Vijftig jaar geleden werd Suriname onafhankelijk. Noraly Beyer beleefde er de jaren van hoop en de jaren van donkerte. ‘Ik was nog zó gewaarschuwd: eerst pakken ze de intellectuelen.’
is podcastpresentator en columnist voor de Volkskrant.
Noraly Beyer heeft twee jaar lang elk weekend onafgebroken gehuild. Vrijdagavond kwam ze thuis van haar baan als journalist-presentator bij de Wereldomroep, zaterdag en zondag liep ze over de Bilderdijkstraat in Amsterdam terwijl de tranen over haar wangen rolden, en maandag ging ze weer naar het werk. Ze heeft toen, in de donkere jaren tachtig, haar hele tranenvoorraad opgemaakt, denkt ze. Ze heeft er ook een hekel aan de Bilderdijkstraat aan overgehouden.
In december 1982 was ze vanuit Suriname naar Nederland gevlucht, al noemde ze dat zelf niet zo. Ze zag het als ‘even bijkomen’, ze wilde snel terugkeren, ze had haar heerlijke huis op hoge neuten aan de zuidkant van Paramaribo niet eens opgeruimd voordat ze halsoverkop was vertrokken.
Haar tranen waren voor Suriname, voor de mannen die vermoord waren door het militaire regime, voor de jaren dat ze onder hoogspanning het nieuws had verzorgd voor de STVS, de nationale televisieomroep in Suriname, terwijl een censor met een uzi door het redactielokaal liep.
Aan de tranen gaat een lang verhaal vooraf. Als beginpunt kun je 1970 kiezen, toen Noraly Beyer (in 1946 geboren op Curaçao uit Surinaamse ouders) in Delft woonde met haar jonge gezin en heimwee had naar de tropen. ‘De rust, de ruimte, de warmte. Ik gunde mijn zoontje dat hij buiten kon spelen zonder jas in plaats van rondjes kruipen door een krappe flat.’ Het werd Suriname, waar ze les ging geven op een lagere school.
Over deze serie
Op dinsdag 25 november is Suriname vijftig jaar onafhankelijk. In aanloop daarnaartoe publiceert de Volkskrant een serie interviews met mensen die vanuit hun bijzondere ervaring of kennis kunnen vertellen over een periode in de Surinaamse geschiedenis.
Het waren de jaren van hoop. Het land werd in die tijd min of meer onverhoeds onafhankelijk. Daar gingen onrust, stakingen, brandstichtingen, etnische spanningen en een uittocht van Surinamers die bij Nederland wilden blijven aan vooraf, maar het was ook, zegt Beyer, ‘een vibrerende tijd’. Van opwinding en beloften en kansen en gebalde vuisten. ‘Ik nam een Surinaams paspoort. Mensen zeiden ‘Wat doe je nou!?’ Maar ik was naar Suriname gekomen om te blijven, om all the way te gaan.’
Ondertussen was ze overgestapt naar de staatsomroep STVS, het enige televisiestation van het land. ‘Ik kende iemand die daar werkte, hij was naarstig op zoek naar een nieuwslezer. Tot onze grote hilariteit liet hij de hele vriendenkring een stukje uit de krant voorlezen. De meesten bakten er niks van. Toen kwam ik aan de beurt en besloot hij: jij gaat het doen.’
Ze had het er heerlijk. Samen met haar collega Ingrid de Vlugt ‘draaide’ ze de nieuwsredactie. ‘Twee vrouwen, een cameraman en een geluidsman. Ik was eigenwijs, want in Nederland naar school gegaan, dus ging ik schrappen en herschrijven in de omslachtige nieuwsberichten. Dat was nieuw.’
De jaren van teleurstelling braken aan. De onafhankelijkheid bracht niet waarop was gehoopt, de corruptie bleek hardnekkig, grote dromen en dito projecten sneefden. In het leger was het onrustig, omdat het personeel een militaire vakbond wilde oprichten, maar dat niet mocht. Op de vroege ochtend van 25 februari 1980 greep een groep van zestien sergeanten onder leiding van de sportinstructeur Desi Bouterse verrassend soepel de macht. De republiek was pas vijf jaar oud.
