten en vegen. Daarom heb ik dat ook gekozen als de titel van de overzichtstentoonstelling.’

De essentie van haar werk komt daarmee heel dicht bij wat hier, in de glasblazerij gebeurt. In het samenwerken, in het moment, in de herhaling van het glasblazen, kristalliseren de beelden zich steeds verder uit.

Woensdagochtend 1 oktober

Op de laatste ochtend in Noord-Bohemen zit Roosen op een houten bankje bij Petr Janecký, een jonge glasblazer die iets buiten Novy Bor een studio heeft. De sfeer is hier totaal anders dan in Ajeto. Het losstaande pand is hip ingericht, met zwarte stalen fabrieksramen, plankjes met Japans keramiek, grote bananenplanten bij de ingang. Er staat zachte indiemuziek op.

Janecky’s vriendin en zakenpartner Barbora heeft alvast verschillende pigmenten klaargelegd, en een kopie van Roosens boek Monster ligt opengeslagen op een pagina met geaquarelleerde meikevers. Het plan is om deze kevers, die maximaal de grootte van een hand hebben, vandaag in glas te gaan maken. Janecký, die een veel kleinere ruimte en kleinere ovens heeft dan bij Ajeto, is gespecialiseerd in dit soort verfijnde, gedetailleerde glaswerk.

Janecký heeft er voordat Roosen kwam al een paar gemaakt, en Roosen is verrukt over het resultaat. Het is alsof haar aquarellen tot leven gekomen zijn, zegt ze. ‘Wist je dat je insecten kon maken?’ vraagt ze. ‘Nee, antwoordt hij, verlegen. ‘Ik keek gewoon naar jouw boek en wist: deze is dood, deze leeft nog.’

Het plan is dat deze kevers in de tentoonstelling op en rond een bed komen te liggen. Het idee daarvoor kreeg Roosen, zoals zoveel van haar ideeën, door een toevalligheid die direct herkende als betekenisvol. Na het maken van haar boek Monster kreeg ze de proefdrukken, waarbij sommige pagina’s over elkaar gedrukt waren. Een aquarel van vijf dode meikevers, was gedrukt over een foto van Bed (1994), een sculptuur van een onopgemaakt bed met twee grote glazen borsten erop. Mooi, vond ze het contrast tussen de warmte en intimiteit van het bed, en die dode zwarte kevers.

‘In de tentoonstelling wil ik zo’n twintig dode kevers verspreid rond dat bed hebben,’ zegt Roosen. ‘Ze vormen een tegenhanger voor de zachtheid en zoetigheid die ook in de tentoonstelling zit.’

Janecký neemt met zijn blaaspijp wat zwart glas uit de oven, blaast er een klein belletje in. Dat steekt hij nogmaals in de oven, en dan begint hij te blazen tot er een grotere bol ontstaat. Met een tang trekt hij de vorm uit. Warmt ‘m met een brander weer op, en vormt met de tang aan de bovenkant een kleiner bolletje. Het is nog bijna niets, en toch herken je er al het lijfje en kopje van een meikever in. Dan zet hij er een voor een pootjes aan; eenvoudige slierten zwart glas die precies de losse zwierigheid hebben van de pootjes op Roosens tekening.

Ze heeft het al zo vaak zien gebeuren, zegt Roosen. En toch blijft het iedere keer een soort magie, om haar eigen werk op deze manier tot leven te zien komen.

Maria Roosen – Schrobben Harken Gieten Vegen
22 november t/m 3 mei, Stedelijk Museum Schiedam

De schepsels in het verrukkelijke ‘Fantastische wezens’ zijn inderdaad fantastisch

Hedendaagse kunstenaars zijn dol op fantasiewezens. Zestien kunstenaars tonen hun zelfbedachte schepsels in Venlo. De spannendste wezens slaan onverwachts toe met maatschappijkritiek.

Wel openhartig. Dit zelfportret. Gedurfd. Geheimzinnig. Wie is Mark Manders? Maffe gast

De overzichtstentoonstelling van Mark Manders in museum Voorlinden in Wassenaar mag gerust gezien worden als een blik in het hoofd van de kunstenaar. Maar dat is zó’n overrompelende ervaring dat onze recensent van de weeromstuit een nogal experimentele recensievorm kiest.

Naar de billen en bicepsen die Michelangelo tekende kun je blijven kijken

In het Teylers Museum is – voor het eerst in Nederland – een marmeren beeld van Michelangelo te zien, naast vele tekeningen. Achter de fascinerende monocultuur van mannelijk naakt in het werk van de Italiaan gaat een verhaal schuil vol tegenstrijdigheden.

Source: Volkskrant

Previous

Next