‘Toen ik die dag op het werk kwam’, zegt Beyer, ‘zat Jozef Slagveer, een collega-journalist, achter mijn typemachine. Hij had zich bij de coupplegers aangesloten. ‘Vanaf nu ben ik de censor, alles gaat via mij’, zei hij. Ik was er ziek van, wilde het nieuws niet lezen, en ben naar huis gegaan met de smoes dat ik geen oppas had. Thuis zag ik op tv hoe het militaire regime zich aan de natie presenteerde, met de loop van hun uzi’s gericht op de camera, op ons.’
Die dagen vat ze samen met het woord ‘vernedering’. In de Memre Boekoe Kazerne registreerde ze met haar cameraman gearresteerde plunderaars die geboeid en halfnaakt in het gras lagen. Ze werden afgeranseld door militairen met karwatsen, terwijl die ‘zo doen we die dingen vanaf nu’ riepen.
Ze stond er met draaiende camera bij toen de gearresteerde burgerregering moest tekenen voor de machtsoverdracht. ‘De afgezette vicepremier, Olton van Genderen, zag er altijd piekfijn uit, strak in het pak, het was een deftige man. Nu liep hij op teenslippers in een flodderig hemd. Wat vernederend, dacht ik alleen maar.’
Over de militairen is later gezegd: ze wilden een vakbond en ze kregen een land. ‘Ze hadden geen idéé’, zegt Beyer. ‘Ze waren jong, ze lazen geen boeken, ze wisten niks.’ De mannen van de radicaal-linkse partijen Palu en de Volkspartij zagen hun kans schoon. Zij hadden op de universiteit in Nijmegen en Wageningen de werken van Lenin en Marx bestudeerd, zij gingen ‘de revolutie’ ideologisch laden. Beyer: ‘Allerlei opportunisten meldden zich. Het was een zootje. De ideologen probeerden ons voor de zaak te winnen door Ingrid en mij avonden lang bij te praten over de goede werken van Mao. Als we na afloop naar huis gingen, zeiden we tegen elkaar: weer niet gelukt.’
De militairen wisten niet goed wat ze aan moesten met de twee vrouwen op de nieuwsafdeling. ‘Het ontzag voor vrouwen zit diep in de cultuur verankerd. Het maakte ze radeloos. Tegelijkertijd waren ze machtsdronken. Een van de censors stond een keer woedend op de redactie ‘Alles hier is niet van jullie maar van mij!’ te roepen. Hij rukte de kerstversiering van het plafond. Stond hij daar met een papieren kerstster in zijn hand ‘En dit is ook van mij!’ te brullen. Het was idioot, maar ik moet zó lachen als ik eraan terugdenk.’
Het binnenlandse nieuws gingen de militairen zelf doen. Het buitenland deed ze nog wel, over landen als Cuba en El Salvador, waar de Koude Oorlog werd uitgevochten. Toen ze eens in een nieuwsbericht melding maakte van ‘guerrilleros’ in Nicaragua, legde de censor de loop van z’n uzi op haar schouder en zei: ‘Wij zeggen ‘vrijheidsstrijder’.’ Beyer: ‘Krankzinnig. De intimidatie. Als je niet deed wat ze wilden, had je de revolutie niet begrepen.’
Hoewel de militairen aanvankelijk enthousiast werden onthaald door de bevolking – ze hadden toch maar mooi afgerekend met de oude corrupte kliek – koesterde Beyer weinig illusies. ‘Ik had een Hongaarse schoonvader, die vóór de opstand van 1956 al naar het Westen was gevlucht. Hij wist alles van repressie af en wreef het in: macht is gevaarlijk. Het corrumpeert.’
Het waren de jaren van beklemming en grimmigheid. Van een Volksmilitie met geüniformeerde burgers. Van lange rijen voor lege winkels. Van drugshandel in de militaire top, want ‘het waren ook jongens die van een Rolex hielden’. Van groeiende corruptie: ‘We waren op dat vlak heus wat gewend, maar dit was verderfelijk.’ Van mensen die zomaar omkwamen onder verdachte omstandigheden: ‘Dat heette dood door zonnesteek.’
Van hardhandige naleving van de avondklok. Van uitstel van verkiezingen. Van onrust op de universiteit. Van een mislukte tegencoup, die eindigde in de standrechtelijke executie van een van de coupplegers, terwijl hij zwaargewond op een brancard lag: ‘Voor onze ogen.’
Het beruchte bezoek van Maurice Bishop, premier van Grenada, kwam daarbovenop. Wegens stakingen was er geen stroom, waardoor legerleider Bouterse zijn gast met kaarslicht moest ontvangen. Bouterse en vakbondsleider Cyrill Daal hielden tegelijkertijd een massameeting. Bouterse trok vijfhonderd mensen. Daal het drievoudige. De vernederaar was vernederd. Bouterse beloofde Daal ‘contant te betalen’.
Toch was ook Beyer verrast toen het grote moorden kort daarop begon. ‘Terwijl mijn schoonvader nog zo had gewaarschuwd: eerst pakken ze de intellectuelen.’
In de vroege ochtend van 8 december werd ze wakker omdat iemand op haar deur tikte. Hij kwam vertellen dat zijn vriend, decaan op de universiteit, die nacht was opgepakt. Samen probeerden ze een advocaat die zich ook tegen het regime had uitgesproken te bellen, maar de telefoonlijn was dood.
Beyer ging rondrijden op zoek naar antwoorden. Onderweg kwam ze een vriendin tegen wier man ook al weg was. Ze was radeloos, ze riep: ‘Waar is m’n man, wat hebben ze met m’n man gedaan?’
De militairen waren ’s nachts gekomen, hadden de hond doodgeschoten, de telefoonlijn doorgeknipt en de man meegenomen naar Fort Zeelandia. Vijftien keer hebben ze dat herhaald. Vijftien advocaten, journalisten, vakbondsleiders, militairen. Beyer kende ze bijna allemaal.
‘Ik keek naar die vrouw, ik keek naar het land, en ik kon niet schreeuwen. Als een zombie liep ik door een verhaal dat ik niet kende.’
In de loop van de dag werd bekend dat de mannen dood waren. Op de vlucht neergeschoten na een mislukte poging tot staatsgreep, luidde de officiële verklaring. Maar wie de lijken had gezien, wist dat dit een leugen was. De lichamen waren toegetakeld, de kogelgaten zaten aan de voorkant, alles wees op marteling en executie.
Een week later zat ze op het vliegtuig naar Nederland, met in haar bagage een meegesmokkelde video-opname van de met geweld afgedwongen valse bekentenis van twee van de slachtoffers. Ze heeft de videoband bij de NOS bezorgd.
Teruggaan kon niet. ‘Ik ging voor de Wereldomroep werken en dat was voor Suriname een soort Radio Oranje. In Suriname was ik persona non grata. Ze hebben mijn huis ingenomen.’
Ze verzamelde de verhalen van de weduwen die naar Nederland waren gevlucht, soms met kleine kinderen. ‘De trauma’s zitten diep, en leven voort in de kinderen.’
De verdere ontsporingen van de revolutie-Surinaamse-stijl volgde ze vanuit Nederland: de drugsstrijd, de Binnenlandse Oorlog, de massamoord op 39 onschuldige vrouwen, kinderen, baby’s en bejaarden in het Marrondorp Moiwana. Pas in 1987, toen er een burgerregering kwam onder leiding van Ronald Venetiaan, bezocht ze Suriname weer. ‘Ik heb vrienden die hebben gezworen dat ze nooit meer voet op Surinaamse bodem zouden zetten zolang Bouterse daar zat. Maar het land is niet schuldig. Ik ga elk jaar.’ Al vindt ze het onverteerbaar dat de partij van Bouterse, de NDP, zo populair is. President Jennifer Simons was een aanhanger van de revolutie van het eerste uur. ‘Ze bouwt voort op een erfenis van moord, zonder zich daar rekenschap van te geven.’
De jaren van gemoedsrust braken pas aan na de berechting in 2019 van ‘die moordenaar’ tot 20 jaar cel. ‘Dat was zo’n ontlading. Dat hij nooit heeft gezeten en op de vlucht is gestorven, tekent de man: zijn lafheid, zijn onvermogen om zijn daden onder ogen te zien. Hij was een paria, al gedroeg hij zich als de keizer van het land.’
Het is meer dan veertig jaar geleden dat ze elk weekend huilend over de Bilderdijkstraat liep. Er leven steeds minder mensen die het hebben meegemaakt. ‘Maar we mogen dit nooit vergeten. Vertel het dóór. En leer ervan.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant